Hans Theys is een twintigste-eeuws filosoof en kunsthistoricus. Hij schreef en ontwierp tientallen boeken over het werk van hedendaagse kunstenaars en publiceerde honderden essays, interviews en recensies in boeken, catalogi en tijdschriften. Al deze publicaties zijn gebaseerd op samenwerkingen of gesprekken met de kunstenaars in kwestie.

Dit platform werd samengesteld door Evi Bert (Centrum Kunstarchieven Vlaanderen). Het kwam tot stand in samenwerking met de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen (Onderzoeksgroep ArchiVolt), M HKA, Antwerpen en Koen Van der Auwera. Met dank aan Idris Sevenans (HOR) en Marc Ruyters (Hart Magazine).

Ann Veronica Janssens

Ann Veronica Janssens - 2003 - Het pad van Joyce [NL, essay],
Tekst , 3 p.




__________

Hans Theys


Het pad van Joyce
Over een sculpturaal voorstel van Ann Veronica Jansens



Als uitgangspunt voor het sculpturale voorstel ‘Le chemin de Joyce’ vroeg Ann Veronica Janssens aan enkele leerlingen van een nabijgelegen lagere school of ze een ‘weg zonder begin of einde’ wilden tekenen. De tekening van Joyce leek haar het meest geschikt en werd uitvergroot tot een met rood grind bestrooid pad van zo’n 200 meter lang en 70 cm breed. Het pad begint zo’n meter van een bestaande weg en slingert zich door een jong, dicht begroeid bos zonder ergens naar toe te leiden.

Voor de kunstenaar bestaat de poëzie van dit werk vooral in de schaalverschuiving: het vreemde gevoel zich in een kindertekening te bevinden die de schaal van een landschap heeft aangenomen. Ze houdt ook van het knisperende geluid van het grint. De toeschouwer wandelt door een knisperende kindertekening met levende planten die allemaal op hun eigen manier het zonlicht filteren. Ik vroeg de kunstenaar of ze in dit werk het architecturale plezier van de verschuiving tussen klein en groot herkende. ‘Niet alleen,’ antwoordde ze, ‘ik gebruik hier natuurlijk wel dezelfde methode, maar ik bouw geen voorwerp, ik trek geen gebouw op. Er is een spel met de bodem, met het licht en de ruimte en met het idee een tekening de schaal van een landschap gegeven te hebben. Maar ik zou daar liever zo weinig mogelijk aan toevoegen.’

In mijn onlangs gepubliceerd boek over het werk van Ann Veronica Jansens schreef ik dat de meest volmaakte cinema, gecompleteerd met de mooiste, altijd bewegende sculpturen, zich jarenlang aan mij voltrokken heeft tijdens mijn kindertijd, in een verwilderde boomgaard waar ik dagelijks speelde. Alles was er constant in beweging, de mogelijkheden tot ontdekking waren feitelijk onbeperkt. Als ik ditzelfde gevoel van een organisch rondom mij bewegende, niet statisch opgevatte ruimte terugvind in een kunstwerk, lijkt het alsof ik thuiskom in een wereld van echte vrijheid. Weinig gebouwen roepen dit gevoel van ruimte op. Er is wel plaats, maar er is geen ruimte. Geslaagde sculpturen, schilderijen, muziekstukken of boeken maken de wereld leefbaar door plaats te maken voor haar beweeglijkheid. We hebben vormen nodig om te kijken en te denken, maar we moeten die vormen ook kunnen loslaten als we dingen willen zien die ons tot nog toe zijn ontgaan.

In dit bosje ontmoeten we twee schrijvers. De eerste is de vlinderkenner Nabokov die als zesjarige in de wouden van zijn geboortestreek op zoek ging naar zeldzame vlinders. Er waren toen nog veel vlinders, omdat zijn oom nog maar pas de laatste beer had geschoten. In wouden waar beren wonen is het voor vlinders veilig toeven. Nabokov is de man die opmerkte dat Gogol als eerste in de Russische literatuur het lichtspel aan de voet van bomen ziet, echt naar kleuren kijkt en ze niet langer clichématig beschrijft. Nabokov merkte dit op, omdat hij zelf getraind was om naar kleurschakeringen te kijken en fladderende vlinders te ontdekken in de dansende lichtvlekken aan de voet van een boom.

De tweede schrijver is John Fowles, die in 1979 een boekje schreef over onze angst voor de natuur en onze pogingen haar te benoemen, in te delen en te negeren. Hij wandelt over de met grind bestrooide paadjes van de tuin van Linnaeus, de grote onderverdeler, en hij ziet een overeenkomst tussen wouden en fictie in prozavorm.

“Maar zelfs de meest ‘onleesbare’ bossen en wouden,” schrijft Fowles, “zijn eigenlijk subtieler dan elke denkbare fictie, die nooit de veelheid aan paden in een woud kan weergeven en zich telkens beperkt tot één enkel pad.” Zo vormt Joyce’s pad een grappige parodie op de rechte paadjes in de tuin van Linaeus. Het pad heeft wel een begin en een einde, maar het verbindt geen twee andere wegen. Het ligt niet tussen twee wegen, het ligt tussen de bomen. Voor Fowles heeft de natuur niets te maken met de geïsoleerde prentjes die we in wetenschappelijke handboeken en op de televisie te zien krijgen. De natuur is de achtergrond, die vrijwel nooit voorgrond wordt. Overal, in de kieren van elk trottoir, biedt ze ons een oneindige verscheidenheid en diepte, maar we kunnen die verscheidenheid en diepte niet waarnemen. Het enige wat we kunnen, zowel in de wetenschap als in de beeldende kunst, is haar vereenvoudigen en doen verstenen.
Het verschil tussen kunst en natuur, vervolgt hij, is dat de natuur “niet alleen geschapen werd (...) maar zich nog altijd schept, terwijl we haar ervaren. Terwijl we toekijken is ze zichzelf aan het herschrijven, herformuleren, herschilderen en onafgebroken aan het fotograferen. Ze weigert zich op een versteende en onbeweeglijke manier in het verleden op te houden zoals de wetenschapper en de kunstenaar het wensen; beiden zullen trachten haar te fossiliseren.”

Deze beschrijving van de natuur lijkt wel een beschrijving van verschillende van Janssens’ sculpturen, waaronder bijvoorbeeld Aquarium. In dit werk trekt een geringe hoeveelheid vloeibare siliconen in een alcohol-water oplossing zich door de oppervlaktespanning samen tot een bol, een vloeibare lens, die bijna onmerkbaar beweegt, waardoor de beelden die door de lens worden opgevangen heel langzaam in elkaar schijnen over te vloeien. Door deze uiteenrafeling van het schijnbaar bewegende beeld dat ons voortdurend omringt, geeft deze sculptuur aan hoe wij zelf kijken: door een vereenvoudigd en gelijkmatig beeld over een warreling van miljarden weerkaatste lichtstralen te projecteren.

Het werk van Ann Veronica Janssens onderbreekt de waarschijnlijkheid van de beelden die ons omringen, beelden die uit het verleden stammen, en stort ons in de tegenwoordige tijd. Het beeld maakt zich voor onze ogen. Wij voelen hoe we beelden maken. Buiten onze blik laten we de dingen zijn.

“Een bos buigt de tijd af,” schrijft Fowles, “of, anders gezegd, schept een verscheidenheid aan tijden: hier dicht en abrupt, daar kalm en vloeiend – nooit ploeterend, mechanisch, onontkoombaar monotoon.” Hetzelfde geldt voor sculpturen: als ze erin slagen de tijd om te buigen, dan ontstaat er een leefbare ruimte. We bevinden ons dan in de tuin van de paden die zich splitsen, waar alle denkbare gedachtegangen geoorloofd zijn en waar blinde muren opgelost worden door onze dromende blik.


Montagne de Miel, 29 januari 2003