Hans Theys is een twintigste-eeuws filosoof en kunsthistoricus. Hij schreef en ontwierp tientallen boeken over het werk van hedendaagse kunstenaars en publiceerde honderden essays, interviews en recensies in boeken, catalogi en tijdschriften. Al deze publicaties zijn gebaseerd op samenwerkingen of gesprekken met de kunstenaars in kwestie.

Dit platform werd samengesteld door Evi Bert (Centrum Kunstarchieven Vlaanderen). Het kwam tot stand in samenwerking met de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen (Onderzoeksgroep ArchiVolt), M HKA, Antwerpen en Koen Van der Auwera. Met dank aan Idris Sevenans (HOR) en Marc Ruyters (Hart Magazine).

Bernd Lohaus

Bernd Lohaus - 2015 - Over het kunstwerk als mislukte kopie [NL, essay],
Tekst , 4 p.




__________

Hans Theys


Het kunstwerk als mislukte kopie
Enkele woorden over één aspect van het werk van Bernd Lohaus



Inleiding

In de lente van 2015 werd ik door het M HKA uitgenodigd een tekst te schrijven naar aanleiding van een drieledige, zich wijzigende tentoonstelling met werk van Bernd Lohaus (1940-2010). De bedoeling was dat ik de presentatie zou aanvullen met eventuele wetenswaardigheden die ik had overgehouden aan mijn samenwerking en gesprekken met de kunstenaar. Ik vertrok van een uitspraak van de kunstenaar, gedaan op het eind van zijn leven, over een kunstwerk dat hij had gemaakt als student van Joseph Beuys.

Het werk in kwestie bestaat uit twee balkjes van ongeveer vijftig tot zestig centimeter lang. De uitspraak luidde dat het eerste balkje een ready-made was en het tweede ‘een poging tot kopie’ van het eerste. Deze formulering riep weerstand op bij de nabestaanden van de kunstenaar, omdat ze zou impliceren dat Lohaus niet in staat geweest zou zijn een balkje te kopiëren en omdat kopiëren geen voorname bezigheid is. Hun voornaamste argument bestond in het feit dat de balkjes zelfs niet op elkaar geleken.

Toch had de kunstenaar deze woorden tegenover mij uitgesproken. Bovendien leek de uitspraak niet alleen nuttig om naar veel andere werken van Lohaus te kijken en daarin een dynamiserend en niet-minimalistisch motief te herkennen, ze toonde ook aan dat een terugkerend vormprincipe in zijn werk al was ontstaan tijdens zijn studies. Ik vond beide zaken te belangrijk om de uitspraak te vergeten.

Maanden later, tijdens de voorbereiding van de tekst die u nu leest, vond ik op mijn computer een in 2007 geschreven, door de kunstenaar nagelezen en goedgekeurde tekst die echter nooit gepubliceerd is en waarvan ik niet het bestaan, maar wel de inhoud volledig was vergeten. Deze tekst begint met een passage, waarin het onderhavige werk als volgt wordt beschreven:

‘Het waren twee naast elkaar liggende balkjes, niet langer dan 60 cm. Beuys had ze op een tafel gelegd om ze tentoon te stellen. Het eerste balkje was eigenlijk de helft van een balkje met een vierkante doorsnede: met een brede basis en een zadeldak met een hoek van 90°. Het tweede balkje had een scherper dak en was aan één uiteinde breder dan aan het andere. Het eerste balkje was een ready-made. Het tweede balkje was door Lohaus geschaafd tot het bij het eerste balkje ging horen.’

Deze formulering is minder bruusk dan de latere (‘een poging tot kopie’), maar ook minder revelerend. Ze wijst op een ander terugkerend vormkenmerk van Lohaus’ werk, dat in diezelfde tekst uit 2007 ook wordt omschreven, namelijk dat hij vaak sculpturen maakt waarin vormen ‘zich naar elkaar voegen’. Dit vormkenmerk is natuurlijk ook belangrijk, maar het is minder algemeen en minder verhelderend voor Lohaus’ stellingname als beeldhouwer (tegenover, bijvoorbeeld, de Amerikaanse minimalisten en kunstenaars als Buren).


Coudrages

In de jaren zestig maakte Lohaus tekeningen door met een naaimachine gaatjes te maken in papier (hij stikte zonder garen te gebruiken). Vaak lijken de tekeningen te verwijzen naar geometrische vormen. Waarschijnlijk is dit ook zo. De eerste introductie in de naaikunst gebeurt immers aan de hand van bladen waarop geometrische vormen staan afgebeeld, die je moet proberen te volgen.


Het kunstwerk als mislukte kopie

Elk kunstwerk is een mislukte kopie van een ideaal model. Dat geldt voor alle mimetische of figuratieve kunst, maar ook voor alle andere werken, voor zover die nog niet beantwoorden aan de ultieme verwachtingen van kunstenaar en toeschouwer. Het mooie aan het kopie-idee in het werk van Lohaus is in de eerste plaats dat het voortvloeit uit de fundamentele werkwijze van de beeldhouwer, die materiaal toevoegt aan een kern, strevend naar een ideale uiterste contour, of die materiaal wegneemt van een volume om een ideale vorm bloot te leggen. Giacometti, die volgens een gepubliceerd interview twee keer door Lohaus werd bezocht, hanteerde op een paradoxale manier beide werkwijzen tegelijkertijd: hij voegde materiaal toe, terwijl de resulterende vorm steeds kleiner of smaller werd.

Lohaus ging vooral op de tweede manier te werk: hij was een beeldhouwer die elimineerde. Als je kijkt naar een houten oneindige zuil van Brancusi, dan zie je in de eerste plaats de resulterende vorm, met de toegevoegde holtes, maar tegelijk zie je ook de oorspronkelijke vorm van de balk. Door het samengaan van beide vormen, ontstaat een primitieve dynamiek, die trouw blijft aan het oorspronkelijke materiaal. Deze trouw aan het materiaal, de liefde voor het gevonden voorwerp, blijft belangrijk voor Lohaus, maar hij voegt er een nieuwe dimensie aan toe door sommige sculpturen te laten neigen naar een onbereikbaar, vaak geometrisch ideaal. Dit brengt ons bij een tweede, belangrijk aspect van het kopie-idee, namelijk dat het de kunstenaar in staat stelde zich te positioneren tegenover een door hem geapprecieerd, maar als koel ervaren Amerikaans minimalisme. Als tijdgenoot en galeriehouder van kunstenaars als Donald Judd en Carl Andre, wilde Lohaus zich op een heldere manier tot hen verhouden. Ik weet dit, omdat we daarover hebben gesproken. Het mooie is dat hij dit deed in zijn werk, als beeldhouwer, en bijna nooit verbaal. (Een uitzondering is een passage in het boekje ‘bin b’ van Denis Gielen.)


Dynamiek

Eigenlijk heeft Lohaus als student een antwoord geformuleerd op een elementaire vraag in de beeldhouwkunst, namelijk hoe je dynamiek kan brengen in een statisch voorwerp. Rodin vertelt aan Paul Gsell dat je dit kan doen door in een standbeeld verschillende stadia van een handeling weer te geven, bijvoorbeeld een linkerhand die een schede nog optilt om het zwaard er makkelijker uit te kunnen trekken, terwijl de rechterhand het zwaard al in de hoogte houdt. Henry Moore bracht onder meer dynamiek in zijn beelden door er gaten in te maken en het achterliggende landschap zichtbaar te maken. Lohaus liet sommige van zijn sculpturen afwijken van standaarden of neigen naar een onbereikbaar model. De dynamiek wordt voelbaar omdat de toeschouwer het model mentaal kan waarnemen. Zo is er het prachtige werk Große Kordel (1968) dat bestaat uit één touw dat door een touwslager, op aanwijzingen van Lohaus, werd omgevormd tot sculptuur. Beide uiteinden zijn in elkaar geslagen, zodat het touw eindeloos is. De sculptuur hangt tegen de muur, omhoog gehouden door twee spijkers. Het heeft de vorm van een slap vierkant met aan elke hoek een verstelbare lus, omdat het touw daar door zichzelf getrokken is. Zelf omschreef ik dit werk (in een zaaltekst) als ‘een touw dat droomt dat het een vierkant is’.

Toen ik voor de tentoonstelling ‘Xanadu’ (2010) een zaal wilde wijden aan het werk van Lohaus, vroeg ik hem om zelf enkele werken te kiezen die volgens hem goed zouden samengaan met ‘Große Kordel’. Een van de gekozen werken bestond uit een touw en drie latten, waarvan twee latten zich bij het ophangen open vouwden tot twee benen van een driehoek. Het derde been bungelde erboven. Een ander werk bestond uit een hangende strop en negen balkjes die door de strop samengehouden werden. De balkjes waren slechts schijnbaar even lang. Lohaus legde uit dat je ze zo moest schikken dat ze aan één zijde allemaal even ver kwamen, zodat ze aan die kant een effen oppervlak vormden en aan de andere kant een onregelmatige trapstructuur. Zo kreeg een touw dat droomde dat het een vierkant was het gezelschap van een ontmantelde driehoek en een sculptuur waarin negen balkjes droomden dat ze samen één regelmatige balk vormden.

Het beeld van het ‘zich naar elkaar voegen’ van twee vormen blijft natuurlijk ook belangrijk. Als we een tekening zien waarin Lohaus met twee krijtjes tegelijk tekent, waardoor we twee parallelle lijnen krijgen waarvan er plotseling één gaat zwerven of grillig wordt, dan kunnen we dit zien als een afwijking van een norm, maar ook als een zich van elkaar verwijderen en opnieuw nader tot elkaar komen. In beide gevallen ontstaat een vorm van subjectiviteit. Ofwel doordat de zwervende lijn ons doet denken aan een enkeling die zijn eigen weg zoekt, ofwel doordat we een relatie tussen beide lijnen ervaren.

Toen ik met Anny De Decker sprak over het verkrijgen van een dynamische sculptuur door het naast elkaar plaatsen van twee gelijkaardige vormen, vertelde ze over een sculptuur waarvoor Lohaus twee stapels met balkjes had gemaakt, waarvan hij er een had omver geduwd.


Literatuur

In een poging de zogenaamde kopie-idee te onderbouwen, ben ik alle catalogi van Lohaus gaan lezen. Ik vond twee mooie passages. De eerste werd in 1987 geschreven door Bart De Baere: ‘De werken ontstaan telkens uit een bijzondere situatie waarbij vooral klimaat en gevoel determinerend zijn. Ideaal en werkelijkheid worden voortdurend tegen elkaar afgewogen.’ De tweede passage maakt deel uit van een interview dat in 1995 werd afgenomen door Patrick Bougelet, Denis-Laurent Bouyer, Richard Klein en Godeleine Vanhersel en dat werd gepubliceerd in de M HKA-catalogus die datzelfde jaar werd uitgegeven. ‘Bij de sculpturen met touw en hout is er een contrastwerking aanwezig,’ merken de vier interviewers in de M HKA-catalogus op. Ik begrijp niet wat ze daarmee bedoelen, maar Lohaus antwoordt (in mijn vertaling): ‘Het gaat om een dialoog… Als ik dààr een balk leg, zal het touw strak gespannen staan, tussen kracht en broosheid. Je zou kunnen zeggen: tussen het vrouwelijke en het mannelijke, maar dat zou niet erg juist zijn. Er zijn twee verschillende elementen, zoals je ook het Ich en het Du hebt, er is altijd een soort van alternatief.

Grasduinend in diens boek over Gogol vond ik toevallig ook de volgende zin van Nabokov: ‘Gogols verhalen zijn nabootsingen van verhalen met een intrige. Het is net als met een heel zeldzame mot die wat zijn uiterlijk betreft afwijkt van de normale mot…’ Kunstwerken tonen zich door te verschillen van het gangbare. Daarover gaat het. En over het feit dat dit gegeven in Lohaus’ werk een manier werd om werken te maken die zich verhielden tot de eigenheid van het ambacht, tot de geschiedenis van de beeldhouwkunst en tot het werk van belangrijke tijdgenoten, waarbij het eigen werk gezien werd als een verzameling van sporen van het bestaan van een enkeling.


Montagne de Miel, 28 augustus 2015