Hans Theys is een twintigste-eeuws filosoof en kunsthistoricus. Hij schreef en ontwierp tientallen boeken over het werk van hedendaagse kunstenaars en publiceerde honderden essays, interviews en recensies in boeken, catalogi en tijdschriften. Al deze publicaties zijn gebaseerd op samenwerkingen of gesprekken met de kunstenaars in kwestie.

Dit platform werd samengesteld door Evi Bert (Centrum Kunstarchieven Vlaanderen). Het kwam tot stand in samenwerking met de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen (Onderzoeksgroep ArchiVolt), M HKA, Antwerpen en Koen Van der Auwera. Met dank aan Idris Sevenans (HOR) en Marc Ruyters (Hart Magazine).

Carole Vanderlinden

Carole Vanderlinden - 2014 - Two Feet on the Ground and Two in the Air [EN, essay],
Tekst , 5 p.




__________

Hans Theys
 

Twee voeten op de grond en twee in de lucht
Enkele woorden over het werk van Carole Vanderlinden

 

Olfactorische genoegens

De schilderijen van Carole Vanderlinden raken je meteen. Ze zijn direct, compact, krachtig en grappig. Ze zijn ontwapenend. Ze knipogen naar de kunstgeschiedenis. Ze zijn heel rijk, maar tegelijk heel eenvoudig.

Ik ontmoette Carole Vanderlinden voor het eerst in het Brusselse Paleis voor Schone Kunsten, waar ze trachtte een schilderij beter op te spannen. Het verwonderde haar dat ik rond het schilderij wandelde en ook de achterzijde bestudeerde. Enkele jaren later werd ik getroffen door een prachtig, sensueel, minimaal schilderij dat voornamelijk bestond uit een bleek geschilderde partij waarmee, door een spel van trillende, toegevoegde, vlekkerige lijntjes en een doorschemerende, gouden fond, het beeld van een besneeuwde conifeer werd opgeroepen. Prachtig geschilderd, subtiel en ontroerend.

Ik vraag de kunstenaar waarom ze denkt dat het conifeer-schilderij mij zo ontroert. ‘Misschien omdat ik massa’s zie,’ antwoordt ze, ‘in plaats van vlakken of contouren. In dit schilderij ben ik er misschien in geslaagd zo’n massa op te roepen.’

Vanderlindens schilderijen zien er telkens anders uit, al kan je wel enkele terugkerende elementen herkennen zoals schuin geschilderde passe-partouts, plantenmotieven, hemels en waterpartijen, contrasten tussen dun en dik of mat en glanzend geschilderde partijen en texturen die de indruk wekken dat er een ‘doorkijk’ ontstaat. Sommige schilderijen doen denken aan het werk van Fernand Léger, zij het op een grappige manier.

Ik ben erg gesteld op de zwart op zwarte schilderijen, waarbij glanzende en matte partijen elkaar afwisselen. Soms combineert ze verf met Oost-Indische inkt, soms maakt ze ivoorzwart mat door het te vermengen met Shellsol.

Vaak lijken haar schilderijen, in hun geheel, nuchtere dragers voor een klein, sensueel accident dat, zodra je het hebt opgemerkt, alle aandacht naar zich toe zuigt, maar zich dan weer schuchter terugtrekt: een vlekje, een vloeiend element in een geometrisch opgebouwd schilderij, of een toon die plotseling een schijnbaar lichtgevende waarde krijgt.

Haar palet neemt een volledige tafel in beslag. De verflaag evolueert van twee naar zeven centimeter dik. Rechts het blauw; links, boven elkaar, het rood, het groen en het geel; in het midden bordeaux, paars en bruin.

Wat vindt ze zelf dat in deze tekst besproken moet worden? ‘Ik vind dat je iets moet schrijven over het olfactorische genoegen,’ zegt ze, ‘over het vreugdegevoel en de herinneringen die mij overvallen in mijn atelier, bijvoorbeeld als ik een nieuwe tube openmaak en de verse kleur voor het eerst ruik. Eigenlijk ga ik nog dagelijks om met materialen die ik als kind al gebruikte, wat voor een eindeloze reeks associaties zorgt. En ook zou ik graag hebben dat je iets schrijft over wat mijn schilderkunst nog zou kunnen worden.’
 

Twee schilderijen

Het eerste schilderij heeft een staand formaat en is 140 bij 101 cm groot. Het heeft een goudkleurige achtergrond. Aan de linker- en rechterzijde zien we een stapeling van groenblauwe, telkens anders gekleurde vierkanten, die als zuilen van Brancusi het gouden middenveld flankeren. Als je dichterbij gaat kijken, zie je echter dat op de zogenaamd goudkleurige achtergrond, die blijkbaar lichtjes vermengd is met vuile Shellsol, een feller gouden vlekje voorkomt. En daarna ontdekken we nog meer vlekjes, bijvoorbeeld wijnkleurige, baksteen- of koraalrode, die, zonder op te vallen, zonder naar voren te treden, zowel de achtergrond als de figuren hier en daar besmeuren of aanvreten. ‘Ik denk vaak aan Per Kirkeby,’ vertelt Vanderlinden, ‘die ergens vertelt dat hij een schilderij altijd begint met het schilderen van een bakstenen muur, tot een gat in de muur een mogelijkheid voor een schilderij toont. Hier heb ik die werkwijze omgekeerd door eerst een gat te schilderen en dan de tegels toe te voegen. Het motief van de tegels komt van een betegelde muur die ik heb gezien in het Portugese Sintra en van de sculpturen die Carl Andre heeft gemaakt op basis van het werk van Brancusi. Het is de bedoeling dat de vierkanten de illusie van een perspectief oproepen.’

Een tweede schilderij toont twee figuren op een roze achtergrond. De figuren worden gesuggereerd door verschillende vlakken. Op de plaats van hun lichamen is de roze achtergrond geschuurd. We weten niet of de personages vechten of dansen. Er staan slechts twee voeten op de ‘grond’. Vanderlinden vertelt mij dat ze altijd met olieverf schildert en altijd begint met het voorbereiden van een ondergrond. Dat kan je ook zien. Overal in haar atelier staan fraaie ‘ondergronden’ te wachten. ‘Die ondergronden kunnen daar soms jaren staan,’ vertelt ze, ‘tot ze mij in beweging brengen. Ik wacht op een oplossing, die kan komen in de vorm van een nieuwe blik of een projectie. Dat is altijd verrassend. Ofwel gaat het om een fysieke en visuele relatie tussen mij en het schilderij, een soort van krachtverhouding of dialoog, ofwel verschijnt de oplossing buiten het atelier, als een grote flits… Vaak zijn mijn werken overschilderingen. Ik hou van verschillende formaten en verschillende vertrekpunten, ook als ik tekeningen maak… Ik vind het jammer dat je hebt opgemerkt dat het doek geschuurd is. Het zijn de enige niet geretoucheerde plekken. Eigenlijk heb ik het hele doek afgeschuurd en dan herwerkt. Vrijwel alle kleuren die je ziet, het zwart, het lila, de groenen, heb ik opnieuw geschilderd om die soort van valse dégradé te maken. De hoed bestaat uit turkoois blauw, beschilderd met oud roze. In de groenen zit dennengroen en muntgroen. De lila plek op de schouder is achteraf gekomen. De figuren zijn afkomstig van een heel oud tekeningetje dat ik altijd heb bewaard, maar ook van enkel klassieke schilderijen en foto’s waarin bewegende figuren voorkomen. Wil je dat tekeningetje zien?’
 

Jubelpark

Ik breng met de kunstenaar een bezoek aan het Jubelparkmuseum (Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis) in Brussel. De zalen met werken uit de klassieke oudheid lopen we voorbij en we beginnen onze wandeling bij de vroege Amerikaanse kunst, waar ze voor een tapijt van de Navajos blijft staan. Dit tapijt is gestreept en afgeboord met zigzaglijnen. Meteen herkennen we een motief dat terugkeert in de schilderijen van Vanderlinden. In de buurt van dit werk treffen we een buffelschedel aan die rond 1960 is bekleed met keitjes van turkoois. We zien ook Mexicaanse platte figuren die aan speculaas doen denken. ‘Het is plat,’ zegt Vanderlinden, ‘maar het leeft. Ze hadden er geen idee van hoe een lichaam er aan de binnenzijde eigenlijk uitziet, maar hun beelden zijn boeiender dan anatomisch meer correcte. Hier kom ik vaak tekenen.’ En zo voert onze wandeling ons van tapijten van boomschors die afkomstig zijn van de Fiji-eilanden, met geometrische patronen bestaande uit ruiten en driehoeken, tot een tapijt van boombaststof, gemaakt op de Samoa-eilanden, waarover we lezen: ‘19de eeuw, volledig versierd met de vrije hand, de kunstenares gaat hier volledig zonder voorafgaand schema te werk en volgens de inspiratie van het ogenblik. Het oppervlak werd verdeeld door horizontale en verticale lijnen. De hierdoor ontstane verbanden werden nadien opgevuld met donkergekleurde reeksen driehoeken, afgewisseld met florale motieven.’
Ik zie tempera op doek uit de Himalaya, een beschilderd paneel van de Shoshone (ca. 1900) dat bizons voorstelt, een tent, twee dansende vrouwen en een krijger op een blauw paard. Versierde trommels van de Sioux, eind 19de eeuw, bestaande uit hout en huid. Een schild van datzelfde volk dat een afbeelding bevat van een paard dat half verborgen gaat achter een tapijt dat wordt opgehouden door een vrouw met een fraai, scherp profiel. Een mannenhemd en beenkappen van damhertenleer, met glazen kralen en driehoekige motieven. Een leren tas versierd met roze, rode, groene, blauwe, zwarte of donkerblauwe glazen pareltjes. Egyptische mummieportretten geschilderd op hout, 2de en 3de eeuw na Christus. Een onbekende godin met de kop van een adelaar, 5de eeuw voor Christus. Albasten kanopen van 1550 tot 1080 voor Christus. Geglazuurd biscuit uit Doornik uit de 18de eeuw, polychroom zacht porselein. Eveneens achttiende-eeuwse, gedecoreerde doosjes van hard porselein uit Berlijn, waarvan de binnenzijde van het dekseltje een landschap toont van roze camaïeu. Oude speelkaarten. Leren muurbekleding met bloem- en plantenmotieven, een toiletmeubel gefineerd en ingezet met messing en schildpadschelp op een ondergrond van vermiljoen… Enzovoort.
Al deze voorwerpen bevatten abstracte, florale of andere motieven die terugkeren in het werk van Vanderlinden, dat daardoor soms doet denken aan werk van moderne kunstenaars die zich op hun beurt door oude kunsten hebben laten inspireren of die op een eigen manier tot ‘moderne’ abstracte motieven zijn gekomen. Vaak boeien deze voorwerpen Vanderlinden ook door de vragen die ze oproepen. Hoe zijn ze tot stand gekomen? In welke omgeving? Wie heeft ze gemaakt? Wanneer, hoe en waarom? We zouden ons dezelfde vragen kunnen stellen met betrekking tot haar werk.
 

Schetsboeken

Vanderlindens fascinatie voor oude kunsten en volkskunsten, hoe deze fascinatie uitmondt in schets- en plakboeken en hoe hieruit uiteindelijk autonome schilderijen kunnen ontstaan, doet denken aan Gustave Flaubert over wie werd gezegd dat hij een woud omhakte om een tandenstoker te vervaardigen, maar dan werkelijk in de geest van zijn beroemde helden Bouvard en Pécuchet, die trachtten zich alle wetenschappen en technologieën van hun tijd eigen te maken. Immers, wat Vanderlinden eveneens lijkt te boeien in deze onuitputtelijke schat aan artefacten, is de vergeefse poging van de kunstenaars of ambachtslieden om via deze voorwerpen kennis te verwerven of greep te krijgen op de wereld of de natuur. Want wie haar schetsboeken doorbladert of haar bibliotheek van dichterbij bekijkt, merkt dat ze eigenlijk – en misschien vooral – geboeid is door de natuur in al haar facetten, of het nu gaat om dieren, kristallen, bergen of planten. Sinds haar vijftiende is ze niet alleen een trouw bezoekster van het Jubelparkmuseum, ze houdt ook van natuurwetenschappelijke musea en de manier waarop de natuur daar wordt voorgesteld in diorama’s. Zo komt het dat haar belangstelling zich uitstrekt van middeleeuwse miniaturen – waarin de wereld op een naïeve, onwetende manier wordt voorgesteld – over zestiende-eeuwse tekeningen waarin de wereld voor het eerst sinds de oudheid nauwgezet wordt geobserveerd, tot alle vormen van abstracte en figuratieve folklore, waarin de oude onwetendheid op sluikse wijze blijft voortbestaan. Zodra we zo zijn doorgedrongen tot deze oude werelden, beginnen we er fragmenten van te herkennen in Vanderlindens schilderijen en begrijpen we dat die een soort van heilige onwetendheid vieren, of een al tekenend moeizaam opklimmen uit de duisternis, als relaas van de stuntelige geschiedenis van de wetenschap, maar ook als relaas van zichzelf op de kaart plaatsende kunstenaars.
 

Kunstenaars

Ik vraag Vanderlinden naar haar lievelingskunstenaars en ze noemt Giotto, Brueghel, Cranach, Patinir, Van Gogh, Gauguin, Cézanne, Matisse, Ensor en Fernand Léger. Gauguin omwille van een robuustheid in zijn vormen en kleuren, zijn vlakken en zijn eigen manier om het licht weer te geven, zijn hardheid en oprechtheid, die gepaard gaan met een grote sensualiteit, en zijn gewoonte om vanuit het geheugen te werken, waarbij hij zoveel mogelijk elimineerde; Van Gogh omwille van de ogenschijnlijke chaos en de verborgen structuren, maar ook omwille van zijn sensualiteit; Cézanne omwille van zijn brutaliteit, het feit dat je steeds verder lijkt te kunnen doordringen tot zijn schilderijen, zijn geheel eigen violetachtig blauw dat helemaal niet koud is. Drie schilders die iets robuusts hebben, die werken zonder opsmuk, die zich niet verliezen in anekdotes of verhalen. Patinir omwille van een tegengestelde kwaliteit: de fijnheid van de uitvoering, de manier waarop hij personages plaatst in een landschap, waarbij ze er schijnbaar deel van gaan uitmaken, zijn groenen en blauwen. Cranach omwille van zijn fijnheid, zijn verbeelding, zijn psychologische interpretatie die nooit karikaturaal wordt. Ensor omwille van zijn beelden die bijblijven en zijn associëren en contrasteren van persoonlijke kleuren.
 

Zes vrouwenhoofden

Tot nog toe maakte Vanderlinden zes schilderijen met een vrouwenhoofd als onderwerp. Elke keer gaat het om een centrale figuur die bovenop een achtergrond geschilderd lijkt. Soms werd de bovenste laag van de ‘achtergrond’ echter op het eind aangebracht. De dikte en ruwheid van de factuur lijkt erop te wijzen dat er onder elk schilderij andere schilderijen schuilgaan. In alle schilderijen is een belangrijke rol weggelegd voor groen, blauw of violet. In vier werken komt rood voor. In twee portretten valt het gezicht flagrant uiteen in twee verschillend gekleurde vlakken (rood en wit, groen en gebroken wit) die een belichte zijde en een schaduwkant voorstellen. In drie andere portretten lijken soortgelijke vlakken een autonoom leven te gaan leiden. In één geval lijkt zo een masker te ontstaan, in een tweede werk worden het voor de figuur zwevende scherven die op een grappige manier aan Cézanne doen denken, in een derde werk worden het twee losgekomen wangen. In één werk is de helft van het gezicht geelwit, terwijl het kapsel in golven aangevreten wordt door een gelijkaardige, bleke achtergrond. Andere tinten van wit keren terug in het kraagje en het geometrische motief van de jurk. Vier gradaties van een soortgelijke, bleke kleur. In een ander schilderij herkennen we twee slingers (naast elkaar geplaatste halve cirkels) die achter de figuur door lijken te gaan. De blauwe achtergrond verandert van tint onder de laagste slinger, waardoor de illusie van een diepere, achterliggende ruimte ontstaat. Geraffineerd en grappig. Eén portret roept het werk van Paul Klee op, een ander lijkt te verwijzen naar de Oosterse schilderkunst. Het zesde portret, waarin het gelaat weggeveegd lijkt, kan een grappig mislukt werk van Richter zijn (die een beetje te hard geveegd heeft).
De speelsheid waarmee hier door middel van kleur, compositie en textuur picturale diepte en boeiende facturen worden gecreëerd, lijkt in contrast te staan met de trieste, angstige of wezenloze blikken van de personages. Als de schilderijen zo speels en grappig zijn als ik denk, dan kunnen het alleen maar zelfportretten zijn als de kunstenaar er telkens weer in slaagt zichzelf bij de haren uit het moeras te trekken. Zijn het geen zelfportretten, dan zijn het herinneringen aan een depressieve moeder. Maar genoeg hierover. In de eerste plaats zijn het immers schilderijen.
 

Toekomst

De kunstenaar vroeg mij iets te schrijven over wat haar schilderkunst nog zou kunnen worden. Dat is natuurlijk onmogelijk. Het wezen van een zich ontwikkelend hedendaags oeuvre bestaat erin dat het onvoorspelbaar is. Alleen zo kan het vernieuwend zijn. Wie het werk van een kunstenaar opvolgt, wenst echter altijd dat er een dag komt waarop de dingen makkelijker zullen gaan. Je wenst niet dat het werk zal veranderen, maar wel dat de kunstenaar een manier zal vinden om de vreemde loop van het eigen werk te omarmen. ‘Zowel bij Van Gogh als Ensor moet je eerst een soort van weerzin overwinnen,’ vertelt Vanderlinden. En we begrijpen dat ze soms hetzelfde ervaart bij het kijken naar haar eigen schilderijen, die af en toe de grenzen van de lelijkheid tarten om te kunnen verschijnen als nieuwe toevoegingen aan onze werkelijkheid. Ze lijken te ontstaan vanuit een donkere, vormeloze, bewegende materie, die weerspiegeld wordt in de vaak stugge, in elkaar gewrongen textuur van het schilderij, tot we oog krijgen voor de sensuele, plastische, vloeiende, oplichtende en dansante elementen, die de wereld voor heel even in balans lijken te brengen.
 

Montagne de Miel, 8 november 2014