Hans Theys is een twintigste-eeuws filosoof en kunsthistoricus. Hij schreef en ontwierp tientallen boeken over het werk van hedendaagse kunstenaars en publiceerde honderden essays, interviews en recensies in boeken, catalogi en tijdschriften. Al deze publicaties zijn gebaseerd op samenwerkingen of gesprekken met de kunstenaars in kwestie.

Dit platform werd samengesteld door Evi Bert (Centrum Kunstarchieven Vlaanderen). Het kwam tot stand in samenwerking met de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen (Onderzoeksgroep ArchiVolt), M HKA, Antwerpen en Koen Van der Auwera. Met dank aan Idris Sevenans (HOR) en Marc Ruyters (Hart Magazine).

Luc Deleu & T.O.P. office

Luc Deleu & T.O.P. office - 2001 - L’espace débridé [FR, essay],
Tekst , 11 p.




__________

Hans Theys


De bandeloze ruimte
Enkele kanttekeningen bij De Onaangepaste Stad



1. De stad binnenstebuiten gekeerd als een sok

In de jaren zeventig lanceert Luc Deleu tal van voorstellen ter verbetering van onze omgeving. De voorstellen die ons hier het meest aanbelangen zijn het uitroepen tot monument van het openbaar vervoer, de open riolen in de Brugse kanalen en het zichtbaar maken van alle kabels. Langzamerhand zijn deze voorstellen uitgemond in formele en thematische constanten in zijn werk.
    Formeel beschouwd heeft Luc Deleu bij het ontwerpen van De Onaangepaste Stad het stedelijk weefsel binnenstebuiten gekeerd als een sok, zodat spieren, aders en zenuwen blot komen te liggen. Over de aarde trekt hij een spoor van kabels, tunnels, pijpen en sporen die bovenaan afgewerkt worden met een promenadedek, vanwaar fietsers, rolschaatsers en voetgangers het omliggende landschap kunnen overzien. De gebruikers van de monorails kijken ook uit over het landschap, terwijl het autoverkeer verwezen wordt naar een ondergrondse tunnel die aansluit op parkeerplaatsen en andere voorzieningen voor autogebruikers.
    Op thematisch vlak is het voorstel het openbaar vervoer uit te roepen tot monument uitgegroeid tot een van de basisideeën van Deleus stedenbouwkunst, namelijk dat infrastructuur en nutsvoorzieningen het ware patrimonium vormen en fungeren als de ruggengraat van De Onaangepaste Stad.
    In De Onaangepaste Stad, die ontstaan is in 1994, wordt het eigenlijke wonen, werken en representeren dat doorgaans direct met architectuur wordt verbonden, buiten beschouwing gelaten of omgezet in cijfers. De mens, om wie het ten slotte gaat, wordt voorlopig beschouwd als een statistische eenheid op basis waarvan berekend wordt hoeveel oppervlakte en volume zullen ingenomen worden door de benodigde nutsbedrijven en comfortdiensten. Het uitgangspunt van Deleu is de bekommernis van de modernen om de woonkwaliteit. Hij wenst die kwaliteit echter niet te verhogen door zogezegd betere huizen te bouwen, maar door het algemene, voor iedereen bereikbare comfort te verhogen en het openbare leven aangenamer te maken. Daarom gaat al zijn aandacht in de eerste plaats naar de uitrusting van de stad. Voor alle diensten die onze woonkwaliteit waarborgen, van de rechterlijke macht tot de begrafenisondernemer, wordt berekend hoeveel oppervlakte of volume ze nodig hebben. Vervolgens wordt gezocht naar verborgen ritmes en wetmatigheden voor een ogenschijnlijk chaotische spreiding van deze volumes.


2. Vrijheid door orde

Deze ongebruikelijke weg om de levenskwaliteit te verhogen heeft een dubbele bedoeling. Allereerst wordt ernaar gestreefd de vrijheid van de bewoners te garanderen. De stedenbouwkundige bemoeit zich niet met de details van hun privéleven. De plaats waar ze hun lampen willen ophangen en schakelaars willen aanbrengen blijft vrij. Het enige wat bepaald wordt zijn de nodige volumes, de nodige infrastructurele verbindingen en de nodige nutsvoorzieningen.
    Tegelijk dient deze werkwijze een andere strategie die als doel heeft de architecturale en stedenbouwkundige impact van banken en andere privébedrijven te beknotten. Als een hedendaagse verlichte wetgever in de voetsporen van Plato of Rousseau wil Deleu dat de overheid mee bepaalt in wat voor volumes de multinationals hun intrek mogen neme, hopend dat ze hun bouwsels niet alleen ten dienste zullen stellen van hun eigen imago, maar ook van de gemeenschap.
    Ondanks deze dirigistische neiging, wijst Deleu vaak op zijn democratische intenties, waarmee hij bedoelt dat de comfortdiensten voor iedereen toegankelijk moeten zijn. Tegelijk kan hij zich opwinden over het totalitaire karakter van de hedendaagse architectuur. Ik vroeg hem eens wat hij daar eigenlijk mee bedoelde.
    ‘Neem nu Euralille’, antwoordde hij, ‘het complex rond het TGV-station van Rijsel. Dat complex is er niet voor de reizigers, de reizigers zijn er voor het complex. Hetzelfde geldt voor andere gebouwen. De scholen zijn er niet voor de leerlingen, de musea zijn er niet voor de kunst en de winkelcentra zijn er niet voor de klanten. In winkelcentra kan je alleen maar gaan winkelen. Dikwijls kan je maar in één richting lopen… Aan de andere kant van het spectrum vindt je de manier waarop de Indiërs omgaan met de stad Chandigarh. Die hebben daar echt talent voor. In het Gerechtshof hebben gaten in de tapijten van Le Corbusier gemaakt om airconditioning te kunnen plaatsen. In het begin waren dat bescheiden, rechthoekige openingen, maar nu hebben ze daar gewoon van die enorme pijpen door getrokken. Fantastisch! En overal vind je van die hokken, vol met dozen en dikke lagen stof, en middenin dat stof zitten stralende, gemanicuurde dames met gouden armbanden te typen of te telefoneren.’


3. Orde via chaos

De Onaangepaste Stad is gebaseerd op de overtuiging dat elke stad ‘onaangepast’ is. Vrijwel elk oud gebouw heeft in de loop der tijden verschillende functies gekregen, zonder dat dit echte problemen opleverde. Zo was de Brusselse KVS vroeger een wapenopslagplaats van het Belgisch leger en voordien een graansilo. Zelfs veel modernistische, zogezegd ‘functionalistische’ gebouwen zijn al van bestemming veranderd zonder dat dit enig probleem heeft opgeleverd.
    Vertrekkend van dit gegeven zou je kunnen stellen dat het weinig zin heeft gebouwen of steden ‘aan te passen’, aangezien deze ‘aanpassing’ het gebruik van stad en gebouw beperkt of misschien zelfs belemmert. De architectuur wordt daarom als een autonome, van haar eindbestemming losgekoppelde entiteit opgevat. Deleu noemt dit de dissociatie van ruimte en programma. De programma’s of eindbestemmingen fungeren als uitgangspunt voor de berekening van de benodigde oppervlakten en volumes, die vervolgens op een anonieme manier gemanipuleerd worden. Volgens Deleu is een stad maakbaar op grote schaal, maar moet ze vrijgelaten worden op kleine schaal.
    Hoe kan je vermijden dat een vooraf bedachte stad doods en steriel overkomt? Luc Deleu gebruikt telkens weer andere methodes, die vaak op een verborgen manier grappig, frivool, inopportuun of gewoon losbandig zijn. Soms gebruikt hij het schijnbaar onvoorspelbare ritme van de priemgetallen of de reeks van Fibonacci. Bij het bepalen van het ritme van de achter elkaar geplaatste woonblokken in Usiebenpole, de voor Wenen ontworpen oerversie van de onaangepaste stad, laat hij de gebouwen die een priemgetal als nummering dragen wegvallen. Verder laat hij de oriëntatie van de gebouwen afhangen van de zonnestand en meer toevallige omstandigheden zoals de behoefte aan een plek met warm water voor watersportbeoefenaars.
    Voor de spreiding van de uitrusting van Usiebenpole werd gebruikt gemaakt van het arrangement van ‘An der schönen, blauen Donau’ van Johann Straus.  De plaats waar scholen, ziekenhuizen en dancings terechtkwamen werd bepaald door de frequentie van de instrumenten in dit arrangement.


4. Een speeltuin in het hart van de discipline

In zijn tekst ‘Le projet d’une ville inadaptée’ houdt Guy Châtel zich niet bezig met de politieke motivering van Luc Deleu. Wat hem in de eerste plaats interesseert, is de manier waarop Deleus aanpak een fundamentele reflectie wordt op het eigenlijke functioneren van architectuur en stedenbouwkunde.
Volgens Châtel heeft Deleu, door ‘het gepaste’ als onmiddellijk doel van architectuur en stedenbouwkunde opzij te schuiven, een soort van speeltuin voor zichzelf gecreëerd waar hij, door niets gebonden, op een ‘eigenmachtige’ of willekeurige manier kan werken aan zijn ‘corpus’: aan het geheel van cijfergegevens over het bewonen van gebouwen en steden. Want het opvallende is dat Luc Deleu na acht jaar werk aan dit stedenbouwkundig project, nog geen nieuwe gebouwen of gevels heeft getekend. Hij gebruikt bestaande gebouwen zoals de ‘unités d’habitation’ van Le Corbusier (ook al plooit hij ze soms in banaanvorm) of gebouwen die hij zelf al heeft getekend zoals de stookplaats en de driegeneratiewoning. Alle denkwerk gaat naar de ruimtelijke spreiding van de infrastructuur: het verzamelen van cijfergegevens, het zoeken naar willekeurige parameters, het grafisch voorstellen van de resultaten en het inplanten van de uitrusting op het plan.
‘De gebruiker van de stad wordt herleid tot een getal,’ vertelt Guy Châtel, ‘Deleus democratische bedoelingen, zijn retoriek en zijn intenties doen er voor mij niet toe.  Het is niet mijn taak te bewijzen dat hij goede bedoelingen heeft. Wat mij interesseert is de manier waarop zijn aanpak de raderen van de discipline blootlegt. De premisse van de architectuur is ‘gepaste dingen’ maken. Hieruit komt de illusie van de functionaliteit voort, die eigenlijk een deterministische interpretatie is van ‘het gepaste’. Als Deleu dit ‘gepaste’ opzijschuift en zegt dat hij er zich momenteel niet mee gaat bezighouden, dan raakt hij de discipline in het hart. Maar het heeft natuurlijk resultaat. Deze werkwijze was nodig om een persoonlijke kennisleer op te bouwen, waarbij het functionele als een soort becijferd programma vooropgesteld wordt.
Dan moet hij wel nog beginnen een goede stad te maken, maar dat doet hij niet. Hij stelt een gebricoleerde stad voorop. Voor hem is het belangrijk een corpus samen te stellen, dat uiteindelijk een nieuw instrument geworden is dat hij toevoegt aan de discipline. Wat ik probeer aan te tonen, is dat hij eerst een stap buiten de discipline moest zetten, door ‘het gepaste’ opzij te schuiven, zodat hij haar van buitenaf kon beschouwen en totaal vrij kon gaan nadenken en experimenteren. Het gebruik van bestaande gebouwen is een manier om zich eerst te kunnen concentreren op zijn mathematische en ruimtelijke modellen. Daarom zeg ik dat De Onaangepaste Stad geen stadsontwerp is. Het is een polemisch voorstel, een nieuwe blik op de discipline, een nieuw werkinstrument dat enkel kon ontstaan door zijn ‘eigenmachtig’ bezig zijn.’


5. Een zwevend dak

In tegenstelling tot Guy Châtel, ben ik wel geneigd de nadruk te leggen op de uiteindelijke bedoeling van Luc Deleu, die eigenlijk samenvalt met zijn uitgangspunt. Ik ben gefascineerd door de manier waarop hij doordenkt over wat het woord vrijheid zou kunnen betekenen. Vrijwel al zijn bezigheden zijn op een of andere manier met deze bekommernis verbonden. In de jaren zestig maakte hij met enkele vrienden, onder de naam ‘De nieuwe koloristen’, een film over een bunker die schilderend werd omgetoverd tot het beeld van een omgevallen inktpot met een reusachtige pen. Het verrassende aan deze film is dat de inktpot op zijn zij ligt. Het omgevallen zijn van de bloempot keert het hele landschap ondersteboven. Tien jaar later legt Luc Deleu grote voorwerpen zoals hijskranen en hoogspanningsmasten neer op de grond. Het gevolg is niet alleen dat de toeschouwer een nieuwe blik krijgt op de neergelegde voorwerpen, maar ook dat de omliggende omgeving lijkt te kantelen. Het lijkt alsof Deleu, door deze voorwerpen te verplaatsen, meer ademruimte schept, meer rust en vooral meer plaats. Zo begrijpen we ook de diepere zin van de Barcelona Towers, het architecturale ontwerp waarin hetzelfde principe wordt toepast door twee volstrekt identieke gebouwen op te trekken, waarvan er een neerligt en een rechtstaat. Je voelt dat deze gebouwen een gat trekken in de lucht. Ik vermoed dat het ook bij De Onaangepaste Stad de bedoeling is op een geheime manier meer plaats te creëren. Op het eerste gezicht lijkt de stad chaotisch, maar verborgen mathematische structuren en ordeningsprincipes moeten beletten dat de stad onze blik verspert en als een oude hoop stenen op onze gemoed komt zitten. Het grote voorbeeld dat Luc Deleu zichzelf op dit vlak voor ogen houdt is het vooraanzicht van Chandigarh.
    ‘Ze zeggen dat Le Corbusier als kleuter de beste was in het maken van weefmatjes,’ vertelt hij. ‘Eigenlijk heeft hij zijn hele leven weefmatjes gemaakt. Zijn gebouwen zijn als harmonica’s opengetrokken vlakke composities. Daardoor lijkt het alsof de verschillende gebouwen van Chandigarh bij het vooraanzicht ineensmelten tot één vlak, tot één weefpatroon. Die gebouwen zijn gigantisch, maar als je er rondloopt weet je niet of ze groot of klein zijn. Ook de afstanden tussen de gebouwen verkorten, waarschijnlijk omdat ze overeenstemmen met de verhoudingen van de modulor.
    Wat mij het meest heeft getroffen in het werk van Luc Deleu is de consequentie waarmee hij deze gedachten doortrekt en volhoudt. Toen hij enkele maanden geleden van de kunstenaar Christine Clinckx de opdracht kreeg een gebouw te ontwerpen voor een oppervlakte van zeven bij zeven meter, herinnerde hij zich een nooit uitgevoerd ontwerp voor een kunstenaarswoning van Le Corbusier en stelde hij voor dit plan uit te voeren. Ik ken weinig mensen die zich zo correct gedragen ten opzichte van hun eigen dromen. Het prachtige is dat hij, samen met Dirk Jaspaert, tijdens het bouwen van dit atelier, geleidelijk aan ontdekte hoe mooi het ontwerp wel was. (Bijvoorbeeld toen ze samen op de werf ontdekten dat de betonnen trap ophangt aan het dak.)
Ten slotte zou ik nog één voorbeeld willen geven. Op een dag was het glooiende, houten dak van de driegeneratiewoning van Harry en Harma Niebuur eindelijk voltooid. Het fraaie aan dit dak is dat het op slechts drie muren rust. Rond de betonnen schouw die het dak doorboort werden vensters aangebracht, zodat iedereen kan vaststellen dat het dak ook niet op de schouw rust.
Zodra het dak af was, begonnen de eigenaars na te denken over de inrichting van hun keuken. Omdat ze, geheel onnodig, de damp van de afzuigkap via de zoldering wilden afvoeren, besloten ze de keuken af te werken met een vierkante zuil van veertig bij veertig centimeter die tot aan het dak reikt. Weinig ingrepen konden dit wonder van stabiliteit meer verprutsen, maar Deleu bleef onbewogen. Hij sprak er zelfs niet over met de eigenaars.
‘Dat hoort erbij,’ glimlachte hij.
Ik kon er niet van slapen. Ik vind zoveel vrijheid ongemakkelijk.


Montagne de Miel, 11 juli 2001