Hans Theys is een twintigste-eeuws filosoof en kunsthistoricus. Hij schreef en ontwierp tientallen boeken over het werk van hedendaagse kunstenaars en publiceerde honderden essays, interviews en recensies in boeken, catalogi en tijdschriften. Al deze publicaties zijn gebaseerd op samenwerkingen of gesprekken met de kunstenaars in kwestie.

Dit platform werd samengesteld door Evi Bert (Centrum Kunstarchieven Vlaanderen). Het kwam tot stand in samenwerking met de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen (Onderzoeksgroep ArchiVolt), M HKA, Antwerpen en Koen Van der Auwera. Met dank aan Idris Sevenans (HOR) en Marc Ruyters (Hart Magazine).

Kati Heck

Kati Heck - 2012 - Chickie-mickie [NL, interview],
, 2 p.




__________

Hans Theys


Chickie-mickie
Kati Heck over haar studie aan de academie


Kati Heck: Ik studeerde van 1999 tot 2003. Ik had deelgenomen aan de toelatingsproef schilderkunst bij wijze van oefening voor de toelatingsproef voor de richtingen Theaterkostuum of Mode. Maar nadien wilde ik zeker geen mode meer gaan studeren, ik vond het daar veel te proper. Dat is een verschrikking, die kuiswoede in de academies! Alles wordt chickie-mickie. Het Hisk, dat was vroeger een vrijplaats. Nu is het een kleuterschool.
Ik had twee leraars die ik toen als belangrijk ervoer: Pat Harris, die heel gevoelig was en een beetje optrad als psycholoog, en Fred Bervoets, die voor mij gestalte gaf aan de droom van de romantische kunstenaar, bijvoorbeeld met zijn verhaal over hoe hij ging vissen  door granaten in een vijver te smijten. Fred kwam elke ochtend om negen uur naar de academie. Als je hem respect wilde betonen, dan was je ook daar, zelfs na de zwaarste nacht. Als hij je werk interessant vond, dan had hij echter niet zoveel te zeggen. Dat is ook nergens voor nodig. Je hebt op een school niet iemand nodig die je elke dag komt vertellen hoe goed je bezig bent. Eén keer per maand is genoeg. Wat ik vooral miste, de eerste jaren, was contact met leraars uit de andere richtingen. Ik vond het ook tragisch dat alles zo braaf was. Ik had behoefte aan revolutie, maar ik vond nergens een andere revolutionair.
            Tijdens het derde jaar ben ik zes maanden in Wenen gaan studeren. Daar was het net omgekeerd. Daar was iedereen bezig met de revolutie. Ik herinner me nog een onooglijk meisje dat een groot spandoek met het woord ‘Revolution’ had gemaakt en opgehangen en ik dacht: dat kan niet veel revolutie opleveren. Zo heb ik van Wenen uiteindelijk het gevoel overgehouden dat het mij alleen niet zou lukken en gaandeweg ben ik dan toch andere mensen tegengekomen. Mensen die bij mij leken te passen. Zo heb ik in 2002 mijn man Greg leren kennen en nadien Dennis Tyfus, van wie ik toen de eerste show bij Stella heb gezien, op 5 december 2002.
            Ik vind het eigenaardig dat bijna geen enkele van mijn klasgenoten nog schildert. In Duitsland heb je onaangenaam veel concurrentie, maar hier lijkt er niemand te zijn. Je hebt mensen nodig om naar op te kijken om beter te worden. Je moet kunnen vechten. Ik wil de beste zijn, mijn luiheid bekampen door op goeie plekken tentoon te stellen, naast andere sterke werken.
            Tegenwoordig heb ik ook respect voor mijn leraar Bruno Van Dijck, die erg veel discipline van ons eiste. De eerste twee jaar zat ik thuis onafgebroken te werken. Nu kan ik met Bruno praten, maar toen niet.
            In het algemeen vond ik de academie te gemakkelijk. Er waren te weinig echte uitdagingen. In Duitsland zijn de studies zwaarder. Maar daar zouden ze mij nooit aangenomen hebben, omdat ik zo jong was.  Hier wel, maar de keerzijde ervan is dat je de hele tijd als een kind behandeld wordt. Je mag maar tot zes uur werken, dan moet je je borstels wassen en naar huis vertrekken. Maar op die leeftijd begint de dag pas om zes uur! In Oostenrijk kon je zolang werken als je wilde en ter plaatse blijven slapen.
Toen ik terugkwam uit Wenen had ik een pak voor een superheld en een video gemaakt. Toen ik dit werk toonde voor een tussenjury hebben ze mij gebuisd. Maar ze hadden amper naar het werk gekeken. Ik ben die dingen blijven maken, maar ik heb ze nooit meer getoond. Die situatie krijg je dan: dat studenten hun echte werk niet meer durven of willen tonen. Ik hoor dat vaak. Het is te gek. Ze willen dat je op school werkt, maar ze forceren je om thuis te werken. Je echte werk toon je niet en je komt er nooit achter wat ze eigenlijk te zien willen krijgen. Een magisch Vlaams portretje? Ik heb het nooit begrepen. Wiens schuld is het dan dat bijna alle studenten elk jaar hetzelfde namaakwerk afleveren?
            Maar ik weet dat het niet makkelijk is. Ik heb twee jaar schilderen naar model gedoceerd aan Sint-Lucas in Antwerpen. Het eerste jaar viel nog mee, maar het tweede jaar was ik zo onzeker dat ik mij achter de ezels verstopte. Ik wist echt niet wat ik hen kon leren. Ik begreep niet waarom ze daar zaten. Omdat ze tijdens hun humaniora een mooie eend getekend hadden? Omdat ze graag met verf speelden? Omdat ze graag student waren? Om het goed te maken heb ik hen op het eind van het jaar een drankfeest aangeboden met het geld dat ik had verdiend door hen les te geven. Want in mijn ogen heb je het meest aan een leraar die ook je vriend wordt. Maar wat een ramp was dat! Ze dronken allemaal een cola of een fanta en na een uurtje was het feestje afgelopen. Ik heb dat geld niet eens kunnen opmaken…


Montagne de Miel, 20 november 2012