Hans Theys is een twintigste-eeuws filosoof en kunsthistoricus. Hij schreef en ontwierp tientallen boeken over het werk van hedendaagse kunstenaars en publiceerde honderden essays, interviews en recensies in boeken, catalogi en tijdschriften. Al deze publicaties zijn gebaseerd op samenwerkingen of gesprekken met de kunstenaars in kwestie.

Dit platform werd samengesteld door Evi Bert (Centrum Kunstarchieven Vlaanderen). Het kwam tot stand in samenwerking met de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen (Onderzoeksgroep ArchiVolt), M HKA, Antwerpen en Koen Van der Auwera. Met dank aan Idris Sevenans (HOR) en Marc Ruyters (Hart Magazine).

Tamara Van San

Tamara Van San - 2014 - De la force d'attraction des pyramides [FR, interview],
, 6 p.




__________

Hans Theys


Over de aantrekkingskracht van piramides
Gesprek met Tamara Van San



- Wat zou je vandaag over je werk willen zeggen, wat zou je gepubliceerd willen zien?

Tamara Van San: Dat de betekenis van niet figuratief beeldhouwwerk vaak op een oppervlakkige manier benaderd wordt. Zo hoor ik soms dat mijn werk of ikzelf niet kritisch of niet diepzinnig genoeg zouden zijn. Ik vind dat alleen blinden zoiets kunnen denken. Ze vergeten dat kijk- en denknormen voortdurend verschuiven.

- Toen Henry Moore ging studeren, hebben ze speciaal voor hem een docent beeldhouwen moeten aanwerven. De beeldhouwkunst was doodverklaard in Groot-Brittannië.

Van San: Natuurlijk komt mijn werk niet voort uit een ontwikkeling en vertaling van ideeën of thema’s die uit boeken komen en geleidelijk verdiept worden. Bij welke goede kunstenaar wel, trouwens? Het gaat er in de eerste plaats om of de vorm nieuw is. Ik ben bezig met vormelijke ideeën. Zoals Eva Hesse zegt: zal het werk uiteindelijk hangen, liggen of staan? En zoals ik eraan toevoeg: welk materiaal en welke techniek zal ik gebruiken? Bijvoorbeeld merkt Eva Rothschild ergens op dat ze een sculptuur met behulp van gesculpteerde handjes ophangt, om geen nylondraad te hoeven gebruiken. De oplossing is niet elegant, maar wel een antwoord op een essentiële vraag voor een beeldhouwer die de volledige ruimte wil gebruiken, dus ook de zoldering en niet alleen de vloer of de muren. Zelf heb ik bijvoorbeeld sculpturen opgehangen aan oogschroeven waar ik gebogen betonijzers in haakte, of rechtstreeks aan een dakconstructie, waarbij de sculptuur eigenlijk zelf het ophangsysteem vormde en zelfdragend was, omdat ze uit strengen van met wol gewapend gips bestond.

- In 2006 verankerde je een sculptuur door een uiteinde rechtstreeks in de muur te plamuren.

Van San: Dat bedoel ik. Je bent bezig met vormen, met vormelijke oplossingen, niet of nauwelijks met kunsthistorische, sociale of politieke thema’s. Althans niet expliciet. Ook al denk je na over de plaats van je werk ten opzichte van alle kunst die al bestaat, over de gelijkheid tussen de seksen of de teloorgang van het milieu, de hoofdzaak blijft nieuwe vormelijke oplossingen te vinden door middel van denkend handelen. Hoe breng je mensen ertoe meer dan een negatieve leegte te ervaren bij het kijken naar een niet-figuratieve vorm? Hoe leid je hun blik? Hoe maak je gevoelens, gedachten, beelden en verhalen los, zodat je sculpturen schijnbaar beginnen te spreken? Eva Rothschild, die vaak met driehoeken werkt, wijst er bijvoorbeeld op dat geometrische vormen zoals driehoeken, cilinders of bollen al bestonden voor de mens bestond. Als ik dat lees, denk ik meteen aan eivormige keien, woestijnrozen, kristallen, mineralen of regenbogen. Waaraan dankt de vorm van een piramide haar aantrekkingskracht? Toch niet aan een sociaal of politiek concept? Waarom kan haar werking niet spiritueel, emotioneel of zintuiglijk zijn? Ik werk vaak met cirkels en ovalen. Voor Hesse verwijzen die niet naar het oneindige. Voor mij wel. De vorm beïnvloedt de manier waarop je het voorwerp ervaart. Geometrische vormen hebben iets ongerepts, dat ons vrij laat bij het kijken. Zo kan je ook dingen zeggen door af te wijken van deze vormen, door ze corrupt te maken, verwrongen, mislukt of klungelig. Je schept een vorm van verwarring of verwondering, waardoor mensen aandachtiger gaan kijken.

- Je werken hebben in hun vorm vaak iets verontrustends. Hier en daar lijkt de materie door haar eigenzinnigheid onze kijknormen en denkvormen te tarten.

Van San: Hoe spreken sculpturen? Door vormelijk te lijken op, maar vooral te verschillen van andere dingen. Natuurlijk zijn er ook de persoonlijkheid en de drijfveren van de kunstenaars, al ervaren ze die niet altijd als een ‘inhoud’, maar als een drang of een noodzaak. Ik vind het bijvoorbeeld niet onbelangrijk dat ik een vrouw ben. Zo wordt je werk door tal van omstandigheden bepaald. Je wordt gedreven door dingen die je hebben geraakt, als kind of als volwassene. Dat geldt voor alle kunstenaars, denk ik, al blijft het vaak onbewust of, omgekeerd, zijn ze er zich zodanig van bewust dat ze zich vrijmaken van een bepaalde invloed of dat ze er juist een thema van maken. Toen ik acht was, is mijn moeder een jaar verdwenen, zonder dat iemand mij heeft verteld waar ze was. Zulke gebeurtenissen markeren je. Ze kunnen je bijvoorbeeld tot een angstig kind of een angstige volwassene maken. Bourgeois zegt dat het echter onmogelijk is publiek te verklaren dat je werk voortkomt uit angst, omdat het de mensen kan beletten aandachtig te kijken en zelf nog conclusies te trekken. Bijna moet je de openheid van je werk beschermen door dingen te verzwijgen. Alleen: wat verzwijg je? Eigenlijk niets bijzonders. Elke mens wordt bepaald door de manier waarop hij of zij met de eigen angsten omgaat. En toch is het belangrijk te beseffen dat je werk voor jezelf soms de functie kan hebben een chaotische wereld te bezweren of een beheersbare wereld te scheppen (ook al ziet die er voor buitenstaanders nog chaotisch of onzinnig uit). Hesse zegt dat haar angsten verdwijnen als ze aan het werk is. Ik heb dezelfde ervaring. Ze maakt ook lijstjes. Ogenschijnlijk iets onschuldigs, maar ongetwijfeld ook een manier om orde te scheppen.

- Daarnet had je het over negatieve leegte. Wat bedoel je daarmee?

Van San: Negatieve leegte ervaar ik als een afwezigheid van spanning, van poëtische zeggingskracht. Positieve leegte is potentie. Openheid. Mogelijkheid tot herkenning. Vroeger vergeleek ik mijn werk met muziek. Nu zou ik het liever omschrijven als gestructureerde stilte. Of als lawaai. De schijnbare inhoudelijke leegte zie ik als een vorm van spirituele openheid… Lucy Lippard denkt dat kunstwerken ons aantrekken omdat ze nostalgie opwekken.

- Ik denk dat dit letterlijk klopt, als je ‘nostos’ vertaalt als nest, en nostalgie als een behoefte aan nestwarmte. Mensen herkennen graag zichzelf in een werk, maar dan op een verborgen manier.

Van San: Ja, je moet een omweg maken, anders produceer je tuinkabouters. Kitsch. Als je naar mijn werk kijkt, dan zie je dat ik bepaalde vormelijke, materiële of technische thema’s voortdurend herhaal. Toch maak ik unieke objecten. Als er eentje naar beneden valt, zoals deze week is gebeurd op een beurs, dan merk je dat het werk onvervangbaar is.

- Wat bedoel je met spanning?

Van San: Er moet een soort van verwarring, wrijving of contrast ontstaan tussen de geometrische en de organische vormen. Zowel binnen het werk als tussen de werken onderling. Ik maak geen rechte kubussen.

- De beeldhouwer Bernd Lohaus ook niet. Daarin verschilt zijn werk van dat van Carl Andre. Bij Lohaus voel je vormen die zichzelf wensen te overstijgen, die een soort van transcendente werking hebben, bijvoorbeeld door een vierkant of een kubus te willen zijn.

Van San: Hetzelfde zie je ook bij Phyllida Barlow en Eva Hesse. In het algemeen vindt in de kunst een soort van magische transformatie van materialen, vormen en kleuren plaats. Daardoor ervaren we soms nieuwe dingen. Materiaal, vorm en kleur: daar doe je het mee. Maar ook met de plaatsing van de werken in de ruimte en ten opzichte van elkaar. Kunstwerken gaan met elkaar een gesprek aan, ze vullen elkaar aan. Ze doen het goed alleen, maar ze vertoeven ook graag in groepjes. Ze zijn niet bang van elkaar. Wat ontbreekt in het ene, bijvoorbeeld lijn of zachtheid, wordt aangevuld door een werk iets verderop dat hard, toe en vierkant kan zijn. Soms schep je een ritme door een bijna overdreven, hardnekkige herhaling, bijvoorbeeld door veel schijnbare cirkels en ovalen in een ruimte te hangen. Zo ontstaan betekenissen of verhalen.

- Maar elk werk moet autonoom zijn?

Van San: Ja, natuurlijk. Bij elke sculptuur stellen zich dezelfde uitdagingen: hoe krijg je je materiaal aan de praat? Bijvoorbeeld wanneer ik kneed-epoxy ben gaan torsen, onlangs. Meteen ontstond er een verrassende vorm die ik op geen enkele andere manier had kunnen maken. Dan zijn er de kleuren. Rothschild zegt dat kleur de puurheid van de vorm vernietigt. Ik ben het daar niet mee eens, al lijkt het soms wel zo. Zo heb ik bijvoorbeeld een aantal zwarte of donkere werken gemaakt, omdat ik de indruk had dat de felle kleuren die ik gebruikte, de mensen beletten naar de vorm te kijken. Meteen merk je echter dat die duisternis ook betekenissen oproept, bijvoorbeeld in de werken Céline (2010) en Bad Mother (2014), die ik als twee van mijn krachtigste werken beschouw. Maar kleuren zijn ongetwijfeld een vorm van materiaal. Alle kleuren hebben verschillende kwaliteiten. Ze kunnen ons misleiden bij het kijken, maar zo roepen ze juist op tot een grotere aandacht, net zoals een afwijkende of verwarrende vorm. Staren naar een grijze kubus kan eenvoudiger zijn. Kleuren maken het kijken ingewikkelder. Je kan er ook voor kiezen gemakkelijker werk te maken, werk dat minder bevreemdt en afschrikt, maar ik heb gekozen voor de verwondering, voor het overbrengen van mijn eigen verwondering. Als ik iets wil, dan is het wel het vermogen tot verwondering van de toeschouwer opwekken of in stand houden.

- Van het werk van welke kunstenaars hou je tegenwoordig? En waarom? Ik weet dat je boeken verzamelt, doorbladert en leest over het werk van sommige kunstenaars.

Van San: Ja, meestal mensen met wie ik mij verwant voel, die in hun werk naar een zelfde toon zoeken. Ik lees dan ook de teksten en soms vind ik een bevestiging van dingen die ik al dacht, wat mij moed geeft om verder te werken. Niet omdat hun woorden en ervaringen heel bemoedigend zijn: Eva Hesse en Louise Bourgeois kunnen behoorlijk deprimerend zijn. Ze willen geliefd worden, zeker Eva Hesse. Ze beschrijven tal van angsten, zoals de angst gek te worden of verlaten te worden. Als ze niet werken of nuttig zijn, voelen ze zich als mieren of insecten. ‘Do not ever stop working’, schrijft Bourgeois. Nu wordt haar werk bijzonder gevonden, maar het grootste deel van haar leven had ze het heel moeilijk om in zichzelf te geloven. Zoals ik al zei, schreef Bourgeois dat het ongebruikelijk en zelfs ongewenst was in de kunstwereld over angsten te spreken. Terwijl ze de angst als het onderwerp van haar werk beschouwde. Bourgeois schrijft dat ze door haar moeder verlaten werd. De vader van Eva Hesse heeft haar ook verlaten en haar moeder is uit het raam gesprongen, wat ze voor haar verborgen hebben gehouden. Los van die onderliggende drijfveren, ben ik natuurlijk geboeid door hun werk. Soms treffen de gelijkenissen met mijn eigen werk mij. Niet omdat ze mij hebben beïnvloed, want vaak leer ik hun werk pas kennen nadat andere mensen mij op sommige gelijkenissen wijzen. Lynda Benglis, bijvoorbeeld. Haar manier van zijn ken ik nog niet. Maar ze maakt prachtig keramisch werk dat bijna niets is, dat lijkt op een testje. Dan zijn er haar dingen met kaarsvet of was, heel mooi werk waarvan ik niet begrijp hoe ze het heeft gemaakt, en haar werken met gepigmenteerde latex die ze rechtstreeks aanbrengt op de vloer. Of Katharina Grosse die rechtstreeks op de muren schildert.

- En seks?

Van San: Ja, ze hebben ook allemaal iets met seks. Hesse beweert van niet. Maar Benglis houdt penissen voor zich uit. En Bourgeois of Sara Lucas kennen we. Maar zoals Bourgeois niet wil dat er gepubliceerd wordt dat haar werk wortelt in de angst, zo kan je moeilijk iets over seks zeggen of schrijven zonder dat je werk daartoe gereduceerd wordt. Maar het gaat natuurlijk ook om andere dingen. Benglis, bijvoorbeeld, deed aan diepzeeduiken, net als ik. Ze vertelt dat het duiken haar waarneming heeft gewijzigd, door het verlies aan zwaartekracht, dat het haar gevoel voor ritme heeft gewijzigd. Kortom, je bent blij dat je lotgenoten vindt, maar je bent boos omdat ze twintig of dertig jaar geleden al dingen hebben gedaan die op je eigen werk lijken. Met Karla Black heb ik ook zo’n ervaring gehad. Iemand vertelde dat een werk van mij haar aan het werk van Black deed denken. Die maakt ook hangende, zwevende dingen, of ze strooit dingen op de vloer. Maar natuurlijk gaat het niet alleen over die overeenkomsten, maar over de verschillen. Zoals jij ergens schrijft, is de kunst de wereld van het verschil. Kunstwerken eisen het recht op afwijkend te zijn, verschillend van alles wat al bestaat. Daarin schuilt juist een van hun belangrijkste kwaliteiten: dat ze gestalte geven aan de droom van het anders zijn. De ontmoetingen met die andere kunstenaars zijn dus zowel bemoedigend als ontmoedigend. Over mijn werk wordt soms gezegd dat er geen lijn in zit. Voor mij gaat het nochtans om een consequente manier van mezelf te zijn door om te gaan met materialen die ik mij kan veroorloven. Je plooit ze of wikkelt ze open, je maakt er gaten in, je stapelt ze op of je verstrooit ze. Tenslotte is het aan de kijker betekenis te geven aan een werk. Ik kan alleen trachten dingen te maken of te laten ontstaan die zo dicht mogelijk bij mezelf liggen.


Montagne de Miel, 30 mei 2014