Hans Theys est un philosophe du XXe siècle, agissant comme critique d’art et commissaire d'exposition pour apprendre plus sur la pratique artistique. Il a écrit des dizaines de livres sur l'art contemporain et a publié des centaines d’essais, d’interviews et de critiques dans des livres, des catalogues et des magazines. Toutes ses publications sont basées sur des collaborations et des conversations avec les artistes en question.

Cette plateforme a été créée par Evi Bert (Centrum Kunstarchieven Vlaanderen) en collaboration avec l'Académie royale des Beaux-Arts à Anvers (Groupe de Recherche ArchiVolt), M HKA, Anvers et Koen Van der Auwera. Nous remercions vivement Idris Sevenans (HOR) et Marc Ruyters (Hart Magazine).

Walter Swennen

Blinky Halftands - 2020 - TOO MANY WORDS [NL, interview],
, 7 p.

 

 

__________________________

Carla Van Campenhout

 

 

‘TOO MANY WORDS’, een nieuw boek over het werk van Walter Swennen

Gesprek met de persoon achter het boek: Blinky Halftands

 

 

De komende maand kan u bij Xavier Hufkens terecht voor een solotentoonstelling met nieuwe schilderijen van Walter Swennen. Naar aanleiding hiervan geeft de galerie een indrukwekkend boek uit, bedacht door Hans Theys en Joris Dockx en vormgegeven door Blinky Halftands. Het boek telt 332 pagina’s en bevat reproducties van alle schilderijen die Swennen maakte sinds eind 2016 en vormt zo het vervolg op het boek ‘Hic Haec Hoc’ (2016), dat reproducties bevatte van alle schilderijen die gemaakt werden na de solotentoonstelling in Wiels (2013). Samen met de catalogus van deze tentoonstelling, bieden ‘Hic Haec Hoc’ en ‘TOO MANY WORDS’ een volledig overzicht van alle werken die vandaag gekend zijn. Het boek bevat ook transcripties van drie gesprekken met Swennen, tal van documenten en vijf essays van Hans Theys, geschreven tijdens de laatste jaren.

In onderstaand gesprek maken we kennis met de Blinky Halftands, die dit boek niet alleen heeft vormgegeven, maar vanuit de vorm ook heeft herdacht, gekneed en verrijkt. Ik bezocht Blinky in een penthouse met bibliotheek, bescheiden bioscoop en supersonische barbecue op een terras met somptueus uitzicht

 

- Allereerst zou ik u willen feliciteren met het prachtige boek.

 

Blinky Halftands: Dank u.

 

- Hoe bent u eraan begonnen? Wat waren uw eerste ideeën?

 

Halftands: Een jaar geleden stelde Hans Theys voor een vervolg te maken op ‘Hic Haec Hoc’, vertrekkend van alle nieuwe schilderijen, de essays die hij de afgelopen jaren had geschreven en alle brieven, faxen en mails die hij de voorbije 32 jaar van Swennen heeft ontvangen, in totaal 250 documenten. Daar werd dan een selectie uit gemaakt, aangevuld met transcripties van recente gesprekken met Swennen. Ze hadden daarbij een bepaald formaat voor ogen, maar dat heb ik gauw veranderd.

 

- Waarom?

 

Halftands: Ze wilden een tweede ‘Hic Haec Hoc’ maken, maar ik vind dat boek te log en te stug. Te serieus eigenlijk. Ik wilde iets maken dat kleiner en vloeibaarder was. Dat kon perfect, omdat het ook dikker zou worden, waardoor het uiteindelijke volume even groot zou blijven, zoals bij communicerende vaten. Het lettertype moest schreefloos zijn, vond ik. Er was nog maar één schreefloos boekje over Swennen gemaakt, waar bovendien heel weinig tekst in stond. Dat wilde ik ook in evenwicht brengen. Ik ben dan op een Russische Facebookpagina op zoek gegaan naar de juiste letter. Zo vond ik Atlas Grotesk, schreefloos maar niet te nieuwerwets, ‘ohne Fantasie’, zoals Swennen zegt, en met een heel mooie onderkast ‘a’. Als ik op zoek ga naar een lettertype, zet ik eerst altijd de naam van de kunstenaar. Als dat er goed uitziet, komt de rest ook wel in orde. Ik wilde een boek maken dat mensen in het buitenland uitnodigt om het werk van Swennen te ontdekken. Een hedendaags, toegankelijk boek, maar zonder modieus te zijn, net zomin als Walter modieus wil zijn. Een mooi voordeel van Atlas Grotesk is dat er ook een monospace typewriter-versie van bestaat. Die heb ik gebruikt om de interviews en brieven te onderscheiden van de essays van Hans Theys, die daar een beetje gevoelig over deed.

 

- Zo kennen we hem.

 

Halftands: Theys zet al sinds de jaren 80 zijn schouders onder Swennen, als een niet weg te denken Sancho Panza. Die band wilde ik voelbaar maken door de andere teksten anders te behandelen. En zoals je weet heeft Swennen veel gewerkt met schrijfmachines. Zijn liefde voor concrete gedichten heeft daar veel mee te maken. Vandaag schrijft hij trouwens nog altijd mails met zijn typemachine. Die fotografeert hij dan. Dat kan je zien in het boek. Door de mechanische beperkingen van een schrijfmachine te volgen komen in dat deel geen cursieven of verschillende corps-groottes voor. Ik kon bijvoorbeeld ook geen thin spaces gebruiken, die in het Frans voorafgaan aan een dubbele punt. Jammer voor de liefhebbers van France culture. Zo zitten er wel meer mopjes in het boek verstopt, vermomd als fouten.

 

- Ik vind de drietalige index heel geslaagd. Sommige passages zien eruit als concrete gedichten. Bijvoorbeeld: ‘Mao Zedong 197, NL 213, FR 227 marchands de sacoches 233 Maria (moeder van Jezus) 278’ of ‘proces 217, 219 procès 231, 233 process 203, 205 Provo 226 psychologie NL 285, FR 310 psychology 258 PTB/PVDA 237, 313 publicité 316, 318 Pur 205, NL 219, FR 233 PVDA/PTB 209, 261, NL 223, 287 q  quiff 263 r raisons de refuser 237’

 

Halftands: Ik was benieuwd hoe een drietalige index er zou uitzien. En zoals Swennen zegt: als je iets wil zien, moet je het maken. Zo gezegd zo gedaan. En plots werd het arbitraire van de taal zichtbaar. Het woord ‘transsubstantiatie’ heeft bijvoorbeeld een dubbele ‘s’ in het Nederlands en het Frans, maar een enkele in het Engels, terwijl ‘mayonaise’ voor ons met enkele ‘n’ geschreven wordt, in tegenstelling tot het Engels en het Frans. Je merkt dat al die taalkundigen, die helderheid en objectiviteit pretenderen, uiteindelijk ook maar wat in het rond slaan.

 

- De titel ‘TOO MANY WORDS’ is gedrukt op de beschermfolie, zodat het boek titelloos wordt als je het wil lezen. Waar komt de titel eigenlijk vandaan?

 

Halftands: Het zijn de eerste drie woorden van het derde hoofdstuk van ‘The Future of the Image’ van de Franse filosoof Jacques Rancière. Die probeert daarin het verwijt te weerleggen dat er te veel over kunst wordt geschreven. Swennen heeft deze woorden hernomen in een aantal schilderijen. Hans Theys zag echter een overeenkomst met een rede van Hin-mah-too-yah-lat-kekt, ook bekend als Chief Joseph van de Nez Percé die Walter hem eens had laten lezen: ‘I am tired of talk that comes to nothing’, staat daar. Voor Theys zijn Swennens schilderijen concrete gedichten die gestalte geven aan een fundamenteel verzet. Poëzie en politiek zijn hetzelfde voor hem. En voor Swennen misschien ook. Oppervlakkig beschouwd lijken het dwarse mensen, maar van dichterbij bekeken zijn ze nog dwarser. Theys vroeg mij in laatste instantie om een fragment uit de rede van Chief Joseph als motto voor het boek te gebruiken. Daar ben ik heel blij om. ‘Parfois les tableaux sont finis par le fond,’ zegt Swennen ergens. En hier is dat ook gebeurd. De woorden van Chief Joseph vormen de achterliggende gedachte die het boek richting geeft, ook al werden ze pas op het einde toegevoegd. Als je het boek wil lezen, moet je de titel eraf scheuren. Maar omdat het boek begon met beelden, en niet met tekst, leek dat een beetje op een voor de hand liggend verzet tegen woorden, terwijl Swennen ook een woordkunstenaar is. Nu is het boek breder geworden. Het teveel aan woorden verwijst niet alleen naar theoretische betogen over schilderkunst, maar ook naar het sociale, dat onlosmakelijk met de taal verweven is. De taal ordent en verdeelt. Daarom vormt ze een geliefkoosd instrument van de macht. Wist je dat de naam van Chief Joseph’s stam per ongeluk Nez Percé is geworden? Franse kolonisten hebben hen die naam gegeven, terwijl ze eigenlijk een naburige stam bedoelden. Die vergissing is de geschiedenis in gegaan en nu heten ze zo. De oorspronkelijke naam van de stam kan je in ons alfabet niet schrijven.

 

- Hebt u door het maken van dit boek nog iets anders bijgeleerd?

 

Halftands: Boeken worden gemaakt binnen de beperkingen van het medium. Het aantal pagina’s moet deelbaar zijn door vier, je hebt maar vier kleuren enzovoort. Ook het budget en de beschikbare tijd zijn beperkt. Het is leuk wanneer zulke praktische beperkingen je dwingen nieuwe oplossingen te bedenken. Daarnaast heb je helaas ook altijd te maken met bemoeienissen van mensen die zelf geen boeken maken, maar iets toch ‘anders zouden hebben gedaan als het aan hen lag’. Of het tegenwerk van Theys, bijvoorbeeld, die niet gauw content is. Ik heb nu geleerd dat ik dat soort opmerkingen ook in het voordeel van het boek kan gebruiken, omdat ze leiden tot iets nieuws. Vroeger vond ik het jammer om toe te geven aan opmerkingen van buitenaf, maar nu plaats ik die inmengingen op hetzelfde niveau als alle andere praktische beperkingen die horen bij het maken van boeken. Het heeft geen zin je vast te klampen aan je eigen visie. Het boek dat je in je hoofd hebt, is een concept, en het boek dat je maakt is een object. Die twee hebben heel weinig met elkaar te maken (dat leert Swennen ons). Verder ontstaan mooie, nieuwe kunstwerken vaak uit ongelukjes. Maar bij het maken van een boek is het heel moeilijk ontsporingen uit te lokken. De gebruikte software is gebaseerd op controle en precisie. Het is net door je in te laten met externe stoorzenders (zoals Theys bijvoorbeeld) dat onvoorspelbare verschuivingen kunnen ontstaan. Je ziet nieuwe verbanden die je vooraf niet had kunnen bedenken. Omdat de mooiste ontdekkingen gebeuren op momenten wanneer je met iets helemaal anders bezig bent, loont het de moeite elke commentaar toch minstens even in overweging te nemen. Wat natuurlijk niet wil zeggen dat ik mij niet hardnekkig blijf verzetten tegen al die nitwits die niets van boekenmaken afweten! (Lacht.)

 

- Ik vraag mij af wat het werk van Walter Swennen kan betekenen voor flamboyante dertiger zoals u. Hoe ziet u zijn werk eigenlijk?

 

Halftands: Ik zou nooit zeggen dat ik zijn denken heb begrepen. In ‘Hic Haec Hoc’ beweert hij bijvoorbeeld dat je moeilijk ‘ik denk’ kan zeggen, maar wel kan vaststellen dat ‘er gedacht wordt’ of dat ‘er denken is’. Ik begreep die uitspraak niet, tot ik anderhalf jaar later een passage van Borges las, waarin die de discontinuïteit van het ‘ik’ vergelijkt met de discontinuïteit van de tijd. In diezelfde tekst schrijft Borges dat je niet kan spreken over de vorm of de kleur van de maan, omdat die vorm en die kleur de maan zijn.

 

- Ook al veranderen ze constant.

 

Halftands: Zoals bepaalde mensen zichzelf vernieuwen, of toch geloven dat zoiets kan. Sommigen noemen dat ‘experimenteren’, maar Swennen houdt niet van dat woord. Experimenten worden ontworpen en uitgevoerd om theorieën te toetsen, zegt hij. Zelf is hij gewoon op een heel concrete manier bezig met zijn vak. Zo concreet, dat er nieuwe vondsten optreden. Ik ken geen enkele andere schilder die zo tewerk gaat. Alles is concreet voor Swennen. Ik vertelde hem eens over een wandeling in Bouillon. Hij wist mij te vertellen dat het bos waarin ik had gewandeld ‘le bois des pendus’ heet, omdat er vroeger mensen woonden die in de bomen sliepen en zich met hun riem aan de stam vastmaakten om niet naar beneden te donderen. Een van hen was echter in zijn slaap overleden en pas vele maanden later opgemerkt. Door naar het werk van Swennen te kijken, heb ik geleerd bezig te zijn met de zaken zoals ze zich voordoen, in tegenstelling tot hoe ze gedacht, gepland, verwacht en besproken worden. Weinigen zijn daartoe in staat, omdat ze leven in een wereld van ideeën, mooie praatjes en persoonlijke fantasieën. Ze kijken niet naar wat er gebeurt.

 

- U maakt ook persoonlijke publicaties: het onregelmatig verschijnende tijdschrift ‘Warme Kelners’ en enkele ‘Horseries’ (naar ‘hors-série’ en ‘horsing around’). Zo herinner ik mij een verhaal over een galeriemedewerker die heeft besloten de ogen voortaan gesloten te houden en daardoor heel veel succes heeft.

 

Halftands: Dat verhaal heet ‘De lotgevallen van Frank Pittoors’. De naam van het personage is afkomstig van een verhaal van Hans Theys, gepubliceerd in ‘Le Cow-boy’. Ik heb hem gevraagd of ik die naam mocht lenen. De oorsprong van mijn verhaal was de gedachte dat je jezelf kan aanleren naar je werk te wandelen met gesloten ogen als je elke dag exact dezelfde weg volgt en je ogen elke dag iets langer gesloten houdt. De rest van het verhaal is daaruit voortgekomen. Het tijdschrift is ontstaan uit mijn verlangen iets te drukken met de loden letters van mijn oude leerkracht typografie, op wie ik erg gesteld was. Omdat ik niet wist wat ik kon drukken, ben ik begonnen met de kaft van een tijdschrift. De titel ‘Warme Kelners’ had ik eens bedacht als wachtwoord voor mijn wifi, omdat ik eventuele bezoekers niet wilde verplichten zo’n lange code in te tikken. In het algemeen vertrek ik van een onnozel idee waar ik zoveel mogelijk tijd in stop, wat het nog onnozeler maakt. Anderen geven zin aan hun bestaan door een carrière uit te bouwen of een gezin te stichten, ik wil iets doen dat even zinloos is, maar die zinloosheid toont. De tijdschriftjes worden met de hand gemaakt, waardoor sommige slecht gesneden zijn. Die stuur ik op naar mensen die mij ergeren, om hen te pesten of te verwarren. Zo maakte ik eens een boekje over Pietje de Dood, met daarin een tekening uit Nero. Het minst mooie exemplaar stuurde ik naar Sabam, omdat ik natuurlijk geen auteursrechten had betaald. Maar nu ben ik het beu mensen ongevraagd dingen in hun gezicht te duwen. Ik maak alleen nog boekjes over mooie gebeurtenissen, op heel weinig exemplaren. In 2019 heb ik ‘Uitgeverij De Strompelaar’ opgericht. Ik was ‘Het proces’ van Kafka aan het lezen en vond de geschrapte passages heel mooi. Die heb ik dan apart uitgegeven, omdat ze niet echt geschikt waren voor een tijdschrift.

 

- U maakt ook tentoonstellingen.

 

Halftands: Ik hang soms rond in het archief van een grote galerie Zo kwam ik op het idee delen van dit archief te tonen. Maar met welk deel kon ik beginnen? (Maakt trompetgeluiden met de lippen.) Eerst heb ik een reeks prentbriefkaarten getoond die ik had gekregen van mijn oma. Het eerste deel van een reeks is altijd het moeilijkste, omdat het de toon moet zetten. Als ik niet goed weet hoe ik aan iets moet beginnen, kies ik vaak voor iets heel doms. Zo is de druk er af en blijven tegelijkertijd alle mogelijkheden open. Toen de galerie verhuisde, vroeg de grote baas of ik nog zo’n tentoonstellingen wilde maken, maar nu in de keuken. De verwachtingen waren hooggespannen en ik ervoer een grote druk, vooral denkend aan al die galeriemedewerkers die elke dag met de tentoonstelling geconfronteerd zouden worden. Tijdens een bergwandeling bedacht ik dat er vooral een beetje kleur moest zijn. Thuisgekomen kocht ik bij Brico Boondael een tiental zaadzakjes. Zo is de tentoonstelling over Jef Geys tot stand gekomen. Hoe meer ik over hem las, hoe meer ik besefte dat hij de ideale kunstenaar was om mee te beginnen. Momenteel loopt er een tentoonstelling met concrete gedichten van Carl Andre die ik heb overgetypt op oud papier dat afkomstig is van mijn oma. Als iemand ooit een boek over mij maakt, moet het woord ‘oma’ zeker in de index komen. (Lacht.) Als naam voor het hele gebeuren koos ik ‘Offices’, omdat dit woord mij aan lichaamsholten doet denken (‘orifices’). Officieel verwijst de titel echter naar het Uffizi.

 

- Ik zag dat u een eigen bioscoop hebt.

 

Halftands: Ik heb duizenden films gedownload. De titel van elke film verander ik in een nummer. Als ik naar een film wil kijken, pik ik zo’n nummer, waardoor ik niet weet welke film ik te zien zal krijgen. Vaak vraag ik mij tijdens het kijken af waarom ik in godsnaam net die film heb gedownload. Dat is een boeiende kijkervaring.

 

- U bent een wandelaar.

 

Halftands: Vraag mij niet waarom. Ik ben eens in de Sierra Nevada gaan wandelen met het idee om een paar dagen na elkaar geen enkele andere mens te zien. Ik zou dan de hele tijd kunnen doen wat ik wilde, zonder enige verantwoording te hoeven afleggen. Dat moest wel pure vrijheid zijn, dacht ik. Maar mijn dorst dreef me vaak naar een riviertje, de zon joeg me in de schaduw en mijn zware rugzak dwong me om het uur tot pauze. Bovenal moest ik weg blijven van elke plek waar andere mensen kwamen. Uiteindelijk heb ik geen enkele beslissing zelf genomen, en ontdekte ik dat het hele idee van vrijheid al even dwingend als onzinnig is. Ik wandel dus, eigenlijk, omdat ik niet anders kan.

 

 

Fontaine d’Amour, 24 december 2020