Hans Theys is een twintigste-eeuws filosoof en kunsthistoricus. Hij schreef en ontwierp tientallen boeken over het werk van hedendaagse kunstenaars en publiceerde honderden essays, interviews en recensies in boeken, catalogi en tijdschriften. Al deze publicaties zijn gebaseerd op samenwerkingen of gesprekken met de kunstenaars in kwestie.

Dit platform werd samengesteld door Evi Bert (Centrum Kunstarchieven Vlaanderen). Het kwam tot stand in samenwerking met de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen (Onderzoeksgroep ArchiVolt), M HKA, Antwerpen en Koen Van der Auwera. Met dank aan Idris Sevenans (HOR) en Marc Ruyters (Hart Magazine).

ESSAYS, INTERVIEWS & REVIEWS

Alberto Giacometti - 2015 - Aan gene zijde van Annette [NL, review],
, 5 p.




__________

Hans Theys


Aan gene zijde van Annette
Giacometti in de National Portrait Gallery


In de National Portrait Gallery in Londen loopt tot januari een bijzondere tentoonstelling met portretten van de hand van Alberto Giacometti (1901-1966). Er zijn zestig prachtige werken te zien: tekeningen, schilderijen en beeldhouwwerken van al zijn periodes.


De jaren zeventig en platte prentjes

Waarover kunnen we berichten? Over de werken, natuurlijk, maar ook over de manier waarop ze worden getoond en toegelicht. En daar stuiten we zoals zo vaak op tekortkomingen die blijkbaar onvermijdelijk zijn. Welke? Ten eerste vindt de tentoonstelling plaats in het gebruikelijke halfduister, waardoor je de echte kleuren niet kan zien. Bovendien worden de werken verlicht met geel licht voortbrengende ‘spots’ die met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid dateren uit de jaren zeventig. En daarbij komt dat alle sculpturen voor de muur staan, zodat je ze niet vanuit alle richtingen kan bekijken én dat ze alleen van bovenuit en aan de voorzijde belicht worden, zodat je tal van neervallende schaduwen moet wegdenken. Een uitzondering op deze situatie vormt de belichting van het werk ‘Woman of Venice VIII’ (1956), dat op zo’n manier van achteren wordt belicht, dat we dat we zelfs met tegenlicht te kampen krijgen. Zou Giacometti deze akelige en hinderlijke belichting gewenst hebben? Ik denk van niet. Ik vermoed dat ze gewoon voortkomt uit onachtzaamheid en uit een vorm van blindheid, die ik kenmerkend acht voor mensen die van boeken houden (wellicht omdat ze bang zijn voor de wisselingen van het leven en het daaruit voortkomende stof) en daarom geneigd zijn alles te herleiden tot grondstof voor een boek. Een beeldhouwwerk is voor dit soort mensen iets dat ze doorgaans in twee dimensies ontmoeten, in hun boeken, en daarom ook zo tentoonstellen: alsof het prentjes zijn met maar één mogelijk aanzicht.


Toelichtingen

Naast de presentatie zijn er echter ook de toelichtingen. Ik beken dat ik er maar twee of drie heb gelezen, maar het waren meteen voltreffers. In het eerste geval gaat het om een duidend berichtje bij een schilderij dat het gezicht van Giacometti’s echtgenote Annette voorstelt. Om de toeschouwer te helpen naar dit werk te kijken, wordt er geciteerd uit een brief van iemand die Annette heeft gekend en haar omschrijft als iemand die zowel mondig als terughoudend was. “En precies dat kan je zien in dit portret,” luidt het bijschrift (ik parafraseer), “want het lijkt alsof Annette hier tegelijk verschijnt en verdwijnt.” Dezelfde soort onzin vond ik in een andere toelichting, waarin werd beweerd dat Giacometti “de vluchtige verschijning” (“the fleeting appearance”) van zijn modellen trachtte te vatten. Niet alleen spreken beide toelichtingen elkaar tegen (wat heeft de weergave van een persoonlijkheid te maken met de vluchtigheid van een verschijning?) en stroken ze niet met wat Giacometti zelf over zijn werk heeft geschreven en gezegd, ze zijn er zelfs volledig in tegenspraak mee.


Geschriften

Gelukkig werden de interviews met Giacometti’s en diens eigen teksten gepubliceerd in een handzaam boek, dat binnen ieders bereik is: ‘Alberto Giacometti. Écrits’, uitgegeven door Hermann. In dat boek vertelt Giacometti aan Georges Charbonnier dat hij de weergave van “een innerlijke en gevoelsmatige visie als saai en oninteressant ervaart. Wat hij wil weergeven, vervolgt hij, is “une chose qui m’est extérieure” (een ding buiten mij). Maar wat dan? De persoonlijkheid van zijn vrouw? Of haar vluchtige verschijning? In geen geval. Wat hij tracht weer te geven, is de textuur van het menselijk lichaam, die doorgaans schuilgaat achter het beeld dat ons brein hierover drapeert. Wat Giacometti tracht weer te geven, met andere woorden, is wat hij werkelijk ziet als hij zich kan losmaken van onze gebruikelijke, blind makende manier van kijken. Het resultaat van deze pogingen, vertelt hij, is dat hij zijn eigen vrouw, nadat hij haar twee uur lang heeft proberen te portretteren, niet meer herkent. Wat Giacometti dus tracht weer te geven, in nog andere woorden, is niet de vluchtige verschijning of de persoonlijkheid van zijn echtgenote, maar haar materiële bestaan zoals hij dit waarneemt als hij het luie projecteren van zijn brein kan verschalken.

Iets vergelijkbaars zien we, vandaag, in de tekeningen van Elly Strik (momenteel te zien in het S.M.A.K.) of in het werk ‘Aquarium’ van Ann Veronica Janssens, dat in 2003 haar lievelingswerk was omdat, zoals ze mij heeft verteld, “de heel traag ronddobberende lens ogenschijnlijk dia na dia van de werkelijkheid toont”. Door het hier herhaaldelijk met haar over te hebben, ben ik gaan vermoeden dat Janssens zoveel van dit werk hield omdat het haar eigen kijkervaring weergaf, die vermoedelijk minder ‘continu’ was dat die van de meeste andere mensen. Ik vond hiervoor een soort van bevestiging in het boek ‘Uncle Tungsten: Memories of a Chemical Boyhood’ (2001) van Oliver Sacks, waarin deze neuroloog beschrijft hoe hij als kind de werkelijkheid soms op een ‘stroboscopische’ manier waarnam. In zijn eerder dit jaar verschenen biografie, vertelt hij bovendien dat hij precies in 2003, samen met Crick, nadacht over de manier waarop het brein, ‘hypotheses formulerend’ het voor elkaar kreeg ‘continue’ beelden of de illusie van beweging te fabriceren.
 

In de bioskoop

Giacometti’ vertelt verschillende keren dat zijn meest bekende werk (de maanvisvormige hoofden en de langgerekte figuren) zijn oorsprong vond in een ervaring tijdens een filmvertoning, die plaatsvond in 1945. Plotseling zag hij op het scherm alleen nog zwarte en witte vlekken, waardoor de beelden ‘betekenisloos’ werden en als hij naar de andere bioscoopbezoekers keek, zag hij een “volkomen onbekend spektakel”. Buiten gekomen, zag hij de werkelijkheid als ‘fotografisch beeld’, als een projectie. Alles scheen hem onbekend en wonderlijk toe. Tegelijk heerste er een “ongelooflijke stilte”. De ervaring die hij beschrijft lijkt op een migraine-aanval (in de brede betekenis van het woord) en de beschrijving doet denken aan de centrale, steeds terugkerende momenten van roerloosheid en absolute stilte in de boeken van W.G. Sebald, die vermoedelijk soortgelijke ervaringen heeft gehad. Wat er zo specifiek is aan het kijken van Giacometti, echter, is dat hij altijd zo is blijven kijken, ook wanneer hij niet werkte.


De dingen zelf

Wie al deze zaken gelezen heeft, kan zin krijgen om opnieuw naar Giacometti’s werk te gaan kijken en na te gaan of zijn intenties ook stroken met wat er te zien is. En in dat opzicht is de tentoonstelling wonderbaarlijk. Een van de eerste werken die we zien is een bronzen afgietsel van een geboetseerd portret van Giacometti’s broer Diego, gemaakt door de dertienjarige kunstenaar, die daartoe een hoeveelheid plasticine had gekregen van zijn lieve, lieve vader (aldus Giacometti) die ook schilderde. Dit portret is adembenemend door de asymmetrie ervan, die aantoont dat Giacometti toen al kon kijken. Een tweede verbluffend en leerrijk werk in het begin van de tentoonstelling is een op twintigjarige leeftijd geschilderd zelfportret, waarin het gezicht gemodelleerd wordt zonder schaduwen, louter door het naast elkaar plaatsen van kleuren, waarbij de lichtste kleuren het wit voor het oogwit en het roze op de tip van de neus zijn, en de donkerste kleur donker karmijn, in de haarlokken. (Het wit tussen de lokken is uitgespaard.) Meteen herken je de invloed van Cézanne, de schilder van de waarneming (“La sensation est la base de tout.”), die vond dat elke kunstenaar zich een ‘kijkvorm’ moest eigen maken. (“Il faut se faire une vision, une optique.”) Zoals de schilder Emile Bernard terecht opmerkte, was deze ‘kijkvorm’ bij Cézanne echter eerder mentaal dan visueel. Het ging om een manier van kijken die vergelijkbaar is met wat Zola en Rodin het temperament noemden: veeleer een eigen manier van denken en maken, dan van kijken. Het grote verschil met Giacometti, nu, en hierin bestaat zijn specificiteit, is dat hij tracht alle vormen van mentale codes naast zich neer te leggen, echt te kijken en weer te geven wat hij ziet. Zo kwam het dat ik enkele jaren geleden in Beaubourg met mijn zoon Cyriel naar maanvisvormige koppen van Giacometti keek, toen Cyriel opmerkte dat die koppen ineens konden opzwellen als kogelvissen, zodat ze ‘normale’ proporties aannamen. En inderdaad: ik zag het ook. Toen ik nadien de metro nam, zag ik tal van mensen, waaronder zelfs een man met een bril, die smalle vissenkoppen hadden.
 

Geschilderde portretten

Nooit eerder, echter, zag ik zoveel schilderijen van Giacometti, waarin hij al schilderend diezelfde holle of bewegende constructie tracht weer te geven waarover wij het beeld van onze geliefde draperen. Hoe boeiend te zien hoe hij dit doet, op een vrijwel unieke manier! Hij gebruikt een gesauste achtergrond, als middentoon, waarbij hij vals speelt door op de plek van de figuur, vermoedelijk na een snelle schets van de contouren, altijd een lichtjes andere tint te gebruiken. En daarover komen ongelooflijke sierlijke, heel vloeiende maar tegelijk heel dekkende, dunne penseelstreken die voor de achtergrond lijken te zweven en zo een volume oproepen. Een nieuw soort ‘modelé’: een voortzetten van Cézannes gedachten met een nieuwe techniek. Wonderbaarlijk! Nooit eerder gezien, dacht ik, tot ik twee uur later in Tate Britain een olieverfschets van Rubens zag, waar die met ontstellend weinig, dunne, vloeiend gepenseelde lijnen, de lichamen van paarden laat opdoemen uit een bruine saus. Fabelachtig. Adembenemend. Een broer van Giacometti.


Montagne de Miel, 10 november 2015