Hans Theys is een twintigste-eeuws filosoof en kunsthistoricus. Hij schreef en ontwierp tientallen boeken over het werk van hedendaagse kunstenaars en publiceerde honderden essays, interviews en recensies in boeken, catalogi en tijdschriften. Al deze publicaties zijn gebaseerd op samenwerkingen of gesprekken met de kunstenaars in kwestie.

Dit platform werd samengesteld door Evi Bert (Centrum Kunstarchieven Vlaanderen). Het kwam tot stand in samenwerking met de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen (Onderzoeksgroep ArchiVolt), M HKA, Antwerpen en Koen Van der Auwera. Met dank aan Idris Sevenans (HOR) en Marc Ruyters (Hart Magazine).

ESSAYS, INTERVIEWS & REVIEWS

Ronald Ophuis - 1998 - Laarzen en pantoffels [NL, interview],
, 4 p.




__________

Hans Theys


Laarzen en pantoffels
Een gesprek met Ronald Ophuis



Maandag, 20 juli 1998. Ronald Ophuis heeft zijn atelier opgeruimd. Penselen en paletmessen liggen op aparte stapeltjes. Een rij paletten staat schuin tegen de muur. In een hoek hangen zijn verfkleren. Aan de muur hangt een groot portret van een jongen die een geweer in de lucht houdt. Hij staat een beetje achterover gebogen, je voelt zijn magere benen door de spijkerbroek. De ontbrekende neus van zijn linker sandaal onthult scheve tenen. Naast een aantal opengeslagen kunstboeken ligt een rij foto’s van een dikke man en een blonde vrouw met ontblote borsten die met de rechterhand een tussen zijn benen geklemd houten handvat vasthoudt. Boven het aanrecht hangt een reproductie van het portret dat Holbein van zijn vrouw en twee kinderen heeft gemaakt voor hij naar Londen vertrok. Ophuis toont mij een boekje dat hij pas uit heeft. Het heet ‘Een ondergezeken pistool’ en het werd geschreven door de Russische dichter Aleksandr Brener, de man die in Nederland werd veroordeeld tot vijf maanden gevangenisstraf omdat hij een groen dollarteken op een schilderij van Malevitsj heeft gespoten. Ik sla het boekje open en ik lees dat de dichter ooit een cultureel evenement heeft verstoord door zich te verkleden als Batman en luid ‘Batman Forever’ te roepen. Ook heeft hij eens een paar pantoffels aangeboden aan een generaal, ‘opdat die minder aan laarzen zou denken’. Uit de kleine luidsprekers klinkt zachtjes countrymuziek. Ophuis stelt de eerste vraag.

Ophuis: Ken je deze muziek?

- Hank Williams?

Ophuis: Ja… Gewone, alledaagse verhalen. Dat vind ik sterk. Toen ik klein was, probeerde ik stripverhalen te tekenen, maar ik kwam nooit verder dan de titelpagina, omdat ik geen verhaal kon verzinnen. Toch zou ik willen dat mijn schilderijen een verhaal vertellen.

- Heb je al een verhaal voor je volgende schilderij?

Ophuis: Ik zou graag een schilderij maken over oude mensen in een verpleegtehuis. Dat staat al min of meer vast. Nu vraag ik me alleen nog af of ze op een bed zullen liggen slapen of op een stoel zullen zitten. Bevinden ze zich in een rehabilitatieruimte, zijn ze aan het bowlen of moeten ze gewassen worden? Dat moet ik nog uitmaken. Ik wil ook graag een schilderij maken over de tweede wereldoorlog. Momenteel lees ik boeken die geschreven zijn door mensen die de kampen overleefd hebben. En dat zou ik graag schilderen zoals dat schilderij van Van Eyck, met de drie kruisen, waarvan je daar een reproductie ziet, een schilderij waarop veel mensen staan. Tot nog toe heb ik hooguit vier of vijf personages op een schilderij geschilderd.

- Je werkt altijd aan één schilderij tegelijk?

Ophuis: Ja. ‘De miskraam’ heb ik pas afgemaakt. Meestal werk ik drie, vier maanden aan een schilderij, maar nu duurde het bijna een jaar. Niet door schilderproblemen, maar door privéomstandigheden. Het is nog niet af, trouwens. Het hoofd van de vrouw is iets te scherp getekend. Eerst vond ik het wel goed, maar ik heb een tekening gemaakt die ik beter geslaagd vind.

- Waarom heb je de tegels in reliëf geschilderd?

Ophuis: Omdat ik dat de beste manier vind om tegels te schilderen. Je voelt dat het tegels zijn.

- Van Eyck zou ze niet zo schilderen.

Ophuis: Neen, maar Rembrandt wel.

- Die ijzeren klem, waarmee de loden pijp aan de muur vastzit, vind ik wel grappig, door het reliëf.

Ophuis: Ik vind vooral dat bruin geworden laagje lijm van een verwijderd stickertje geslaagd.

- Waarom lees je boeken over Piero della Francesca en El Greco?

Ophuis: Omdat Piero della Francesca een schilderij heeft gemaakt met een oude vrouw en een oude man… Ik ken niet veel schilders die oude mensen hebben geschilderd… De laatste tijd kijk ik veel naar het werk van El Greco, omdat hij altijd zoveel wit gebruikt. Dat doe ik ook altijd, maar ik wil er vanaf. Maar als ik het anders probeer, dan wordt het zo gelig… Dan geloof ik er niet meer in, omdat het eruitziet alsof het in 1600 geschilderd is.

- Je kan ook in verschillende lagen schilderen, zonder wit te gebruiken.

Ophuis: Ja, maar dan moet elke laag meteen goed zijn en kun je niets meer corrigeren zonder helemaal overnieuw te beginnen.

- Waar heb je die toiletpot gezien?

Ophuis: In een huis waar ik vroeger woonde.

- En je bent hem gaan fotograferen?

Ophuis: Ja.

- Op de vloer van je atelier liggen foto’s van een gezette man die zich achter het stuur van zijn bescheiden gezinswagen laat aftrekken door een prostituee. Eerst regisseer je deze scènes en dan fotografeer je ze?

Ophuis: Ja.

- Bacon werkte ook naar foto’s.

Ophuis: Munch en Courbet ook. ‘De begrafenis in Ornan’ werd gemaakt naar een foto, denk ik. En Max Beckmann… Kijk, dit vind ik een mooi werk van Beckmann…

- ‘De nacht’, uit 1918. Wat vind je er zo mooi aan? De compositie?

De compositie, maar ook de verhalende elementen… Dat zij bloot is… die schoentjes… dat deze man opgeknoopt wordt… het pijpje in de mond… dat maansikkeltje, en dat allemaal in één huiskamer… En het is nog geloofwaardig ook.

- Hou je van Soutine?

Ophuis: Er is een schilderij van hem, Moeder en kind, dat ik prachtig vind. Dat kan ik niet, zoiets eenvoudigs. Ik heb altijd een sterk onderwerp nodig om dezelfde ontroering op te roepen.

- Het tafereel in het schilderij ‘Voetballers I’, waarin enkele voetballers een ploegmaat op de grond klemmen en de hals van een colafles tussen zijn billen porren, heb je dat werkelijk meegemaakt?

Ophuis: Ja. Ik heb jarenlang gevoetbald. Zo was het. De modder op de vloer die van je voetbalschoenen viel. De shirts en de kleedkamer zagen er ook zo uit.

- Waarom werd die jongen zo vernederd?

Ophuis: Hij was nogal zwaar en groot.

- Zoals de mollige man in de film ‘Deliverance’, wiens billen ook bloot komen als hij probeert weg te krabbelen…

Ophuis: En die gedwongen wordt te knorren als een varken, ja. Die film heeft een grote indruk op mij gemaakt. Ik zag hem voor het eerst toen ik op een avond alleen thuis was… Later heb ik begrepen dat zulke situaties ook hier voorkomen. Niet alleen bij de Cajuns, in ontoegankelijke wouden in de Verenigde Staten, maar ook in Nederland. Je hebt hier ook van die vrijwel ontoegankelijke dorpen, met gesloten geloofsgemeenschappen. Het is moeilijk om er binnen te komen en zelf komen ze bijna niet buiten. Je krijgt dan dezelfde verschijnselen… Inteelt… Zo erg was het nu wel niet in Hengelo, maar… Neem bijvoorbeeld mijn schilderij Jongenenmeisje. De scène speelt zich af in een soort park, in een waterwingebied. Toen ik er enkele jaren geleden terugkeerde om foto’s te maken, zag het er allemaal veel dreigender uit dan ik me herinnerde. Je had het moerassige gedeelte, daar kwamen de homo’s samen, er was een mooi eilandje voor de naturisten, en er was ook een plek waar de aso’s samenkwamen. Op een avond lag ik daar met een vriendin en werden we gestoord door iemand die voortdurend heen en weer reed met een brommertje, tot ik met een bierflesje gooide. Op het ogenblik dat ik zag dat het ging om een familielid, kwam er achter mij een ander familielid uit de bosjes tevoorschijn…

- Twee werkelijkheden die naast elkaar bestaan, een harmonieuze en een duistere, zoals in de meeste films van David Lynch?

Ophuis: Zoals in Blue Velvet, ja, waarbij je eerst een gemoedelijk tafereel ziet, een man die zijn grasveld sproeit, waarop de camera je meeneemt in het gehoorkanaal van een afgesneden oor.

- In ‘Fire Walk With Me’ ligt het beeld als een dun vlies over de ruis gespannen en af toe breekt de ruis erdoor.

Ophuis: Is dat zo? Ik dacht dat ik een slechte kopie gehuurd had.

- Die dubbele wereld van Lynch lijkt een pendant te vinden in het schilderij ‘Jongen en Meisje’, waarin de intimiteit voelbaar is, maar terzelfdertijd bijna uiteenbrokkelt in de ruis van een lepreuze, schiftende materie. Ik begrijp dat sommige mensen zich onbehaaglijk voelen bij het kijken naar jouw schilderijen.

Ophuis: Toen Sweet Violence vorig jaar werd verwijderd van een tentoonstelling, heb ik een rechtszaak aanhangig gemaakt tegen de Nederlandse staat, omdat ik niet beschouwd wilde worden als een schilder van pornografie met kinderen. Uiteindelijk hebben ze het schilderij terug moeten hangen… Ik had niet verwacht dat een schilderij zoveel ophef kon maken. De tegenstanders van SweetViolence vinden dat een schilderij niet te expliciet mag zijn. Als de toeschouwers het gesuggereerde tafereel in hun hoofd kunnen voltooien, wordt er genoeg getoond, vinden ze… Ken je het ‘Oordeel van Cambyses’? Een tweeluik van Gerard David. Het vertelt een Perzisch verhaal over een rechter die veroordeeld en gevild wordt. Het schilderij moest de rechters tot onkreukbaarheid aansporen… Kijk, hier heb je het… Er ontbreekt misschien een beetje bloed, maar verder zie ik niet wat er aan de verbeelding van de toeschouwers wordt overgelaten.

- In het begin van ons gesprek vertelde je dat je momenteel boeken aan het lezen bent die geschreven zijn door mensen die een concentratie- of vernietigingskamp overleefd hebben. Heb je ook werk van Primo Levi gelezen?

Ophuis: Mijn voornemen een schilderij over de tweede wereldoorlog te maken is juist gebaseerd op het einde van Levis boek Isditeenmens?. De Duitsers hebben Ausschwitz verlaten, maar in afwachting van de komst van de geallieerden moeten de zieken, die werden achtergelaten, zich nog zien te redden. Ze hebben zich gebarricadeerd in de ziekenbarakken, om zich te beschermen tegen de stervenden. Voortdurend horen ze het gehuil van de mensen die sterven. Dan vinden ze aardappelen. Ze gaan ergens heel veel bevroren aardappelen opgraven en dan beginnen ze voor elkaar te koken, aardappelsoep en andere gerechten met aardappelen. Dat vind ik een prachtig moment. Vroeger heb ik eens een schilderij gemaakt van mensen die in een soort hok soep zitten te eten. Tijdens de vernissage kwam een bejaarde dame mij telkens weer allerlei vragen stellen, maar ik begreep eigenlijk niet goed waarom. Tot ze vertelde dat ze in een jappenkamp had gezeten en dat mijn schilderij haar aan dat kamp had doen denken. Toen ik later las dat de schilderijen van Anselm Kiefer in het begin vooral gekocht werden door joodse verzamelaars, dacht ik dat ze dat misschien deden omdat de schoonheid van de schilderijen een zin gaf aan wat ze hebben meegemaakt, maar nu denk ik dat ze misschien een soort van bevrijding ervaren, omdat hun ervaringen ter sprake komen. Zelf kunnen ze er moeilijk over praten, want niemand begrijpt hun. Misschien zijn ze blij dat iemand, ook al heeft hij of zij nooit zoiets verschrikkelijks beleefd, toch een vorm voor de ontzetting heeft gezocht en misschien ook gevonden.


Montagne de Miel, 27 juli 1998