Hans Theys is een twintigste-eeuws filosoof en kunsthistoricus. Hij schreef en ontwierp tientallen boeken over het werk van hedendaagse kunstenaars en publiceerde honderden essays, interviews en recensies in boeken, catalogi en tijdschriften. Al deze publicaties zijn gebaseerd op samenwerkingen of gesprekken met de kunstenaars in kwestie.

Dit platform werd samengesteld door Evi Bert (Centrum Kunstarchieven Vlaanderen). Het kwam tot stand in samenwerking met de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen (Onderzoeksgroep ArchiVolt), M HKA, Antwerpen en Koen Van der Auwera. Met dank aan Idris Sevenans (HOR) en Marc Ruyters (Hart Magazine).

ESSAYS, INTERVIEWS & REVIEWS

Damien De Lepeleire - 2006 - L’étoffe de mes rêves [FR, essay],
Tekst , 3 p.




__________

Hans Theys


De vezels van mijn droomwereld
Over het werk van Damien De Lepeleire



Van alle kunstenaars die ik heb ontmoet maakt Damien De Lepeleire het werk dat mij het meest raakt. Het werk van andere kunstenaars raakt mij ook, maar niet op dezelfde, intieme manier. In de altijd voortgaande wisseling van de vormen, de voortgaande twijfel, de ongewilde, maar doorgedreven onhandigheid, de schaamte, de schroom, het zoeken naar openheid en generositeit, de sensualiteit, herken ik de vezels van mijn eigen verwarde, onvatbare droomwereld. Elke nieuwe reeks verrast mij, telkens gaat het om een nieuwe thuiskomst.

Misschien heeft dit te maken met het feit dat ik deze man en zijn werk al lang ken. Ik denk dat veel mensen zich nauwer verwant voelen met het werk van een kunstenaar die ze persoonlijk kennen. Als bevoorrechte getuigen van het ontstaan van dit werk voelen ze het beter aan, een beetje zoals je in de kinderen van je vrienden karaktertrekken en andere ontroerende tics van hun ouders meent te herkennen. Anderzijds raak je juist bevriend met een kunstenaar omdat je je aangetrokken voelt tot de persoon en het werk. Ik heb veel kunstenaars ontmoet, maar weinigen zijn echte vrienden geworden.

Damien De Lepeleire is de eerste kunstenaar naar wie ik urenlang heb gekeken terwijl hij aan het werk was. Hoe hij in 1985 doorzichtige acryl mengde met zand en blaren. Doeken opspande. Reproducties van bewonderde schilderijen op de muur prikte. Eén stoel voor mij probeerde netjes te houden. Sponzen ging kopen. Broccolisoep maakte. (‘De aardappel is de ziel van de soep,’ zei hij.)

Voor mij is het werk van Damien De Lepeleire een opeenvolging van vormexperimenten die uit elkaar voortkomen. Het werken met dunne olielaagjes die werden aangebracht met sponzen ten tijde van Anywhereoutof theworld leidde tot de prachtige, olieachtige, schijnbaar gepatineerde matière van de Portretten, met hun warme tonen en tot de grote, bordeauxrode en Isabellawitte kleurvlakken van DieFamilie. De verstilde, organisch lijkende abstractie van Anywhereoutoftheworld leidde tot de roerloze portretten van eenzame, geïsoleerde figuren, en later tot de drukkende, hopeloze toon van DieFamilie. De kleurvlakken van DieFamilie, met hun grote tweedeling, leidden tot de schilderijen met twee complementaire kleuren, maar ook tot de grappige abstractie van Le public. De humor en de vrijheid van Lepublic en de rest van de Football-tentoonstelling, op hun beurt, hebben geleid tot de categorieke openheid van de aquarellen van Tropbeaupourêtrevrai, de Cover Versions en PortraitsofKillers.

De Lepeleire is het soort van kunstenaar dat weigert zich te schikken in een gevonden of veroverd comfort. Zodra een vorm zich als vanzelfsprekend voordoet of voorspelbaar wordt, wordt ze tot het uiterste gedreven en verstoord. Er wordt niet gezocht naar bevalligheid, maar naar een vorm die iets zegt over zoeken naar vormen. Het makkelijkste voorbeeld zijn de aquarellen van diamanten, die door hun onmogelijke doel op een grappige manier meer vertellen over afbeeldingen, reproducties en schilderen, maar uiteindelijk ook over het nastreven van onmogelijke doelen. Het is alles een vrolijk vieren van de hopeloosheid, of een hoopvol trachten naar vormen van plezier die buiten ons bereik lijken te liggen.

In dit opzicht lijkt het werk van Damien De Lepeleire erg veel op de sculpturen van Michel François, die door hun vorm iets vertellen over wat het betekent sculpturen te maken.

Pop art, maar ook op art. Kleur en vorm. Gevoel. Een mens die maakt.

Wat De Lepeleire ook maakt, voor mij spreekt er poëzie uit. (The Ballad of) John Brown van Bob Dylan. MinnieandMoskovitz van Cassavetes. Amarcord van Fellini. Querelle van Fassbinder. Martha van Fassbinder. Warhol, Koons, Mike Kelly, Edward Hopper. Iceberg Slim, Mahfoez, Primo Levi, Oliver Sacks, Nanni Moretti, Abbas Kiarostami, de gebroeders Dardenne, Robert Ryman, Bach, Giotto, Gerard Reve.

Maar waarin bestaat die poëzie? Misschien kan je De Lepeleire het best vergelijken met Manet. De schilder en kunstcriticus Jacques-Emile Blanche, die Manet heeft gekend, vertelt hoe de man hunkerde naar erkenning vanwege het publiek, maar vooral vanwege de hoge burgerij waartoe hij behoorde. Met elk schilderij dat Manet maakte voor het Salon hoopte hij de eerste prijs te winnen. Maar elke keer veroorzaakte hij een schandaal. Het schandaal kwam er ondanks hemzelf.

Er bestaat geen krommer schilderij dan Ledéjeunersurl’herbe. De dame op de achtergrond is te groot afgebeeld. De personages baden in een artificieel licht. Enzovoort. Aan deze anomalieën ontleent het schilderij waarschijnlijk zijn blijvende kracht. Het beeld laat zich niet vatten. Het blijft ons ontglippen. We raken er niet klaar mee.

Blanche beschrijft hoezeer Manet begaan was met de factuur van zijn schilderijen: de gebruikte verf, de kleuren. Voor Blanche was Manet de laatste schilder die nog echt kon schilderen, die een prachtig schilderij probeerde te maken zonder kleuren naast elkaar te gebruiken die elkaar materieel zouden kunnen aantasten. Felle kleuren, maar niet onorthodox naast elkaar aangebracht. Kleuren die niet grauw werden na enkele jaren, maar steeds krachtiger leken te worden omdat ze niet verouderden.

Ledéjeunersurl’herbe heeft iets incongruents. Het is een ‘schilderij’. Het schilderij ontstaat door de incongruentie van het beeld. Niet alleen daardoor, maar ook daardoor. We zien hetzelfde in de Kruisafneming van Rogier van der Weyden. In de incongruentie van het beeld ontstaat de poëzie, het onherleidbare, de droom. Een vorm van visueel nadenken over het irreële van onze werkelijkheidservaring, waarbij God zich onophoudelijk toont en verschuilt. Geen inhoud, geen boodschap, gewoon een nerveus spoor, een magisch mankement, een brug tussen het brein en zichzelf, een struikeling in onze waarneming, een brug tussen twee mensen.

Op dezelfde manier ervaar ik het werk van De Lepeleire. Het is sterk, het is incongruent, het is grappig, het is ontroerend, het ontsnapt ons, het is belachelijk, het is wonderlijk, het is mooi, het is lelijk, het weet wat het is, het durft iets anders te zijn, het durft niets te zijn, het is.


Montagne de Miel, 5 april 2006