Hans Theys is een twintigste-eeuws filosoof en kunsthistoricus. Hij schreef en ontwierp tientallen boeken over het werk van hedendaagse kunstenaars en publiceerde honderden essays, interviews en recensies in boeken, catalogi en tijdschriften. Al deze publicaties zijn gebaseerd op samenwerkingen of gesprekken met de kunstenaars in kwestie.

Dit platform werd samengesteld door Evi Bert (Centrum Kunstarchieven Vlaanderen). Het kwam tot stand in samenwerking met de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen (Onderzoeksgroep ArchiVolt), M HKA, Antwerpen en Koen Van der Auwera. Met dank aan Idris Sevenans (HOR) en Marc Ruyters (Hart Magazine).

ESSAYS, INTERVIEWS & REVIEWS

Joƫlle Tuerlinckx - 2002 - Het toeval als dienstmaagd van de kunst [NL, interview],
, 3 p.




__________

Hans Theys


Het toeval als dienstmaagd van de kunst
Enkele herinneringen aan het werk van Joëlle Tuerlinckx



Een tekst over Joëlle Tuerlinckx (°1958) kan niet doordeweeks zijn. Ik heb al zo’n teksten geschreven, maar ze bevallen haar slechts gedeeltelijk. De bijna politieke hardheid en precisie van haar werk verdraagt geen toegevoegde, halfslachtige poëzie of duiding, in elk geval geen door de kunstenaar gesanctioneerde duiding. Er moet niets geduid worden voor Tuerlinckx. Liever trekt zij onze kijkgewoonten uit hun haak tot er iets onverwachts en ongehoords te voorschijn komt. Het werk duidt zichzelf door onophoudelijk te woekeren en te kantelen, door zich zijwaarts voort te planten en te muteren. Sommige kunstenaars slagen erin hun werk open te stellen voor het toeval, Tuerlinckx zet het toeval gewoon aan het werk. Eigenlijk distilleert ze haar oeuvre uit een permanente baaierd die ze rond zich creëert en op een schijnbaar hopeloze manier lijkt te willen catalogiseren, structureren of controleren. Het werk van Tuerlinckx oogt als een oppervlakkige wandeling, maar de samenhang tussen de verschillende sculpturale voorstellen reveleert bijna maniakaal gerespecteerde richtlijnen en een heel precies doel. Zo vermijdt ze constant afbeeldingen te gebruiken of ‘echte’ sculpturen te maken. Het ding of de gedachte wordt opgeroepen door middel van voorstellen of aanzetten, amper verdikte concepten, die een monumentale aanwezigheid krijgen zonder dat ze theatraal worden.

A-Expostion was een oefening in zwart, wit en grijs. Een witte Tipp-Ex vlek op een dia werd als een zwart Sandeman-spook scheef op een muur geprojecteerd. Door het automatische en gelijdelijke aan- en uitgaan van de verlichting van het herenhuis verscheen en verdween deze projectie in een onafgebroken verglijden van grijswaarden.
    Ik herinner mij dat ik Tuerlinckx heb geholpen met het vertalen van een beschrijving van de A-collectie, waarbij bleek dat de naam van alle tentoongestelde voorwerpen begon met een ‘B’: ‘Blancs, Bouts, Bords, Bâtons, Briques, Bilms, Blocs, Bivres, Barres et Basards’, wat ik vertaalde als ‘Bits, Borders, Bars, Balls, Books, Blinks, Bricks, Bictures and Bings Black & Beautiful’.
    Tegelijk met deze tentoonstelling werd Tuerlinckx uitgenodigd voor een groepstentoonstelling in de galerie van Richard Foncke. Ze verklaarde een bloeiende kerselaar in de tuin van de galerie tot onderdeel van de A-tentoonstelling (omdat de bloesems wit waren: blanc).

Ergens tijdens het oude jaar 1999 zou ik in het Museum Dhondt-Dhaenens een lezing over het werk van Tuerlinckx verzorgen en vroeg ik de kunstenaar of ik een paar werken van haar mocht meenemen om te tonen. Dat mocht, maar enkel als ik een volledige tentoonstelling zou opbouwen. Dat heb ik ook gedaan. Mijn bescheiden gezinswagen werd volgepropt met sculpturen en allerlei materialen en voorwerpen en ik kreeg een spoedcursus in het maken van bepaalde sculpturen. Eén sculptuur bestond in een geometrische vorm die werd aangeduid door middel van zo klein mogelijk gescheurde papiersnippers. Een andere vorm werd getekend met ‘kneepjes’ van zelfhardend kneedgips die tot stand kwamen door zo weinig mogelijk gips samen te knijpen tussen duim en wijsvinger. Het waren vederlichte, schrandere en vrolijke varianten van het bedenkelijke vijgenblad van Duchamp: positieve gietvormen van de intieme ruimte tussen twee vingertoppen. Ik boorde een gat met een diameter van 10 mm, ik schikte een wit touw in de vorm van een rechthoek, ik rolde een met potloodlijnen ‘doorstreepte’ wand aan, die was overgebleven van een eerdere tentoonstelling, ik projecteerde een dia met een typex-vlek, ik installeerde een lamp die geleidelijk aan en uitging, enzovoort.

In 1996 vergezelde ik Joëlle Tuerlinckx en Ann Veronica Janssens tijdens een wandeling in eindeloze mergelgrotten in het Limburgse. Ze hadden studenten van de ERG de opdracht gegeven een week lang in die grotten te werken. We liepen door de lange, donkere gangen en hielden halt bij elk werk. Op een bepaald ogenblik hielden beide dames tegelijk halt voor een bijna onzichtbaar golvende, pikzwarte wand, waarin hier en daar gaatjes waren geprikt. Het zwakke licht van een achter de wand schuilgaande lichtbron scheen door de gaatjes en vormde tientallen, vrijwel onzichtbare sterretjes die verdwenen en verschenen door het bewegen van de wand. Fluisterend bewonderden ze het werk, wachtend op de student, die echter niet kwam opdagen. Ten slotte ontdekte ik toevallig dat ze in religieuze vervoering stonden te kijken naar een zeil zwart plastic dat de ingang van een champignonkwekerij afsloot, die verlicht werd door een naakte peer. De tocht in de gangen liet het zeil zachtjes opbollen en van voor naar achter wiegen. (Toch hadden we iets wonderlijks gezien.)

De zilveren handschoen ligt ergens. Afhankelijk van ons standpunt kunnen we hem beschouwen als verloren of gevonden. De handschoen weerspiegelt het licht en de omgeving. Op een onscherpe dia van Tuerlinck is de handschoen vervormt tot een lichtvlek. Ik denk dat ze de handschoen altijd ziet als een lichtvlek: als een verschijning die zo weer kan verdwijnen. Een aarzelend opvlammende ster. Het werk is ook exemplarisch voor de manier waarop Tuerlinckx het zogenaamd essentiële telkens verruilt voor het bijkomstige. ‘J’installe des sortes de hors-cadres et à partir de là j’observe,’ schrijft ze mij vandaag. We kunnen ons voorstellen wat er van de kunst overblijft als we de sculptuur of de afbeeldingen of zelfs de tentoonstelling wegnemen: voorbereidingen, overschotten en restanten. Tuerlinckx richt haar blik op de inhoud van een papiermand of een perforator. Ze houdt zich bezig met datgene wat het eigenlijke toonmoment omringt en doorgaans in het duister blijft hangen. Ze toont gevonden en verloren voorwerpen.

 

Montagne de Miel, 1 augustus 2002