Hans Theys is een twintigste-eeuws filosoof en kunsthistoricus. Hij schreef en ontwierp tientallen boeken over het werk van hedendaagse kunstenaars en publiceerde honderden essays, interviews en recensies in boeken, catalogi en tijdschriften. Al deze publicaties zijn gebaseerd op samenwerkingen of gesprekken met de kunstenaars in kwestie.

Dit platform werd samengesteld door Evi Bert (Centrum Kunstarchieven Vlaanderen). Het kwam tot stand in samenwerking met de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen (Onderzoeksgroep ArchiVolt), M HKA, Antwerpen en Koen Van der Auwera. Met dank aan Idris Sevenans (HOR) en Marc Ruyters (Hart Magazine).

ESSAYS, INTERVIEWS & REVIEWS

Nadia Naveau - 2007 - Uit elkaar zwierende paardenmolens [NL, essay],
Tekst , 4 p.




__________

Hans Theys


Uit elkaar zwierende paardenmolens
Enkele woorden over de beeldenreeks ‘Le salon du plaisir’ van Nadia Naveau



Le salon du plaisir is de titel van een groep van 47 sculpturen die tot stand kwam in de zomer van 2007.

Toen ik in 2006 in het boek DeschouwvanGaudi enigszins schertsend en toch hoopvol een tekst schreef die ik Naareennieuwedecoratie heb genoemd, was ik blij in die tekst Nadia Naveaus getuigenis over het ontstaan van haar sculptuur Shirley’sTemple te kunnen opnemen. De tekst gaf een aantal voorbeelden van de manier waarop louter visuele, formele of tactiele strategieën kunnen leiden tot nieuwe texturen of artistieke voorstellen die ons op een krachtige manier ontroeren of aan het denken zetten en op die manier soms onze manier van kijken en zijn beïnvloeden.

‘Ik vind het belangrijk dat een beeldhouwwerk vervreemding oproept,’ vertelt Naveau in een interview dat deel uitmaakt van het boekje Shirley’s Temple, dat we samen hebben gemaakt. ‘Ik hou van beelden die mij aantrekken, maar waarbij ik op het eerste gezicht niet weet wat ik ermee moet aanvangen, wat de bedoeling ervan is. Een beeld moet een beetje vreemd zijn, een beetje maf. Een goed beeld proef je, het heeft iets smakelijks, ik kan dat niet verwoorden, het is een mengsel dat werkt zonder dat je meteen kan lezen waar het zogezegd over gaat. Wat je zegt over Shirley’s Temple klopt wel. De logica van het beeld is puur esthetisch. Ik had zin om iets smakelijks, baroks en lelijks te maken. Ik wilde op een klassieke manier uitgaan van het idee in een park tentoon te stellen en ik dacht aan een soort van troon met bovenop een monument. Ik dacht onder andere aan de Neptunus van de Marnixplaats, die ik prachtig vind. De vlammen zijn voortgekomen uit het boetseren zelf.’

In mei van dit jaar bezorgde Nadia Naveau mij voor de Tumbleweed-tentoonstelling een uit veelkleurig gelaagde plasticine geboetseerde sculptuur die een strijdlustige indiaan met verentooi voorstelde. Het was een prachtig werk, waarin de woestijnroos-structuur die in eerder werk al voorkwam, meer organisch geworden leek. Grappig namaakmarmer en een sculpturaal meesterschap dat vreugde uitstraalde.

Vorige week zag ik voor het eerst foto’s van Le salon du plaisir. Ik zat naast de kunstenares naar een computerscherm te kijken. ‘Ze is ontploft,’ dacht ik. We zwegen een beetje terwijl we keken naar de een voor een opdoemende beelden. ‘Ik ben ontploft,’ zei ze. ‘Ik heb een vrijheid ontdekt die mij onbelemmerde mogelijkheden biedt.’

De onmiddellijke inspiratiebronnen voor deze wonderlijke verzameling sculpturen waren de ontelbare beeldhouwwerken en decoratieve elementen die Nadia Naveau twee jaar geleden heeft gezien in Chinatown in San Francisco en foto’s van de befaamde negentiende-eeuwse Salons in Parijs. In Chinatown was ze getroffen door de grillige vormen van de werken, maar ook door de witte kleur; in de foto’s van de salons door de wemeling van de witte beelden op een zwarte achtergrond. Beide totaalbeelden heeft ze vermengd met de vormen die in haar vingers zitten en door elkaar geduwd, zoals Luc Deleu onvoorspelbare, maar onzichtbaar berekende volumes ontwerpt door twee verschillende volumes of constructies door elkaar te duwen.

In deze 20 à 30 centimeter hoge sculpturen – die mij doen denken aan de zoutvaatjes en andere kleine werkstukken en modellen van Benvenuto Cellini, die nooit één groot blok marmer toegewezen kreeg – verrijzen de schetsmatig gemodelleerde figuren uit een zwierig afgewerkte klomp klei. Ze worden niet gevangengehouden, zoals de slaven van Michelangelo, maar juist opgestuwd. Ze zijn verwant met de over elkaar liggende kannibalistische drenkelingen op het vlot van de Medusa, zoals weergegeven door Géricault. De toetsen herinneren ons aan de suggestieve schildertechnieken van Velásquez, Goya of Delacroix. We denken aan het ironische ‘Je hais le mouvement qui déplace les lignes’ uit het gedicht LaBeauté van Baudelaire, die in het debat tussen Ingres en Delacroix (lijn of kleur?) de zijde koos van Delacroix. Dit oude debat verliest natuurlijk een groot deel van zijn betekenis als je het niet hebt over schilderkunst, maar over beeldhouwen. Toch is het een bruikbare filter om naar het werk van Naveau te kijken. In Le salon du plaisir herken je een enthousiaste dronkenschap van de vorm, maar ook de contouren van Ingres en de klare lijn van Hergé. De werken van plasticine zijn heel kleurig, maar de kleur heeft geen modellerende functie. Vooral in de wit geglazuurde sculpturen zie je dat de vorm primeert. Licht en schaduw zorgen voor extra diepte en beweging, en lijken de taferelen tot leven te brengen. Samengevat zou je kunnen zeggen dat Naveau het kleurgebruik van Delacroix heeft omgezet in een manier van beeldhouwen, zoals Camille Claudel haar dat heeft voorgedaan.

Kromme koralen, cowboys op botsende of sneuvelende paarden, trappers met geweren, paarden die over bizons struikelen, boomstronken en beren, een droomkasteel, Marge van The Simpsons die als een hedendaagse Nefertiti uit een wonderlijk gedrapeerde plooirok of bloem verrijst, gehelmde soldaten uit de eerste wereldoorlog: allen ontmoeten ze elkaar in sculpturen die in alle richtingen bewegen, uitlopers hebben, van vorm veranderen.

‘Het omhelzende paartje is afkomstig van Bernini,’ vertelt Naveau. ‘Ik heb ze wel allebei een hertengewei en een dikke, bolle bril gegeven om ze een beetje van mezelf te maken. Het symmetrische beeld is gebaseerd op een spuwer van de Notre-Dame in Parijs. Ik heb hem verdubbeld en met zijn rug tegen zichzelf geplaatst. Het droomkasteel is gebaseerd op de tekening die ik voor het titelblad van ons vorige boek heb gemaakt.’

Ik beschouw het als een voorrecht getuige te zijn geweest van de geboorte van deze vrije sculpturen. We weten dat het Naveaus droom is ooit een grote paté te kunnen maken zoals de stapelsculptuur op de Antwerpse Marnixplaats. Geef die dame een groot plein en heel veel klei, brons en marmer zou ik zeggen. Laat haar niet tevergeefs wachten zoals Cellini. Een nieuw zuil van Trajanus, met taferelen die er aan alle kanten uitwieren als een uit elkaar slingerende paardenmolen!

Nu ik bovenstaande regels geschreven heb, kan ik mij misschien ook een paar minuten buigen over wat ik werkelijk denk en voel als ik naar deze werken kijk. Ze stemmen mij tot vreugde, maar waarom? In een vorige tekst over het werk van Nadia Naveau merkte ik op dat haar sculpturen iets koboldachtigs en donkers hadden in hun vorm. Ik vermoedde dat dit te wijten was aan het feit dat ze allemaal geboetseerd waren, zelfs de grote sculpturen. Ook trof het mij dat de sculpturen vaak voorzien waren van een poreuze huid, alsof het donkere dat uit de vormen sprak getemperd moest worden door een beschermend, maar tegelijk broos vlies. Wat mij toen vooral opviel was het breekbare, vandaag ben ik getroffen door de levenslust.

Elke sculptuur van Lesalonduplaisir werd op één dag tijd geboetseerd. Hun kracht spruit onder andere voort uit het evenwicht tussen de schijnbaar ruwe toetsen, een anatomische benadering en de kleine, scherpe details. De toegevoegde glazuurlaag, die pas haar uiteindelijke vorm krijgt in de oven, neemt bepaalde details weg en versterkt andere bewegingen. Het heeft iets sensueels, dat druipen. Het versterkt het vloeiende van de bewegingen. Het versterkt de spelingen van licht en schaduw, die de morfologie van de beelden verrijken en vaak versterken. De hele kunst bestaat erin het glazuur niet te dun te maken, zodat de hoekige, kleien randen er niet doorschemeren, en niet te dik, opdat er niet teveel details verloren zouden gaan.

Zoveel vormbeheersing ontroert mij. Het is alsof diepere werelden in mij aangesproken worden met een woordeloos lied. De fysieke handelingen van de kunstenaar, de snel grijpende, duwende, knedende, nijpende, rollende vingers, laten zich aflezen uit de bewegingen van de sculptuur. Dat de sculpturen er vanuit alle richtingen gewaagd en geslaagd uitzien, laat ons de aanwezigheid van een fenomenaal oog voelen. De figuren willen in elkaar doordringen. Ze bedreigen elkaar, overlappen elkaar, springen over elkaar, doorsteken elkaar en omhelzen elkaar. Het zijn wilde copulaties die eeuwig zullen duren, de benen, armen, poten, hoofden, koppen, staarten, muilen, geweren, lansen en boomstammetjes groeien uit de aarde en graaien in de lucht, maar bovenal duwen ze zich door elkaar, tegen elkaar en over elkaar als een gestolde, maar altijd hete wemeling.

Mmm. Heb ik nu eindelijk iets zinvols gezegd hierover? Waarom ben ik ontroerd, vroeg ik mij af. En hoe gaat dat in zijn werk? In mijn hoofd en in mijn lichaam, denk ik, roept zo’n geslaagde wemeling het beeld op van de eeuwige warreling rondom mij, die mijn brein slechts met moeite vereenvoudigen kan tot leefbare, voorspelbare beelden. En ik voel dat in deze warreling en al haar gruwelijke, kille zaken alleen vormen van bezielde of liefhebbende aanwezigheid en aandacht de nodige warmte en stevigheid brengen die de leegte vullen kunnen tussen al dat rond waaiende stof.


Montagne de Miel, 4 september 2007