Hans Theys is een twintigste-eeuws filosoof en kunsthistoricus. Hij schreef en ontwierp tientallen boeken over het werk van hedendaagse kunstenaars en publiceerde honderden essays, interviews en recensies in boeken, catalogi en tijdschriften. Al deze publicaties zijn gebaseerd op samenwerkingen of gesprekken met de kunstenaars in kwestie.

Dit platform werd samengesteld door Evi Bert (Centrum Kunstarchieven Vlaanderen). Het kwam tot stand in samenwerking met de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen (Onderzoeksgroep ArchiVolt), M HKA, Antwerpen en Koen Van der Auwera. Met dank aan Idris Sevenans (HOR) en Marc Ruyters (Hart Magazine).

ESSAYS, INTERVIEWS & REVIEWS

Philippe Vandenberg - 2008 - Tussen zwaarmoedigheid en vertrouwen [NL, review],
, 3 p.




__________

Hans Theys


Ontmoeting tussen zwaarmoedigheid en vertrouwen
Philippe Vandenberg in gesprek met collectie Gents MSK



In het Gentse Museum voor Schone Kunsten loopt momenteel een prachtige tentoonstelling van Philippe Vandenberg. Zonder illustratief te worden slingert een losse ketting van werken zich door de bestaande collectie, onder meer in een indrukwekkende zaal waarin een aantal op de vloer rustende, over moordlust verhalende tekeningen van gedachten wisselen met drie schilderijen aan de muren: 'Christus in de woestijn' van Gustave van de Woestyne (1939), 'Liggende boer' van Permeke (1928-1929) en 'Het heilige aanschijn' van Georges Rouault uit 1953. Een lange muur is volledig leeg gebleven. Prachtig!


Zwaarmoedigheid

De kracht van deze tentoonstelling schuilt voor mij in de eerste plaats in de indrukwekkende ontmoeting tussen een steenharde, onverplaatsbare zwaarmoedigheid, die zich in het leven van deze schilder op een bijna verstikkende manier verstrengeld heeft met zijn oeuvre, en een ontroerend vertrouwen in de vorm, dat deze zwaarmoedigheid met een dansante zwier overstijgt.
    In het algemeen hou ik niet van kunstenaars die hun werk op een inhoudelijke manier trachten te ondersteunen, alsof het een stel krukken van node heeft. Ik geloof meer in kunstenaars die zich overgeven aan de ontsporingen die hun volgehouden ambacht voor hen in petto heeft en die leiden tot onvermoede, nieuwe vormen die bij de toehoorders of toeschouwers een ontroering oproepen. (En is die ontroering dan verstandelijk of gevoelsmatig? vraagt iemand, maar ik begrijp het verschil niet.)
    Per slot van rekening staan er maar enkele hogere gevoelens te onzer beschikking om mee aan de slag te gaan: verdriet, angst en woede, hoop en wanhoop, berusting en onverschilligheid… Verder zijn er amper twee thema’s het vermelden waard: de dood en de liefde. Althans, dat geloof ik. We stuiten allemaal op dingen die we niet kunnen veranderen, en die we met liefde omarmen, en dingen die we wel kunnen veranderen, en die we te lijf gaan door te werken. Het werk en de liefde: ziedaar onze wapenen om de angst voor de dood te ontvluchten of om te zetten in allerlei vormen van tijdswinst of tijdvertraging enerzijds (in het geval van het werk), of om de dood tandeloos te maken (we kunnen nooit verliezen wat we echt hebben omarmd).
    U vergeeft het mij, maar deze bedenkingen vloeien voort uit het ‘Gebed van de kalmte’, dat als wanhopig, wit opschrift voorkomt op een schilderij dat deel uitmaakt van een donkere reeks, die zich bevindt op de gebogen wand van de rotonde.


Vederlichte gouaches en hoekige tekeningen

Een ontroerend relaas, dus, waarin we zien hoe een al te zwaar opgevat, tobbend leven, uitmondt in vederlichte gouaches, zoals het prachtige werkje waarop we met één penseelstreek aangebrachte, verschillend gekleurde cirkels herkennen, op een na alle met een verticale middenas.
    In de mooie documentaire, die in een van de zalen bekeken kan worden, toont Vandenberg, bladerend in schitterende tekenblokken, hoe hij telkens opnieuw op zoek gaat naar visuele thema’s of uitwerkingen die hem zelf tot verwondering brengen en een kortstondig gevoel van euforie bezorgen. We zien hoe hij een compositie maakt door een aantal crucifixen in een ‘decoratief’ patroon over een bladspiegel te strooien en vervolgens, in nieuwe tekeningen, aan de slag gaat met de blanco tussenruimte, waaruit een nieuw, pseudo-geometrisch patroon opdoemt, dat doet denken aan mozaïekmotieven.
    Het doel lijkt telkens weer een van de wereld afgedwongen, dansante, plezante, sensuele of anderszins verrassende vorm te zijn, die diep geworteld blijft in de nacht.
    Wanneer je het museum betreedt, kom je in een grote zaal met een opstelling die bestaat uit een reeks gelaste tafels met flinterdunne, metalen zwevende bladen en dunne pootjes. Op deze bladen liggen tekeningen, bedekt met een glasplaat. De tafels staan opgesteld in de vorm van een hakenkruis: een beeld dat vaak terugkeert in deze tentoonstelling, allicht omdat het de polen van Vandenbergs werk (een harde wereld en een onvermoeibaar zoeken naar vormen, alsof hij gelooft in de helende, bijna bezwerende kracht van een kleurig patroon) in zich verenigt.
    De tekeningen, die worden afgewisseld met mooie gouaches, zijn op een houterige, bijna hoekige manier gemaakt. Ze lijken op imitaties van kindertekeningen: vlak, zonder volume. Ze roepen nachtmerries op, die worden bevolkt door creaturen als wolven, honden, leeuwen, schapen, vogels en vrouwen, en door attributen zoals lange vogelbekken, beulskappen en lange konijnenoren.
    Deze nachtelijke taferelen krijgen vorm in vlakke krabbels die je je nadien nog heel goed kan herinneren, allicht omdat ze je verbeelding meer hebben gestimuleerd dan ‘afgewerkte’ beelden, en die op een verborgen manier doen denken aan arabesken. Aan de composities zie je dat ze zijn voortgevloeid uit Vandenbergs wondermooie matière-schilderijen die ik in de jaren tachtig voor het eerst zag in de Brusselse galerie van Albert Baronian, in het gezelschap van Damien De Lepeleire en Michel Frère, die heel veel van Vandenbergs werk hield. De tekeningen zijn flinterdunne skeletten, overblijfselen of aanzetten van forse schilderijen. (Vandenberg is iemand die houdt van schilderijen.)


Gesprek

En zo zijn we gekomen bij een al te vroeg besluit, waarin ik het zou willen hebben over de zachte, intelligente manier waarop Vandenberg zijn werk tot een gesprek laat komen met de wondere collectie van dit museum. Allereerst zou ik mijn bewondering willen uitspreken voor de collectiepresentatie van het museum zelf, die helemaal vertrekt vanuit het schilderij. (Schilderijen bevinden zich in elkaars buurt omdat ze verwant zijn op het vlak van de textuur of het thema, waardoor verschillende werken van eenzelfde auteur zich terecht in verschillende zalen bevinden). Vandenberg zet deze logica verder. Hij doet dit, in het algemeen, door zich terug te trekken. Zijn werken zijn heel wit of heel donker. Vaak verschuilen ze zich in een hoek, zoals in de zaal van de 15de-eeuwse schilderkunst, waar we een vermoedelijk speciaal voor deze tentoonstelling gemaakte, uitvergrote schets zien (voorstellende vier mannen wier mond verbonden wordt door een doornenkroon) die de gedaante heeft aangenomen van een bijna transparant schilderij, als de sluier van Veronica, die ondermeer bij Rogier Van der Weyden emblematisch was voor de schilderkunst. Dit schilderij verwijst naar een ander werk, waarin een patroon werd overschilderd met wit, zodat het traag opdoemt uit de mist, etc. Vormelijke elementen zoals het contrast tussen zwart en wit keren voortdurend terug. Het beeld is muziek geworden. Muziek die zich ruisend verheft en het hele museum enkele millimeters optilt. Nader tot ons.


Montagne de Miel, 23 april 2008