Hans Theys is een twintigste-eeuws filosoof en kunsthistoricus. Hij schreef en ontwierp tientallen boeken over het werk van hedendaagse kunstenaars en publiceerde honderden essays, interviews en recensies in boeken, catalogi en tijdschriften. Al deze publicaties zijn gebaseerd op samenwerkingen of gesprekken met de kunstenaars in kwestie.

Dit platform werd samengesteld door Evi Bert (Centrum Kunstarchieven Vlaanderen). Het kwam tot stand in samenwerking met de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen (Onderzoeksgroep ArchiVolt), M HKA, Antwerpen en Koen Van der Auwera. Met dank aan Idris Sevenans (HOR) en Marc Ruyters (Hart Magazine).

ESSAYS, INTERVIEWS & REVIEWS

Patrick Van Caeckenbergh - Ingenious Cutting [EN, interview], 2009
, 7 p.




__________

Hans Theys


Over het geestrijke snijden en de ridderlijke schoonmaak
Een gesprek met Patrick Van Caeckenbergh



Dinsdag, 22 november 2011. Domeniek Ruyters heeft mij uitgenodigd voor Metropolis M iets te schrijven over Patrick Van Caeckenbergh (1960). Ik ken de bevreemdende, scherp geassembleerde sculpturen en adembenemende collages van deze man, maar ik heb hem nog nooit ontmoet. Hij ontvangt mij in zijn sigarenkist: een kamer die volledig ingenomen wordt door een doos van meranti multiplex. Muren, vloer en plafond, een bed, de boekenkasten en de werktafel zijn van hetzelfde materiaal en sluiten ons bijna volledig in, alsof de kunstenaar de chaos van de wereld zo op een afstand kan houden, of, omgekeerd, zijn eigen verbeeldingswereld kan beletten grenzeloos uit te dijen. Bijna volledig, zeg ik, want één zijde bestaat uit een groot schuifraam, dat open staat. Het is koud. De kunstenaar draagt een dikke trui en een sjaal. Naast het raam bevinden zich een verrekijker en enkele vogelgidsen.

Het grootste deel van de wanden wordt ingenomen door boekenrekken, die gevuld zijn met sigarenkistjes en met literaire en wetenschappelijke werken, gerangschikt per auteur en per discipline. De meest recente literaire auteurs in de bibliotheek zijn W.G. Sebald en Orhan Pamuk. De periode die Van Caeckenbergh het meest aanspreekt strekt zich uit van 1870 tot 1940. De boeken behelzen een beperkte keuze, maar het is een keuze die tot in het oneindige wordt herlezen en gecombineerd, waardoor talloze nieuwe verhalen ontstaan. Van Caeckenbergh vertelt mij dat hij sommige personages zo goed kent, dat hij ze met elkaar kan laten converseren. Julien Sorel en Charlus, bedenk ik, of Hans Castorp en het hoofdpersonage van Austerlitz. De avonturen van deze personages en de verzuchtingen van hun auteurs worden gecombineerd met bevindingen uit de wetenschap en duizenden beelden die vanuit de wereld naar de sigarenkist stromen, vaak in de vorm van een geschenk, bijvoorbeeld van mensen uit het dorp die Van Caeckenberghs voorliefdes kennen. Zo ontstaan geschreven verhalen, collages, tekeningen, maquettes, sculpturen en installaties. De meeste maquettes en sculpturen, vermoed ik, komen voort uit de verhalen en de daaraan gekoppelde beelden. Alles ontstaat op kleine schaal, alsof het klein geboren voortkomt uit de koker van de kunstenaar. Althans, dat vermoed ik. Zoals altijd wanneer ik een nieuwe kunstenaar ontmoet, probeer ik het zogenaamde begrip van zijn oeuvre zo lang mogelijk uit te stellen om zo weinig mogelijk nieuwe ervaringen of inzichten uit te sluiten.

De beste gesprekken met kunstenaars zijn gesprekken waarbij je zelf zo weinig mogelijk spreekt over eigen ervaringen, omdat dit hen afleidt van iets dat ze je proberen duidelijk te maken. Dit geldt zeker voor deze kunstenaar, die tracht zo weinig mogelijk te vernemen over de wereld buiten zijn sigarenkist. Als ik het gesprek op Oliver Sacks breng, wiens werk hem ongetwijfeld zou boeien, verstrakt hij. Als ik vertel dat Oliver Sacks zichzelf als een discipel van Luria beschouwt, begint hij enthousiast te praten. Luria blijkt deel uit te maken van zijn afgebakende wereld. Een van zijn eerste sculpturen, vertelt Van Caeckenbergh, was een antwoord op het boek van Luria over de man die alles onthield en daardoor geen normaal leven meer kon leiden. ‘Als die man een menu las in een restaurant, dan proefde en rook hij meteen alle gerechten die hij ooit had gegeten, hij hoorde alle gesprekken die hij in een restaurant had gevoerd en hij zag al die restaurants voor zich: een gigantische, simultane, synesthetische verwarring die hem belette te functioneren. Ik wilde die man bevrijden. Daarom maakte ik een soort hoed voor hem, met honderden schuifjes, zoals men zich het geheugen vroeger voorstelde. In die schuifjes zitten dingen die hij kon gebruiken om te overleven: vishaken, kaarsen, bonen en rijst. Beneden vind je ook peper, zout en vaatwasmiddel. Bovenaan vind je een plumeau om alles schoon te maken. Zo was de man klaar voor een bedevaart, voor een ridderlijke schoonmaak.’

We begrijpen dat Van Caeckenbergh zich met deze man identificeerde: de dingen van de wereld, maar ook de verhalen en de beelden die hij eruit spint, dreigen hem te overspoelen en te verlammen. En misschien is hij wel verlamd, en droomt hij daarom van een grote gebeurtenis die hem zal verlossen, als een cataclysme, een reusachtige ontsporing die de dingen zal bevrijden van de verhalen die hen willen insnoeren en smoren. ‘Ik tracht genealogieën te ontwerpen,’ vertelt hij, ‘dat is moeilijk, want als ik iets nieuws ontdek, moet ik alles herzien. Ik droom ervan elke ochtend in één synoptische oogopslag alles te kunnen overzien wat ik heb gemaakt in mijn leven.’

De kunstenaar toont mij een sigarenkistje waarin hij enkele honderden minieme collages heeft opgeborgen: uitgesneden blozende konen, die telkens omlijst worden door vier opgeplakte, bronskleurige, antieke hoekjes van fotoalbums. Soms herken je een stukje van een mond of een oog. In een ander kistje bevinden zich sigarenbanden met uitgesneden beeltenis en achtergeschoven portretten van schrijvers. In een blikken koektrommel bevinden zich op karton geplakte, rechthoekige uitsnijdingen van foto’s: ‘Elke keer als ik de afbeelding van een naakt lichaam tegenkom, knip ik daar het meest abstracte stuk uit.’

De kunstenaar snijdt zichzelf uit de wereld en vindt zo een plaats voor zichzelf. Wat uit de wereld naar hem toekomt, wordt onder handen genomen en krijgt een nieuwe plaats, in een van de honderden doosjes, kistjes of trommels. Boven zijn bed hangt een kleine mobiel van Calder: een uitsnijding. Van Caeckenbergh houdt van het werk van kunstenaars die tot een heldere strakheid gekomen zijn. ‘Ik heb On Kawara eens ontmoet. Hij had een koffertje bij waarin al zijn materiaal zat. Enkele doekjes, penselen en één tube verf. Wondermooi! Dat zou ik ook willen kunnen.’


Gesprek

Patrick Van Caeckenbergh: Ik ben afgestudeerd aan de academie zonder één werk te maken of te tonen. Ik sprak wel over andere dingen, bijvoorbeeld de tekeningen van mijn grootvader, die smid was en heel mooie technische tekeningen had gemaakt, zonder enige artistieke of esthetische bekommernis. Daar sprak ik dan over. Ik heb ook eens een lezing gegeven in het oude Museum voor Wetenschappen in Gent. Ik toonde dan dia’s en vertelde. Ik had een vriend die filosofie studeerde en mij eens had meegenomen naar de universiteit. Daar heb ik ontdekt dat je om het even welke les kon bijwonen. Ik zocht vakken die mij boeiden en volgde die voor mijn plezier. Zo maakte ik kennis met vakken als neurologie en kunstgeschiedenis. Al die jaren woonde ik in een fabriekspand waarin ik een kleine wooneenheid had gebouwd die de structuur had van twee forse boekenkasten, die verbonden werden door een brede plank die los op de voorlaatste schabben lag en dienst deed als bed. De open ruimtes kon je afsluiten met gordijnen. Kunstenaars hoorden dat en kwamen mij bezoeken. Soms namen ze hun studenten mee. Zo heb ik veel mensen leren kennen. En uiteindelijk ben ik afgestudeerd met deze ‘living box’, zoals ze hem zijn gaan noemen. Zelf zag ik dat niet als een artistiek project, het was gewoon een manier om op een praktische manier te kunnen leven in die grote, kale ruimte. Later zijn de zaken vaak op dezelfde manier verlopen: mensen zien iets en willen het tentoonstellen. Elk jaar in juni kwamen er een paar mannen naar de kunstscholen om de twee of drie beste studenten uit te kiezen. Die konden tijdens de zomer dan iets tentoonstellen bij de Vereniging, die toen nog gevestigd was in een herenhuis. Zo kwam het dat mijn living box tentoongesteld werd. En zo ben ik ook tot mijn volgende werk gekomen, dat ook een huisje was, en een sculptuur die een paard voorstelde.

Dat kwam zo: door het tentoonstellen van de living box had ik geen plek meer om te wonen en ben ik voor enkele weken ingetrokken bij mijn ouders. Ik belandde daar als een soort van antropoloog, die hen in een nieuw licht aanschouwde. Mijn vader had een bijzondere passie, die erin bestond kleine voorwerpen op te rapen en op te bergen in een stalletje. Een verroeste, kromme spijker werd weer recht geklopt, geschuurd, geolied en opgeborgen in een doosje met als opschrift ‘Nagels van 0,5 tot 0,8 mm’. Zo waren er honderden doosjes. Hij bewaarde ook plankjes, die verticaal naast elkaar geplaatst werden bewaard op rekken. Het vreemde was dat mijn vader nooit iets had gedaan met de voorwerpen die hij had gered. Nooit heb ik hem iets zien maken of herstellen. Toen ik opnieuw bij hen introk, gebeurde er echter iets uitzonderlijks. Mijn vader was ernstig ziek. Daarom vond mijn moeder dat er een telefoon moest komen, voor noodgevallen. Mijn vader was het daar niet mee eens, maar die telefoon kwam er toch… Mijn moeder stond daar met die telefoon in haar handen. Het snoer kwam door een gaatje in de muur naar binnen en reikte ongeveer een meter ver. ‘Vader,’ zei ze, ‘we zouden die telefoon ergens moeten kunnen neerzetten.’ Ik keek naar mijn moeder, met die telefoon in haar handen, en ik keek naar mijn vader. Hij ging zitten en keek naar de muur, naar de telefoon en dan weer naar de muur. Tien minuten, een kwartier, een half uur. Dan stond hij op en ging hij naar zijn schatkamer. Toen hij terugkwam, droeg hij een plankje dat precies even groot was als de bodem van de telefoon. Het paste! Hij plaatste het tegen de muur en hij zei: ‘Hier moet het komen’. In dat ene moment viel alles samen en leek alles zin te krijgen. Mijn vader is een edel knutselaar, bedacht ik, een bricoleur, in de betekenis die Claude Lévi-Strauss aan het woord heeft gegeven! Het was een magisch moment! Teweeggebracht door een kleine, alledaagse gebeurtenis. Ineens begreep ik wat ik de wereld moest gaan vertellen. Ineens had ik een boodschap die ik wilde uitdragen.

Spoedig daarna stierf mijn vader. En maakte ik dat tweede huisje, een soort van maquette van het cité-huisje van mijn ouders, dat ik op een kar plaatste. Ik begon ook te schrijven. Ik schreef een verhaal over een cowboy die naar België gekomen was en een megalomane souvenir samenstelde. Maar toen hij met zijn huisje op een kar het land wilde verlaten, moest hij van de douane kiezen, want het was crisis: ofwel moest hij zijn huis afgeven ofwel zijn paard. Het was een conservatieve cowboy, dus koos hij voor zijn huis. Maar omdat hij toch een beeltenis van zijn paard wilde meenemen, besloot hij het na te maken aan de hand van zijn huisraad. De hoeven maakte hij van conservenblikken, de benen en de buik van een salontafeltje, de staart van vorken, lepels en messen die aan touwtjes bungelden, het lijf van bokalen met opgelegde groenten en het hoofd van geperforeerde borden. Die cowboy doet wat mijn vader zou hebben gedaan: hij maakt geen foto van het paard, hij maakt geen tekening, hij bouwt het na op een vrij rauwe manier.

- De ervaring met het plankje toonde je hoe je kon leven als kunstenaar en toch trouw blijven aan je vader.

Van Caeckenbergh: Ja.

- Nu ik je afkomst ken, vermoed ik dat je de wereld hebt ontdekt door te bladeren in boeken van Artis-Historia (voor de Nederlandse lezer: boeken over allerlei onderwerpen waarvoor je afbeeldingen kon sparen en inplakken, een vorm van democratische cultuur, die omwille van de suggestie dat je er ook nog geld mee spaarde, terechtkwam in gezinnen die verder geen boeken aankochten. De Belgische kunstenaars Berlinde De Bruyckere en Tamara Van San maakten via deze boeken kennis met hun latere passies: de kunst van Cranach in het geval van Berlinde, de natuur en vreemde landen in het geval van Van San).

Van Caeckenbergh: Wij hadden thuis geen boeken, behalve de catalogus van een postorderbedrijf en een Winkler Prins encyclopedie die mijn moeder zich had laten aansmeren door mijn onderwijzer van het eerste leerjaar, die als bijverdienste encyclopedieën verkocht. Omdat we geen plek hadden voor boeken, stonden de acht delen van die encyclopedie tussen mijn speelgoed, naast de stripverhalen. Daardoor, maar ook omdat ik nog niet vlot kon lezen, benaderde ik die encyclopedie als een beeldverhaal. Sommige beelden waren ontzettend fascinerend, bijvoorbeeld een grote paarse afbeelding van een waterdruppel en al het microscopische leven dat zich daarin kon afspelen. Het leek wel een abstract schilderij. Wat kon dat toch zijn? Vroeg ik me af. Tot ik heel traag las: w a t e r d r u p p e l. Later heb ik dat beeld gebruikt voor de kaft van een van mijn boeken.

- Je sculpturen starten vaak als maquettes. Ik kan mij moeilijk voorstellen dat de grote versies door anderen gemaakt worden, daarvoor zien ze er te goed uit. Waar worden ze gemaakt?

Van Caeckenbergh: Hier in huis. In de garage of in de woonkamer. We maken dan een beetje plaats. Maar het eigenlijke maken van de sculpturen neemt misschien maar 5% van mijn tijd in beslag. Hier draait alles rond woorden en taal, mijn werk is heel conceptueel. Ik ben niet bezig met materie, wel met denken, schrijven en studeren. Ik probeer kennis te verwerven, zoveel mogelijk kennis te verwerken. Het is een enorm werk. Ik heb ook een heel traag ritme, vergelijkbaar met de traagheid van romanschrijvers. Pamuk, bijvoorbeeld, heeft het over projecten van vijf tot tien jaar. Dat is een ritme dat ik ook aankan, als mens, om de vijf, zes jaar probeer ik iets af te ronden… Het is een heel inert proces, dat creatieve.

Pamuk en Sebald zijn de enige min of meer hedendaagse auteurs die ik lees. Mijn bibliotheek stopt bij Thomas Mann, bij wijze van spreken. Louis Paul Boon heb ik natuurlijk ook gelezen, maar het was heel overweldigend, het was alsof ik de dingen las en herbeleefde tegelijkertijd. Het stond te dicht bij mij. Ik ben van Aalst. Ik kom uit een arbeidersgezin. Mijn literair parcours is heel intuïtief. Ik wist er niks van. Ik heb gewoon de schrijvers gevolgd. Ik heb niet veel gelezen, maar de dingen die ik heb gelezen, ken ik heel goed. Flaubert, Valéry, Roussel. Ik ga genealogisch te werk, ik zoek verbanden. Dostojevski, Dante, Cervantes, Montaigne, Pascal, Goethe, Eckerman, Stendhal, Flaubert, Proust, Thomas Mann, Pavese, Canetti, Calvino, Broch, Foucault, Mircea Eliade, Sebald. Het is een solitaire bezigheid, dat lezen en schrijven, maar toch vinden er ontmoetingen plaats, met auteurs en met personages. Mijn bibliotheek is een klankbord. Het lijkt alsof ze zingt, maar eigenlijk is het een sprekend zingen, een recitatief. De boeken spreken met elkaar en dat klinkt als een lied. Maar ik zit echt vast in de klassieke literatuur. Het is een fataal instinct… En dan duikt ineens Bruce Chatwin op, de reiziger, als een dwaalspoor in de genealogie. Alle schrijvers waren al mooi verbonden met elkaar en dan komt ineens Chatwin opduiken. Hoe moet ik die plaatsen? Het doel is compleetheid. Je boom moet zo compleet mogelijk zijn. Maar dan moet je er een tak bijzetten, of eraan zetten met haken en ogen.

Sebald spreekt over Chatwin in het boek Duizelingen. Dat is een boek dat ze na zijn dood hebben samengesteld met stukjes en brokjes die ze hier en daar hebben gevonden. En sprekend over Chatwin verwijst Sebald naar Balzac. Ik had nog niets van Balzac gelezen. Chatwin beschrijft dat er bij zijn grootmoeder een stukje huid op een kastje lag. Zijn grootmoeder maakte hem wijs dat het de huid van een voorhistorisch monster uit Patagonië was. Sebald verbindt dat verhaal met het ezelsvel van Balzac. Dat komt voor in een boek dat handelt over iemand die zelfmoord wil plegen en rondlopend in Parijs belandt bij een antiquariaat, dat eruitziet als een grote hangar, een rommelwinkel, een soort schatkamer met voorwerpen en kunstwerken allerhande, ook schilderijen van Rafael en Leonardo da Vinci, en uiteindelijk ontmoet hij de eigenaar, een oud grijs ventje, dat hem vertelt dat hij in de hele winkel maar één ding voor hem heeft: een ezelsvel. Het wordt nergens vermeld, maar eigenlijk is het een Mephisto-verhaal, natuurlijk. De held wordt in verleiding gebracht door de duivel. Het grijze ventje vertelt dat de held het ezelsvel moet vasthouden als hij een wens doet, en zo gebeurt het. Elke keer als de held een wens doet, wordt die vervuld. En hij wordt machtig en rijk. Hij heeft de prachtigste vrouwen. Maar elke keer als hij een wens doet, wordt het ezelsvel kleiner, zodat de allerlaatste wens steeds gewichtiger wordt. En Sebald verbindt dat verhaal van Balzac met het verhaal van Chatwin. Heel mooi.

Soms gebeurt het dat alles samenvalt, dat mensen die je heel goed kent elkaar ontmoeten. Dat alles samenvalt in één rijke seconde. Het is dan alsof je in het water springt en je wordt omringd door al die belletjes. Daar ben ik naar op zoek: naar momenten waarop al die gedachten samenvallen. Mijn leven hier op de buiten kent solitaire momenten, maar het heeft zijn luxueuze kanten. Valéry noemt dat de weelde van het eenzame uitvinden. Ik kan wel op mijn knieën zitten van dankbaarheid dat ik thuis mag zijn en niets hoef te maken. Ik vind dat onwaarschijnlijk prachtig. Vooral de tolerantie is belangrijk: dat ik geduld word. De kunstwereld is het enige platform waar ik terecht kon in onze maatschappij, alleen daar kon ik terecht met mijn experimenten, alleen daar kon ik mijn huis bouwen. Daar ben ik heel dankbaar voor. Soms neemt die tolerantie concrete vormen aan. Voor een van mijn eerste tentoonstellingen had ik het woord ‘boerepatee’ omgezet in een neon lichtreclame. Toen de curator dit zag werd hij woedend, omdat hij dacht dat ik de spot dreef met de eclectische aard van de tentoonstelling. Wat niet zo was. Waarom zou ik gekant zijn tegen een eclectische benadering van de dingen? Maar terwijl ik verbouwereerd weerwerk trachtte te bieden, traden er verschillende oudere kunstenaars naar voren die het voor mij opnamen en de curator intoomden.

- Heb je deze boom zelf getekend?

Van Caeckenbergh: Ja. De voorbije drie jaar heb ik tweeëndertig bomen getekend, denk ik. Deze boom bestaat twee keer. Ik bleek hem al eens getekend te hebben. Als zo’n werk af is, vertrekt het meestal meteen. Ik zie ze nooit samen. Nu worden de tekeningen verzameld, omdat ze binnenkort getoond worden in Museum M in Leuven. Daardoor hebben ze ontdekt dat ik twee keer dezelfde boom heb getekend.

- Waarom zou je ze niet samen tonen? Identiek kunnen ze toch niet zijn. De deuren zeker niet. Het zou boeiend kunnen zijn ze samen te zien.

Van Caeckenbergh: Ja, want misschien zijn ze wèl identiek! Dat zou straf zijn… Bomen hebben mij altijd gefascineerd, niet alleen op fysiek vlak, ook als stamboom. Het zijn bomen als woningen, voor mij, daarom zitten er deuren in. De tekeningen zien er hyperrealistisch uit, maar ze zijn het resultaat van improvisatie. Het is als free jazz: een paar noten liggen vast, de rest wordt geïmproviseerd.

- Gom je ook partijen weg?

Van Caeckenbergh: Neen, nooit.

- Hier zitten moeilijke uitsparingen…

Van Caeckenbergh: Ik gebruik kalkpapier, dat ik over een afbeelding leg. Eerst isoleer ik de boom op de afbeelding, door de omgeving te bedekken met wit. Dan leg ik er een kalkpapier over en vul ik de vorm van de boom in.

- De omgeving wordt weggesneden.

Van Caeckenbergh: Ja, gecensureerd. De omgeving wordt leeg gemaakt… Een boom in beeld brengen, daar word je waanzinnig van. Dat is onmogelijk. Zo’n ding is eindeloos. Dat is totale anarchie. Daarom moet ik hem uitknippen, zodat er een plaats is waar ik kan beginnen en eindigen. (We kijken naar reproducties van de tekeningen.) Mijn eerste boom had ik twee ogen gegeven, maar dat was te sprookjesachtig. Deze heb ik wel een buikje geven, maar het is goed gelukt, het lijkt natuurlijk. Ik maak deze tekeningen op mijn bed. Het formaat is aangepast aan mijn mogelijkheden: het blad rust op mijn knieën. Ik kan twintig minuten tekenen, dan lees ik twintig minuten enzovoort. Daardoor is elke tekening intiem verbonden met een boek, met een welbepaalde leeservaring.

- Wil je iets vertellen over de ordening van je bibliotheek?

Van Caeckenbergh: Het begint bij de sterren, met kosmogonieën, sprookjes en de ontdekking van de aarde: ik ben dol op verhalen van en over ontdekkingsreizigers. Dan komen de antropologie, de etnologie en de meer biologische kant van de mensen, de dieren en de planten. Dan volgen architectuur, magie, wetenschappen, chemie, alchemie en koken. Ik kook heel graag, ik doe het elke dag. En onderaan vind je nog een schab met boeken over folklore. Sinds ik hier ben komen wonen, vijftien jaar geleden, ben ik actief in het dorpsleven. Ik ben geïnteresseerd in oude gebruiken, ik wil weten waar ze vandaan komen. Als ik iets doe, probeer ik naar de kern te gaan, dan onderneem ik etymologische dwaaltochten die dagen of weken kunnen duren. Verder zijn er nog encyclopedieën en literaire werken.

- De laatste kast is gevuld met sigarenkistjes, die op hun kant geplaatst zijn zoals boeken of de plankjes van je vader.

Van Caeckenbergh: Die kistjes heb ik allemaal gekregen. Toeschouwers denken vaak dat ik werk maak met voorwerpen die afkomstig zijn van rommelmarkten, maar dat is niet zo. Veel dingen worden mij aangereikt door mensen uit het dorp, die mijn passies kennen, en andere voorwerpen koop ik gewoon nieuw. Als ze er uiteindelijk minder nieuw uitzien, dan is dat omdat ik er lang aan heb gesleuteld of omdat ze hier al lang rondslingeren. Elke keer neem ik mij voor het goed te doen, met nieuwe schroeven bijvoorbeeld, maar op de duur wordt dat gewoon oud. Het tafeltje dat deel uit maakte van mijn allereerste sculptuur heb ik wel bij een brocanteur gekocht, omdat ik een exacte kopie wilde van het salontafeltje van mijn ouders. Dit gezegd zijnde, moet ik toegeven dat ik erg gesteld ben op verweerde, oude voorwerpen. Ze dragen sporen van erosie, ze hebben iets erotisch.

- Wat zit er in de kistjes?

Van Caeckenbergh: (Neemt er een.) In dit kistje zitten blozende kaakjes.

- Uitgeknipte afbeeldingen van een blos, daarna op de vier hoeken beplakt met bronskleurige barokke hoekjes uit fotoalbums, als vergulde lijst. Mini-schilderijtjes. Vreemd. Ik heb nog nooit zo’n blozende kaken gezien. Waar vind je die?

Van Caeckenbergh: In catalogi met foto’s van porseleinen poppen. Die hoekjes zijn het enige wat is overgebleven van fotoalbums die mensen mij hebben geschonken. Ik moet veel censureren, wegknippen. Het enige wat hier is overgebleven zijn de hoekjes. En de kaakjes heb ik natuurlijk ook geïsoleerd van hun omgeving.

- Hoe ben je tot de blozende kaakjes gekomen?

Van Caeckenbergh: Ik wilde nederigheid in beeld brengen. Nederigheid heeft voor mij iets te maken met schaamte. Je bent beschaamd over wat je doet, maar je tracht trouw aan jezelf te blijven, ook al kan dat leiden tot afkeuring door anderen. Het lijkt hoogmoedig af te wijken van de norm, maar soms moet je nederig genoeg zijn om jezelf te aanvaarden zoals je bent. Als iemand iets niet mag doen, maar op heterdaad wordt betrapt, dan begint hij of zij te blozen. De blos is een leugendetector. Later vond ik bij Darwin een tekst over het uiten van emoties bij mensen en dieren. Dieren blozen niet. Ik heb eens een zelfportret gemaakt dat alle mogelijke gebreken vertoonde: een dikke buik, een bochel, een hazenlip, konijnentanden, flaporen: allerlei deformaties die als lelijk beschouwd worden, maar die door hun samenkomst iets sympathieks opriepen. Daar vormden die blozende kaakjes een onderdeel van. Mensen als Mendel en Darwin geven mij moed. Weet je dat Mendel zijn eerste artikel gepubliceerd heeft in een lijfblad van duivenmelkers en dat hij daar blij mee was? En Darwin! Twintig jaar na zijn belangrijkste bevindingen, durfde hij er nog niet over spreken met zijn vrouw, die heel gelovig was. Hij schaamde zich voor zijn bevindingen, voor zijn geheime leven. Toen ik dat las, viel alles samen in een mooi moment: zijn eigen schaamte, zijn tekst over het uiten van emoties bij dieren, Mendel, en mijn eigen pogingen trouw te blijven aan mezelf door alles klein te houden. Schroom is belangrijk. Toen mijn moeder ontslagen werd in de textielfabriek waar ze werkte, nam ze overdag de zorg op zich van enkele neefjes en nichtjes. Als een kind naar het toilet moest, ging ze eerst zelf tien minuten op de houten bril zitten om die op te warmen. Ze was beschroomd over de gebrekkigheid van onze sanitaire voorzieningen. Die schroom en nederigheid inspireren mij.

Het heeft ook iets te maken met traagheid. Ik vind dat we trager met de wereld moeten omgaan. Trager en nederiger. Mensen met een trage, nederige en intieme omgang met de wereld hebben vaak een heel grote invloed. Het ontroerende aan Darwin is dat hij die traagheid aanvaardde. En dat is dan de censuur: dat je niet naar buiten kan brengen wie je bent of wat je doet. Darwins stamboom van de evolutie, bijvoorbeeld. Aan het hoofd van de spar staat de mens, maar dat was een compromis, dat stemde niet overeen met Darwins bevindingen. Het was een compromis. Een vorm van aanvaarding van de traagheid van de vooruitgang.

95% van mijn tijd is gewijd aan dwaaltochten, verzamelingen, opeenstapelingen zonder dat ik veel zin heb er iets mee te doen. Ik heb het vermogen dingen te laten sluimeren. Ik kan gedachten koesteren zonder ze om te zetten in afgewerkte beelden. En plotseling komt dan alles samen en beleef ik enkele seconden van geluk. Dat is nooit spectaculair en ik moet er heel hard voor werken, maar voor mij is dat het mooiste. Iets kan hier drie of vier jaar liggen, plotseling pak je het vast en komt het spontaan naast iets anders te liggen, waar het bij hoort. Zo gaat het vaak: het werk vloeit voort uit een eenvoudige geste, een kleine beweging, een kleine geur, een kleine tast, een kleine smaak, een alledaagse omgang met het leven, op het ritme van je gezin. Niks spectaculairs: een krantenkop, een opmerking van je dochter, een vraag van de buurman. Plotseling vermengen alle zintuigen zich en klikken de dingen ineen. Daar ben ik naar op zoek, dat is de kern van alles. Waarom? Omdat alle dingen met elkaar verbonden zijn. Vaak zijn het de begrippen die ons in verwarring brengen, die ons beletten te doen wat we moeten doen.

- Je probeert los te staan van beperkende begrippen, maar je ontwerpt wel structuren om je verbeelding in te tomen.

Van Caeckenbergh: Ja. Stambomen, bijvoorbeeld. Voor mij heeft verbeelding meer te maken met beperken dan met loslaten. Ik kan heel snel ontsporen. Als ik mezelf niet beperk, kan ik niet meer nadenken of handelen, omdat ik dan louter in mijn verbeelding leef. Eén zin in een boek kan mij lanceren in mijn eigen wereld, waardoor ik niet meer in de wereld zit van de persoon, de schrijver, die mij iets wil aanbieden. Dat is ziekelijk. En daarom heb ik grondpatronen nodig, structuren, ook al maken ze mij afhankelijk: de vorm van een boom, een bed, een vorm van architectuur.

- Je houdt van het werk van Calder.

Van Caeckenbergh: Ik vind dat heel mooi. Het ademt maakplezier. Het laat de lucht circuleren. Het toont de lucht. Het helpt je ademhalen. Ik hou van de eenvoud van zijn werk.

- Calder is een groot wegknipper. Zoals On Kawara.

Van Caeckenbergh: Ik vind ze allebei fantastisch. Soms ben ik er doodjaloers op.

- Hou je ook van het werk van Bernd Lohaus?

Van Caeckenbergh: De bronzen paletten bij Stella vond ik aangrijpend.

- Zou je nog iets willen vertellen over ‘De Hemelpoort’ die te zien zal zijn in Museum M in Leuven?

Van Caeckenbergh: Oorspronkelijk had ik dat werk gemaakt als poort voor ons dorp. De wachters hebben een lijf dat bestaat uit grote kookpotten, het waren goede dorpelingen die pot au feu maakten om je warm te ontvangen. Wie het dorp wilde betreden, moest wel alles afleggen, zoals ik ook mijn wereld achterlaat als ik mij onder de mensen begeef. Toen ik de uitnodiging kreeg iets te maken voor de Vlaamse vertegenwoordiging in Londen, leek het mij een geschikt werk voor een hautaine ambassade-achtige omgeving. Het werk probeert een beeld te zijn voor nederigheid en verdraagzaamheid. In het werk kwam bijvoorbeeld het beeld voor van een vogel en een poes die van hetzelfde schaaltje melk drinken. Ik heb ooit iets geschreven over het fatale instinct bij dieren. Dat is een begrip van Konrad Lorenz, een fantastisch wetenschapper voor wie ik veel respect heb, dat inhoudt dat dieren zich er niet van kunnen weerhouden elkaar te doden. Lorenz geloofde dat alles geblokkeerd zit in pure agressie. Ik geloof dat er manieren zijn om te ontsnappen. Er komen ook blozende kaakjes voor in het werk. De Hemelpoort gaat over dogmatiek en tolerantie. Het is een uitnodiging stil te staan bij de kleine dingen. Maar als ik daarover begin te vertellen, kom ik automatisch in de sprookjeswereld terecht, bij de fabels van Aesopus, bijvoorbeeld, met verhalen die vaak neerkomen op morele kwesties: ben je goed of slecht? Ik vind dat een belangrijke vraag.


Montagne de Miel, 29 november 2011