Hans Theys is een twintigste-eeuws filosoof en kunsthistoricus. Hij schreef en ontwierp tientallen boeken over het werk van hedendaagse kunstenaars en publiceerde honderden essays, interviews en recensies in boeken, catalogi en tijdschriften. Al deze publicaties zijn gebaseerd op samenwerkingen of gesprekken met de kunstenaars in kwestie.

Dit platform werd samengesteld door Evi Bert (Centrum Kunstarchieven Vlaanderen). Het kwam tot stand in samenwerking met de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen (Onderzoeksgroep ArchiVolt), M HKA, Antwerpen en Koen Van der Auwera. Met dank aan Idris Sevenans (HOR) en Marc Ruyters (Hart Magazine).

ESSAYS, INTERVIEWS & REVIEWS

Dennis Tyfus - 2004 - Het tedere lawaai van arceringen van acne [NL, interview],
, 9 p.




__________

Hans Theys


Het tedere lawaai van arceringen en acné
Een gesprek met Dennis Tyfus



Dennis Tyfus heeft platenhoezen getekend voor groepen als Bul Bul, Monguito, Porn Robot, Monno, Doom, Pengo, The Japanese Karaoke Afterlife Experiment, TBTTBC, Almanak, Autistik Youth, Augsburger Tafel Confect, XBXRX, Total Shutdown, Cassini Division en Bohr Bug. Vorig jaar tekende hij 300 unieke platenhoezen voor een single van de groep Trumans Water uit Portland. Hij heeft ze tentoongesteld in Lokaal01, rustend op drie rijen balken tegen de muur… Zaterdagmiddag tussen twee en drie heeft hij een programma op Radio Centraal waar hij mensen per telefoon muziek laat maken. ‘Barr uit LA, bijvoorbeeld, een neurotische babbelaar op hip hop beat, die niks te maken heeft met de machocultuur van de hip hop. Hij neemt een gesampelde beat en babbelt daar gewoon over. Doet zijn ding ook in galerieën. Pol Matthé heeft hem in LA gezien. Hij ging een performance doen en Pol was de enige toeschouwer. Hij heeft toch gezongen, alleen voor Pol, vijf nummers na elkaar.’ Andere mensen die al telefonisch muziek hebben gemaakt in zijn programma zijn The Blow, Lucky Dragons, Bobby Birdman, Coco Rosie, Hyperkinako, Devendra Banhart, Jenifer Gentle, Jacob Berendes en Felix Kubin… Zelf zingt hij momenteel in een groep die Darkbrown Feeling heet. Ze zijn bijna een jaar bezig. Ze zijn met vijf zangers of muzikanten. Als ze gaan optreden neemt een van hen een CD op zonder er iets over te vertellen. Ze hebben allemaal een koptelefoon op en luisteren naar die CD. Iedereen zingt of speelt mee. De muziek in de koptelefoons staat zo luid dat ze zichzelf of de anderen niet kunnen horen. ‘Dat is heel grappig, want je denkt dat je heel goed bezig bent, omdat die muziek zo goed klinkt in de koptelefoon. Maar wat de toeschouwers horen is echt beschamend.’ Voor een optreden in de Ancienne Belgique hadden Vaast Colson en Pol Matthé voor elke muzikant een sokkel van verschillende hoogte gebouwd, zodat ze allemaal even groot waren. ‘Deze maand treden we nog op in Frankfurt en in Stuttgart, maar dan houden we ermee op, want de mensen beginnen het te goed te vinden. Het moet ook niet blijven duren.’

Overal in Antwerpen tref je tekeningen aan van Dennis Tyfus, meestal in de vorm van een sticker, een strooibrief of een affiche. Zo heb ik de voorbije jaren kennis gemaakt met zijn werk. De man zelf heb ik voor het eerst ontmoet in de lente van dit jaar. We hebben niet met elkaar gesproken. Toch ging het voor mij om een belangrijke ontmoeting.

Vaast Colson, Lieven Segers, Pol Matthé en nog een paar leden van het intussen opgeheven kunstenaarscollectief Frigo zouden in Lokaal01 een houten trap terugplaatsen die ze naar aanleiding van een actie hadden verwijderd. Ik zou hen filmen. Ik was te vroeg. In de kale ruimte, overdonderd door het gedruis van een blazend verwarmingstoestel, zat Tyfus te werken aan een doek van ongeveer twee bij zes meter. Drie weken later zou zijn tentoonstelling bij Stella Lohaus van start gaan. Omdat hij niet beschikte over een ruimte die groot genoeg was voor dit soort werk, hadden de mensen van Frigo hem de leegstaande ruimte van Lokaal01 aangeboden.

Ik ging zitten en keek. Tyfus droeg een donkerblauwe jas met op de rug een gezeefdrukte, oranje tijgerkop op een witte achtergrond. Metalen studs in de revers. Het blonde haar achteraan lang en vooraan kort. Een jeansbroek van een onbestemd merk. (Mensen die thuis nog broeken of schoenen hebben die hem misschien kunnen passen mogen die altijd opsturen. Als ze passen stuurt Tyfus iets terug.) Ik zit naar Tyfus te kijken en ik ben verbluft en verrukt.

Schilders laten zich niet graag op de vingers kijken, maar Walter Swennen, Viviane Klagsbrun, Michel Frère, Damien De Lepeleire, Filip Denis, Xiao Xia en Vaast Colson hebben mij urenlang naar hen laten kijken terwijl ze aan het werk waren. Ik kan zien wanneer een schilder er iets van bakt. Wat ik toen in Lokaal01 zag was echter alleen vergelijkbaar met wat ik heb gezien toen ik Panamarenko in een Japans restaurant vroeg om de schutbladen voor het grote Panamarenko-boek te tekenen. Ik had vier A3 bladen en een zwarte Pentel-stift meegebracht. Panamarenko schoof zijn bord opzij en tekende zonder aarzelen, maar rustig, de vierentwintig gestileerde weergaven die zonder enige wijziging zijn overgenomen voor de schutbladen van het genoemde boek. U moet eens naar die tekeningen kijken. De afgebeelde sculpturen worden bijna altijd vanuit een schuine hoek bekeken. Ze wonen in de ruimte. De tekeningen vloeiden uit Panamarenkos pen alsof ze altijd al hadden bestaan.

Met dezelfde, gestage aanpak overdekte Tyfus van links naar rechts de uit blauwe, groene, roze, zilveren en paarse vlakken of vlekken bestaande fond van het reusachtige doek met een verstoord filigraan van zwarte tekeningen en woorden. Bovenop zijn hand, losjes balancerend tussen duim en wijsvinger, lag een dikke verfstift. Ik herinnerde mij de ontspannen, maar precieze manier waarop Xiao Xia op enkele minuten tijd een draakje uit marmer sneed. De man sneed al draakjes sinds zijn kindertijd… Ik vroeg Tyfus of ik hem mocht filmen. Ik mocht.

Vrijdag, 3 september 2004. Ik zit in een kamer met bescheiden afmetingen, waarvan één wand bestaat uit twee grote ramen die een blik bieden op een brede, geplaveide straat waarvan het oneffen oppervlak de banden van de voorbijrijdende auto’s laat roffelen. Af en toe rijdt een tram voorbij. Boven de tegenoverliggende huizenrij verrijst een kerktoren, die vanuit mijn gezichtspunt samenvalt met een zwarte tekening van een uil die is aangebracht op een stuk doorzichtige film, die op zijn beurt op het venster is bevestigd met een stukje tape. De kleurvlek van de kerktoren voorziet het pokdalige gearceerde lijf van de uil van een achtergrond die contrasteert met de omringende, blauwe hemel.

Ik zit aan een keukentafel. Tegenover mij zit Dennis Tyfus icoontjes voor badges te tekenen. Met een prachtige metalen doordrukmachine ponst hij papieren schijfjes die hij één voor één voorziet van een zwarte lijntekening en vervolgens rond die tekening inkleurt. Dan worden ze ingekapseld. Alle tekeningen lijken te lukken. Dezelfde trefzekerheid als in Lokaal01.

Achter Tyfus staan rekken met duizenden CD’s en vinylplaten. De hele kamer ligt vol met affiches, posters, stickers, flyers, T-shirts, tekeningen en boeken.

Tyfus vertelt dat hij is beginnen tekenen op zijn vijfde.

‘Een kleuterjuffrouw had mijn moeder schrik aangejaagd door haar wijs te maken dat ik niet kon tekenen en dat zoiets niet normaal was. Sindsdien ben ik niet meer gestopt met tekenen. Mijn tekeningen hebben altijd te maken met sfeer, met een sfeer waar ik naartoe wil, met dingen waarvan ik vind dat ze het leven aangenaam maken. Ik hou van de tekeningen die in de jaren tachtig en negentig op skateboards stonden. Ik vind dat heel schoon, fantastisch en direct. Er zit een gruwelijkheid in die ik schoon vind. Het is de eerste vorm van kunst die mij aansprak. Er waren 1001 skateboardmerken. Elk merk had een team dat deelnam aan wedstrijden en films maakte. Elke profskater had een eigen bord met een eigen design erop, een tekening van een skatekunstenaar.

Hier zie je een bekend skateboard. Het is van het merk Santa Cruz en van de prof Rob Roskopp. De tekening is van Jeff Phillips. Sinds mijn zesde ben ik geïnteresseerd in skaten. Ik kan het zelf niet, maar ik heb het wel vaak geprobeerd. Mijn eerste skateboard was een Rob Rosskop, maar een andere dan deze. Toen ik klein was heb ik eens een skateboard gevonden op een stort. Ik heb de griptape eraf gehaald en er zat een tekening onder. Het was een Ron Allen model.

Dit is een boekje van Ed Templeton, een skateprof die in 1990 voor het merk New Deal begon te skaten en in 1993 het merk Toy Machine opstartte. Hij is zelf de grafische vormgever van Toy Machine. Ik heb zijn werk voor het eerst gezien in platenwinkels, waar ik op zoek was naar independent muziek. Ik vond het prettig zijn werk te ontdekken, maar verder heb ik geen buitensporige bewondering voor hem of zo. Ik vind het heel moeilijk om iemand op een voetstuk te plaatsen en te adoreren, om fan te zijn. Maar ik ben wel altijd op zoek naar mensen die hetzelfde doen als ik, die ook lawaai en tekeningen maken. Meestal wonen ze in andere landen. We ruilen dan lawaai en tekeningen, we sturen pakjes met flyers en stickers naar elkaar.

Je kan ook samen tekeningen maken. Je kan werken in verschillende lagen. Jij maakt de eerste laag en iemand anders de tweede.

Een paar weken geleden was er in Hasselt een optreden van Devendra Banhart en The Queens of Sheeba. Ik had een afspraak met Kyle Field, die met die gasten op toer is. Hij is van Californië. Mijn stickers plakten al op zijn gitaar. We hadden het plan om op één dag tijd een boekje te maken, daar, na dat optreden. Uiteindelijk is dat te weinig voor een boekje, het zag er anders uit dan we verwacht hadden. Daarom hebben we besloten onze tekeningen in lagen over elkaar te drukken in de vorm van een grote uitklapbare zeefdruk met een vinylplaat of een CDR erbij, zodat het een pakketje wordt. Het kan ook een sticker, een poster of een T-shirt worden.

Soms koop ik een plaat alleen maar voor de hoes. Kennissen verbazen zich er vaak over dat ik naar een bepaald soort muziek luister. Vaast Colson zegt dat ik naar muziek luister met mijn ogen. Hij heeft gelijk. Ik moet visueel geraakt worden door iets, anders hoeft het voor mij niet. Als een website niet schoon gepresenteerd is naar mijn normen, dan ga ik dat niet lezen. De hoes is op een bepaalde manier even belangrijk als de plaat.

Het plezantste vind ik de platenhoezen ontdekken en bekijken, de plaat eruit halen en opleggen. Dat heeft iets magisch, net zoals drukwerk gaan afhalen… Dat vind ik gewoon fantastisch, daar krijg ik bij wijze van spreken een stijve van.

Op die manier ontdek ik de meest uiteenlopende soorten muziek, zoals The Housebound Spirit van Leafcutter John of de platen van Joanna Newsom. Maar ik luister ook naar Trumans Water, Amber van Autechre of grindcore zoals Thanks for your Hostility van Agathocles.

Ik ben de hele tijd bezig. Ik verzamel mooie voorwerpen. Ik zorg ervoor dat er iets gebeurt. Het resultaat hoeft geen tentoonstelling te zijn. Het kan ook een platenhoes worden, een plaat, een T-shirt, een sticker, een flyer, een affiche, een tijdschrift, een boek, een radioprogramma of een optreden. Af en toe geef ik iets moois uit. Vorige maand heb ik in Nederland een boekje gezeefdrukt. Het heet UltraEczemaNr.5. Ultra Eczema is de verzamelnaam voor mijn acties of uitgaven.

Op dit moment ben ik onder andere bezig met opnames van kinderen die lawaai maken. Ik verzamel inzendingen van verschillende mensen tot ik genoeg heb om een CD te vullen. Maar ik denk niet dat ik er daarna mee ga stoppen. Ik vind het maf dat kinderen die noise maken dat veel echter doen dan volwassenen. Bij kinderen wordt het soms echt puur lawaai. Mijn eerste plan was een kleurboek voor kinderen te maken en daar die CD bij te voegen, maar ondertussen is de CD belangrijker geworden. De titel wordt UltraEczemaNr.10. Drawings and Sounds Kids Can Easily Recognize.

UltraEczemaNr.1 en Nr.2 heb ik op de middelbare school gemaakt. Het waren boekjes met linkse, politieke columns, interviews met punkgroepen en grindcore groepjes, besprekingen van punkplaten, lelijke punkcollages met uiteengereten gezichten, typische punkesthetiek.

UltraEczemaNr.6 is een bedrukt T-shirt. Nr.7 wordt waarschijnlijk een ‘splitsing’. Aan de ene kant komt er een nummer van Black Elf Speaks en aan de andere kant een parodie op die Noorse Black Metal dingen, met van die teksten waarin ze zwangere vrouwen in hun buik steken en in het water gooien. Ik zou dat plaatje vanuit Noorwegen willen opsturen. UltraEczemaNr.8 wordt een CDR met radiofonisch en telefonisch lawaai van Augsburger Tafel Confect. Nr.9 wordt een optreden van Little Wings en Bloated Ego and the Compliments. Nr.11 wordt een CD met muziek van Bob en Lou, twee mannen van Radio Centraal die al twintig jaar analoge synthesisermuziek en industriële muziek maken maar nog nooit hebben uitgegeven. Nr.12 wordt een CD met muziek van Feast Whisperpants & Penis T-Flush.

Ik wil dingen maken die ik kan ruilen met mensen die hetzelfde doen. Kijk, dit pakket met stickers en flyers heb ik vanochtend ontvangen. Het is hier elke dag Sinterklaas.

Dit is een tourposter op glossy papier voor de groep Lightning Bolt.

Dit T-shirt hebben ze in LA gemaakt, maar ze hebben mijn aanwijzingen niet opgevolgd en het lijkt nergens op. Eerst moesten ze die krabbel in het fluogroen drukken, links gedecentreerd op een wit T-shirt, en daar moesten ze die zwarte lijntekening over drukken. De krabbel is de inkleuring van de lijntekening, natuurlijk. Maar ze hebben de lijntekening centraal geplaatst en haar zelf groen ingekleurd. En de krabbel hebben ze op de rug gedrukt. En de T-shirts zelf, daar kun je een tent van bouwen, zo breed zijn ze. Ik had strakke T-shirts gevraagd, geen vlaggen. Bovendien waren ze oranje in plaats van wit.’

We luisteren naar muziek van Agathocles, Devendra Banhart, Joanna Newsom en Trumans Water.

Ik vertel Tyfus over de dag dat ik hem heb gefilmd in Lokaal01. Dat ik getroffen was door de manier waarop hij de prachtige fond van het zes meter brede schilderij gaandeweg vol tekende, alsof hij zich niet kon vergissen. Wist hij vooraf wat hij zou tekenen?

‘Ik maak nooit schetsen, ik bereid nooit iets voor,’ vertelt hij. ‘Ik teken al mijn hele leven. Maar die dingen die je hebt gezien waren geen schilderijen. Je noemt het schilderijen, omdat ze op doek gemaakt zijn, maar voor mij zijn het toch eerder tekeningen. De fonds zijn gemaakt met spuitbussen. De tekeningen zijn gemaakt met Posca-stiften. Dat zijn acrylstiften met een indrukbare tip. Als de tip heel nat is kan je erop blazen en splatterdingen doen.’

Ik blader door UltraEczemaNr.5, een boekje waarin Tyfus een aantal tekeningen heeft samengebracht die tot stand kwamen in de zomer van 2004. Als u dit boekje ooit zelf in handen krijgt moet u kijken naar de manier waarop de arcering, de inkleuring, de rasterpunten, de bolletjes, het dansende rode fruit, de baardstoppels, het kortgeknipte haar, de puisten, de tranen of de zweetdruppels, het pluche van de knuffelbeesten, de textuur van een wollen trui en de schors van een boom allemaal varianten zijn van dezelfde vorm: streepjes of lege spatjes, korrels, klonters, groeisels, vermomd of veredeld acné. Kijk naar de manier waarop hij werkt met uitgespaard wit en de manier waarop dit soms voorkomt in de vorm van minieme streepjes, bijvoorbeeld in de tekeningen op de kaft. De uitgespaarde streepjes worden vogelstronten. Voorgrond en achtergrond verwisselen van plaats.

Onlangs ontmoette ik de kunstenaar Dimitri Vangrunderbeek, die Tyfus heeft bezig gezien in Duitsland. ‘Hij hing ingelijste tekeningen aan de muur,’ vertelde hij, ‘en dan zette hij die tekeningen gewoon voort op de muur. De tekeningen bleven groeien en riepen telkens weer nieuwe tekeningen op. Sterk.’

Vorige maand zag ik in de Kaaiman een door Dennis Tyfus georganiseerd optreden van Little Wings, een groep die bestaat uit twee muzikanten, waaronder Kyle Field. Field ziet eruit als de jonge Coppola. Hij heeft een mooie, zwarte baard. Hij neemt een sigaret over van iemand in het publiek, trekt eraan en geeft ze door aan zijn collega. Ze maken wondermooie, pretentieloze muziek, die ouwe zakken die nog niet van new folk hebben gehoord zal doen denken aan Neil Young. Denk aan Neil Young, maar dan meer ontspannen. Losser. Beter. Bijna niks. De gedurfde, overweldigende naaktheid van Woody Guthrie. De eenvoud van Jimmie Rodgers of Hank Snow, maar dan met een hoge stem en zonder een vastgebakken bluespatroon.

‘We hebben al twintig aardige mensen ontmoet in deze stad,’ vertelt Field. ‘We trekken al jaren van stad naar stad, maar soms ontmoeten we niemand die aardig is. Dus zijn we vandaag gelukkig. We zijn vandaag gelukkig, omdat we twintig aardige mensen hebben ontmoet.’ Hier wordt hij onderbroken door een persoon in het publiek die iets tegen hippies heeft. ‘Yes, we’re antiques,’ vervolgt Field, ‘but antiques are in.’ Daarop vraagt iemand hem of hij een song van Dylan wil spelen. ‘I like Dylan,’ vertelt hij, ‘but I prefer playing my own songs. Everybody should play their own songs. Not because it’s better, but because it’s more fun.’

Kyle Field komt veertig jaar na Neil Young en vijftig jaar na Woody Guthrie, net zoals Joseph Beuys veertig jaar na Kurt Schwitters kwam en Andy Warhol vijftig jaar na Marcel Duchamp. Veertig jaar is niks. Daar is geen breuk. De vormen blijven in elkaar overgaan, wars van elke intellectuele bemoeienis, tot een enkeling ze een nieuwe, herkenbare gestalte geeft. Niemand stuurt dit, niemand kan dit begrijpen, we kunnen het alleen maar vaststellen.

Achter de grote tekeningen van Tyfus lees ik de polyfocale monochromen van de abstract expressionisten, de met krabbels ingekleurde kleurboeken van kinderen, de Amerikaanse gekleurde kinderboeken uit de jaren veertig en vijftig met hun scheef ingevulde illustraties, die een weerslag kregen in de zeefdrukken van Warhol, de vroege schilderijen van Warhol, de radicaliteit van Dany Devos, Bonjour Mr. Courbet, de tekeningen en de muziek van Robert Crumb, Mort à crédit, de tips van professeur Choron, de poëzie van Jarry, Apollinaire en Topor en zoveel andere zaken die samen de hutsepot vormen waaruit altijd weer nieuwe vormen getrokken zullen worden.


Montagne de Miel, 6 januari 2004. Cyriel opgedragen