Hans Theys is een twintigste-eeuws filosoof en kunsthistoricus. Hij schreef en ontwierp tientallen boeken over het werk van hedendaagse kunstenaars en publiceerde honderden essays, interviews en recensies in boeken, catalogi en tijdschriften. Al deze publicaties zijn gebaseerd op samenwerkingen of gesprekken met de kunstenaars in kwestie.

Dit platform werd samengesteld door Evi Bert (Centrum Kunstarchieven Vlaanderen). Het kwam tot stand in samenwerking met de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen (Onderzoeksgroep ArchiVolt), M HKA, Antwerpen en Koen Van der Auwera. Met dank aan Idris Sevenans (HOR) en Marc Ruyters (Hart Magazine).

ESSAYS, INTERVIEWS & REVIEWS

Kati Heck - 2008 - Over ensceneringen, verkleedpartijen en opa-achtige figuren [NL, interview],
, 5 p.

About the text ‘Kati Heck. Ensceneringen’ (2008).

 

Surprised by the technical quality, poetic power and playfulness of Kati Heck’s paintings, I asked her if I could visit her regularly during a period of one year (2008) to follow the evolution of her work. She agreed.

In this interview the artist explains the origin of her (visual) working method. She points out two main sources of the way she uses ‘actors’ (relatives or friends) to stage scenes she wants to depict. The first source were the charades her family was fond of. The second source was a job she held as a student, helping out an uncle who had a photographic studio at German beer festivals, where people could dress up and have themselves photographed. The artist also reveals that certain details derive from physical and other characteristics of family members such as her grandfathers.



__________

Hans Theys


Over ensceneringen, verkleedpartijen en opa-achtige figuren
Een gesprek met Kati Heck



Kati Heck: Ken je Bissy Bunder? Dat is een groep die een aantal madammen en ik hebben opgericht: Julia Wlodkowski, Johanna Trudzinski, Michèle Matyn, Tina Schott en Rani Bageria. We doen optredens, maar niemand van ons is echt muzikaal of kan zingen. Behalve Rani, die is wel muzikaal, maar ze is naar Parijs verhuisd. Ons eerste optreden vond plaats in november 2006, naar aanleiding van Extra (sic): het afscheid van Factor 44. Toen zongen we Sag mir wo die Blumen sind. Sinds je laatste bezoek hebben we nog eens opgetreden. Deze keer is het een soort van theaterstuk geworden. We hebben een verhaal verteld, dat we hebben uitgebeeld met kostuums en decorstukken.
    Eigenlijk maken we tableaux vivants, zoals je die ook aantreft in mijn schilderijen. Als jong meisje assisteerde ik mijn oom, die op bierfeesten een soort van kraam uitbaatte, waar de feestgangers zich konden laten fotograferen in historische kostuums. Van hem heb ik geleerd hoe je met mensen een klassieke compositie maakt, zoals op 19de-eeuwse, ingekleurde huwelijksfoto’s. Mijn schilderijen ontstaan in mijn hoofd. Eerst maak ik schetsen. Dan vraag ik vrienden of modellen om te poseren voor foto’s, die ik gebruik als voorbeeld.

- Vorige keer vertelde je dat je op zoek was naar een onderwerp voor de bovenzijde van de grote triptiek, omdat je de mislukte grondering wilde verbergen.

Heck: Ja. Dat experiment met die emulsiegrondering was een poging iets nieuws te proberen. Als je altijd doet wat je gewend bent, wordt het vervelend. Toen ik het schilderij voor Maskesmachine maakte, had ik nog nooit een beeld op de achtergrond geschilderd en nog nooit een woud. Ik heb geprobeerd het beeld van een woud op te roepen, maar het was heel moeilijk te weten te komen hoe het licht valt op een gekronkelde boom en met welke kleuren ik dat moest weergeven. Het schilderen van die boom heeft lang geduurd, ik kon er geen diepte in krijgen.

- Je hebt het schilderij ook voorzien van een zware, houten lijst. Wilde je zo een bijkomende diepte verkrijgen?

Heck: Dat is begonnen als een grap, maar het zag er heel goed uit. Nu maken mijn man Greg en ik zelf houten lijsten. Tijdens het nazi-tijdperk werden schilderijlijsten bovenaan versierd met arenden. Later werden die arenden eraf gezaagd, maar vaak zie je nog resten van hun pootjes. Bij ons worden het naar voren kantelende bierpullen met overlopend schuim…

- Ik heb je onderbroken… Je had het over het zoeken naar uitdagingen, bijvoorbeeld door te proberen een gekronkelde boom te schilderen.

Heck: Ik beheers de schildertrucs niet. Je ziet dat ook aan het schilderij Keine Zeit für Meisterwerke (Himmelfahrtskommando). De personages staan op een vlag, als op een vliegend tapijt, maar het perspectief klopt niet. De vlag kantelt naar voren. Dat was niet de bedoeling. Vanochtend was ik weer op zoek naar boeiende afbeeldingen van Middeleeuwse steden, maar eigenlijk interesseert het mij niet. Het interesseert mij ook niet te weten hoe Delacroix en Otto Dix hun schilderijen prepareerden en met welke kleuren ze bomen weergaven… Ik heb mij nooit een schilder gevoeld. Ik ben niet geïnteresseerd in verf, ik heb ‘s morgens geen snuifje olieverf nodig…

- Waarom schilder je, denk je?

Heck: Ik weet het niet. Ik denk dat ik in de eerste plaats graag beelden samenstel. Ik ensceneer graag. Ik heb dat altijd gedaan, zelfs voor ik bij mijn oom op die bierfeesten ging werken. Mijn familie werkte ook altijd graag mee. Op een dag heb ik het hele gezin in een roos kleedje gezet.

- Wat was de bedoeling?

Heck: In onze garage stond een spiegeltafel die mij op het idee bracht een operatie van roos fruit uit te beelden, roos fruit met stekels, wit vanbinnen met zwarte puntjes. Het lijkt een beetje op een kiwi. Het tafereel was gebaseerd op wat ik mij herinnerde van Rembrandts schilderij De anatomische les van Dr. Nicolaes Tulp. Een gigantische Bijbel fungeerde als medisch naslagwerk. We gebruikten allerlei werktuigen die we in de garage gevonden hadden. Ze deden een beetje denken aan sommige werktuigen in het Ghislain-museum, die vroeger gebruikt werden om in het hoofd te kijken.
    Ik hou van het ensceneren, maar ook van het plezier van de samenwerking. Het is leuk dat de modellen je moeten meehelpen om je werk goed te maken. De samenwerking maakt het werk beter. De leden van ons gezin helpen elkaar graag. Mijn vader kan ik alles vragen, al heeft hij wel eens geweigerd de houding aan te nemen van een plassende hond. Ik vroeg hem eens hoe ik een tentoonstelling moest noemen en hij zei: Schaschlik in Liechtenstein. Soms stellen ze minder geslaagde ideeën voor die ik dan omdraai.
    Vorige keer heb ik je verteld, dat het drieluik waar ik nu aan werk gebaseerd is op de Großstadt-Triptych van Otto Dix. Ik ga dat schilderij natuurlijk niet kopiëren, maar ik ga er wel elementen uit gebruiken. Een van de dingen die mij boeien, is dat het centrale paneel een rode, bijna oranje indruk maakt, terwijl het ene zijpaneel naar het blauwe neigt en het andere naar een groenig bruin. Op het centrale schilderij zie je dansende burgers, omringd door muzikanten. Ze genieten, maar ze zien er ook griezelig uit, met hun te dunne kleedjes. In mijn versie krijgt de dikke man de gedaante van Andrew Webb, zoals je kan zien op de houtsnede die daar achter je ligt. Naast Webb komt een viriele Hans Wuyts.
    Op het rechter zijluik van de Großstadt-Triptych zie je de prostituees, die door een marmeren stad lopen. Bij mij komen de meiden op het middenluik. Op het linker zijluik van het schilderij van Otto Dix zie je een bedelende oorlogskreupele. In mijn schilderij krijgt die de gedaante van Guy Rombouts. Naast Guy komt Ingrid, het beste model van de Antwerpse academie. Die heeft lange borsten. Ik wil dat ze een borst op haar hand draagt, met een sigaret in haar mond. Ik hoop dat ze dat kan en wil doen.
    Maar voor het bovenste gedeelte van het schilderij heb ik geen enkel idee. Ik heb niets kunnen bedenken om de vlekken te verbergen. Toen dat doek hier aankwam dacht ik: shit, het is een beetje te groot. Misschien breng ik bovenaan letters aan, op banderollen. Onlangs was ik in het Unterlinden museum in Colmar. Dat was prachtig. Het Retable des Dominicains, Le Christ au limbes, La chasse mystique. In Venetië zijn de schilderijen vol, het werk van de Duitse houtsnijders is terughoudender, met minder versieringen. Wat erop moet staan, staat erop. (We hebben met Bissy Bunder geprobeerd banderollen te maken, maar het is heel moeilijk papier zodanig te knippen dat het op banderollen lijkt.)
    De voorbije weken heb ik met ecoline aan een abstracte achtergrond gewerkt, maar het trekt op niks. Normaal gezien is de grondtoon van mijn schilderijen veel warmer. Ik begin altijd met een portret of een lichaam, dat ik rechtstreeks aanbreng op het bruine doek (dat alleen behandeld is met twee lagen huidlijm om het doek op te spannen, zoals ik je al vertelde). De overige rekwisieten, bijvoorbeeld op de achtergrond, komen pas achteraf en apart tot stand. Normaal werk ik persoon per persoon af, ik werk nooit aan verschillende figuren tegelijk. Aan de academie leren ze je van eerst de ondergrond aan te brengen en die zonodig te laten doorschemeren, maar ik gebruik daar liever de kleur van het doek voor. Nu ben ik wel met een abstracte achtergrond begonnen, maar ik heb de vorm van de personen uitgespaard. Misschien zullen ze uiteindelijk wit omlijnd zijn, alsof ze aan de achterkant beschenen worden door de zon, zoals het geval was in het schilderij Beispielbürger mit Tod und Teufel.
    Ik ben ook niet tevreden met de foto, maar Rani zit in Parijs, Tina zit in IJsland en Lisa Jeanin is ook al verdwenen. Het is ook zo moeilijk ze allemaal correct op de foto te krijgen. Het zou eenvoudiger zijn als ik kon werken met mensen die ik niet kende, maar daar ben ik niet toe in staat. Ik vind het zo vreemd om naar mensen toe te stappen en hen te vragen om te poseren. In de Lange Batterijstraat wonen bijvoorbeeld veel opa-achtige figuren met heel goeie koppen. Ik fiets altijd door die straat in de hoop hen beter te leren kennen. Ik kan toch moeilijk bij zo’n mens arriveren met een krat bier en vragen: kan ik hier geen foto’s komen maken? Afijn, ooit zal ik misschien wel werken met modellen die ik niet persoonlijk ken, maar nu ben ik er nog niet klaar voor.
    Ik heb natuurlijk ook echte opa’s. Die van vaderskant heeft in een kerncentrale gewerkt, in Amerika, met Werner von Braun. Mijn andere opa diende aan het Oostfront bij de Waffen SS. Hij is gevangengenomen door de Russen. Hij bestuurde een pantservoertuig. Op een dag lagen ineens de hersenen van een vriend op zijn hoofd. Een van zijn tenen is afgevroren. De Russen hadden betere schoenen dan de Duitsers. Aan het eind van de oorlog heeft hij het naamplaatje van een dode genomen en is hij van naam veranderd. Zijn echte naam heeft hij nog nooit aan iemand verteld. Hij is ook nooit teruggegaan naar Königsberg, waar hij vandaan komt en nu is hij te oud. Hij heeft zijn familie nooit meer gezien. En wij ook niet, natuurlijk.
    De meeste dingen die je in mijn schilderijen ziet, heb ik ontleend aan de werkelijkheid. Ik heb geen fantasie, ik pak het zoals ik het gehoord of gezien heb. Diezelfde Waffen-SS opa heeft een granaatscherf in zijn hoofd en als de wasmachine begint te zwieren, tolt die scherf mee, zegt hij. Hij woont nog altijd in de straat waar zijn vrouw geboren is, in een dorp waar het Amerikaanse leger vandaag nog altijd gestationeerd is. Ze zorgen daar onder meer voor het transport van pantservoertuigen naar Afghanistan. Dat maakt een hels kabaal. Ze oefenen daar ook veel met granaten, wat nog meer lawaai maakt. Ik begrijp hem niet. Hij is heel triestig over wat er allemaal gebeurd is tijdens de oorlog. Hij was zestien toen hij zich vrijwillig aanmeldde om zijn vaderland te helpen en het heeft een hele tijd geduurd voor hij begreep wat er werkelijk aan de hand was. Maar tegelijk blijft hij wonen op een plek waar de oorlog nog altijd lijkt voort te duren en weigert hij te verhuizen.
    Hij staat heel graag model voor mijn schilderijen en hij is een heel dankbaar onderwerp, omdat er altijd rare dingen gebeuren met zijn lichaam. In een van mijn schilderijen komt een personage voor met een broccoli-voet. Dat beeld komt van een muggenbeet die open groeide tot op het bot, het zag eruit als een bloemkool, maar dan rood. Mijn opa was heel trots dat ik daar foto’s van maakte. Door een onzorgvuldig dichtgemaakte maagwand, had hij ook een stukje vlees hangen boven zijn piemel. Het zag er heel raar uit, het leek op een kinderhandje, maar intussen is dat veel groter geworden, er zwemt van alles in vanuit zijn buik, het is een grote zak met ingewanden geworden…
    Onze buurman was een paracommando. Daar zijn de worsten in mijn schilderijen vandaan gekomen. Ik maakte een portret van hem en zijn vrouw als worstjes die hun poes berijden. Het is een mooi schilderij geworden…
    Een andere inspiratiebron zou het Guinness Book of Records kunnen zijn, maar tot nu toe is het er nog niet van gekomen. Hoeveel tennisballen kan een hond in zijn muil dragen? Of de grootste pudding ter wereld maken! Dat moet ik zeker eens proberen.


Montagne de Miel, 26 mei 2008