Hans Theys is een twintigste-eeuws filosoof en kunsthistoricus. Hij schreef en ontwierp tientallen boeken over het werk van hedendaagse kunstenaars en publiceerde honderden essays, interviews en recensies in boeken, catalogi en tijdschriften. Al deze publicaties zijn gebaseerd op samenwerkingen of gesprekken met de kunstenaars in kwestie.

Dit platform werd samengesteld door Evi Bert (Centrum Kunstarchieven Vlaanderen). Het kwam tot stand in samenwerking met de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen (Onderzoeksgroep ArchiVolt), M HKA, Antwerpen en Koen Van der Auwera. Met dank aan Idris Sevenans (HOR) en Marc Ruyters (Hart Magazine).

ESSAYS, INTERVIEWS & REVIEWS

Louise Bourgeois - 2015 - Penelope als schikgodin [NL, review],
, 3 p.




__________

Hans Theys


Penelope als schikgodin
Louise Bourgeois bij Xavier Hufkens



Een van onze meest vooraanstaande galeriehouders, Xavier Hufkens, nodigt ons uit kennis te maken met enkele werken van Louise Bourgeois (1911-2010).

De tentoonstelling met gouaches, aquarellen en genaaide sculpturen van Louise Bourgeois is een tour de force. Voor het eerst worden de sculpturen, die allemaal blauwe hoofdjes voorstellen, samen tentoongesteld. Deze benadering is museaal. Ze herinnert ons aan de prachtige, museale tentoonstellingen van Ronny Van de Velde. De tentoongestelde schilderwerken vormen drie volledige reeksen. Iemand die nog nooit werk van Bourgeois heeft gezien, kan er hier echt een glimp van opvangen. Bovendien konden de mensen van de pers ook kennismaken met Jerry Gorovoy, dertig jaar lang de eerste assistent van Bourgeois, en met curator en auteur Philip Larratt-Smith (1979), de samensteller van het boek ‘Louise Bourgeois. The Return of the Repressed. Psychoanalytic Writings’ en de verzorger van een essay in de nieuwe catalogus die wordt uitgegeven door de galerie.

De stoffen hoofdjes zijn sculpturale hoogstandjes. Ze werden met lapjes opgebouwd rond een kern die door middel van een metalen pin op een sokkel bevestigd is. En ze werden afgewerkt met op of aan elkaar genaaide lapjes blauwe stof. Gezien dit materiaal, is hun vorm verbluffend trefzeker. Ik vraag Gorovoy hoe dit mogelijk is. Hij antwoordt dat de stof waarmee Bourgeois de sculptuurtjes heeft afgewerkt elastisch is, waardoor ze mooie, gebolde oppervlakken kon creëren. (Later vertelt Willy Vinck mij dat hoeden op dezelfde manier gemaakt worden.) De gouaches en aquarellen zijn aangrijpend, zoals bijna al het werk van Bourgeois. Deze keer ben ik bijvoorbeeld ontroerd door de ongelooflijk tedere aanduidingen van een foetus in de buik van een moeder. Als Bourgeois op haar best is, doet ze niet aan kunst, maar laat ze ons iets ervaren zoals we het nog nooit en nergens anders ervaren hebben.

Wanneer je mag schrijven over een kunstenaar wiens werk je aangrijpend vindt en je helaas iemand bent die over een overtuiging beschikt, ben je geneigd te gaan prediken, ook al bestaat je overtuiging erin dat niets definitief grijpbaar is en vaste overtuigingen platvloers zijn. Dit geldt zeker als je wil schrijven over iemand als Louise Bourgeois, die niet alleen vertrouwd was met de psychoanalyse, de literatuur, de kunstgeschiedenis en tal van grote kunstenaars persoonlijk heeft gekend, maar ook een duidelijk onderscheid maakte tussen wat een werk voor haarzelf kon betekenen en voor de eventuele toeschouwer. Voor Bourgeois was een werk open. Als ze er zelf over spreekt, dan associeert ze, ze weeft er een web van woorden en emoties rond, maar ze zegt niet wat het ‘betekent’. Veel auteurs begrijpen dat niet. Ze zijn blij een ‘betekenis’ te vinden die ze met een referentiekader zoals de psychoanalyse kunnen verbinden, zonder te beseffen dat Bourgeois ditzelfde kader gebruikt om iets niet te zeggen. Freud geloofde niet in symbolen met een vastliggende betekenis. Niet de droom vertelt ons iets (want de droomarbeid verhult), maar de manier waarop de patiënt over de droom associeert.

Bourgeois maakt een grote sculptuur die lijkt op een spin. De poten van de spin zijn op een prachtige manier slecht gelast. Puur sculpturaal genot. Bourgeois noemt de spin ‘Maman’ en vertelt dat spinnen een beschadigd web geduldig herstellen zonder boos te worden, net zoals haar mama, die wandtapijten restaureerde. We denken aan de verlatingsangst van Bourgeois en de trouwe Penelope die overdag weefde en ’s nachts haar werk opnieuw uiteenrafelde, we denken aan Medea, die ook weefde, enzovoort enzovoort. Maar wat staat er voor ons en wat denken en voelen we? Weinig auteurs die daarover berichten. Dat is toch vreemd? Want wat doen kunstenaars anders dan juist deze moeilijke oefening: het zichtbaar maken van wat ze denken of voelen over dingen die ze hebben gezien of ervaren?

Bourgeois schrijft dat blauw voor haar staat voor vrede, beschouwelijkheid en een vluchtweg. Larratt-Smith schrijft dat dit geldt voor het hemelsblauw dat ze in de jaren veertig en vijftig mengde door wat oker en wit toe te voegen aan Pruissisch blauw, maar niet voor het diepere blauw dat we hier aantreffen, dat volgens hem verwijst naar melancholie. Dat klinkt heel precies en geleerd, maar het lijkt mij onzinnig. Ik geef een ander voorbeeld: in de ‘Cells’ van Bourgeois komt vaak een hangende vorm voor die je zou kunnen omschrijven als een uitgerekte druppel of testikel. Mij doet de vorm denken aan benen naalden uit het stenen tijdperk, maar daarom hoeft het geen naald te ‘zijn’ of iets ‘naaldachtigs’ te betekenen. (In ‘Destruction of the Father…’ lezen we in Bourgeois’ eigen woorden dat een naald voor haar verwijst naar herstel en een speld naar agressie.) In een spits boekje uit 2013 schrijft Ulf Küster, die de ‘verscheidenheid van betekenis’ in Bourgeois’ werk fascinerend vindt, dat het misschien gaat om een naald die de verbinding tussen het onderbewuste en het bewuste visualiseert. Voor mij gaat het in de eerste plaats om een onbestemde, open vorm. Hoe maak je een nieuwe, prachtige, herkenbare vorm die ontsnapt aan elke benoeming, maar toch emoties oproept? Daar gaat het volgens mij om. Ik vroeg Gorovoy wat hij hierover dacht. “Haar moeder had een groot speldenkussen dat dezelfde vorm had,” antwoordt hij, “maar het kan ook een knuppel zijn.” Ik vroeg hem ook wat hij dacht van de dwangmatige zucht naar vaste betekenissen van de meeste auteurs. “Larratt-Smith heeft Latijn en Grieks gestudeerd aan Harvard,” vertelt hij. “Toen hij ons in 2002 opzocht, was hij geïnteresseerd in Louises teksten. Ik niet. Ik had kunstschool gelopen en voelde mij aangetrokken tot haar plastisch werk. Mensen willen altijd verhalen horen. Dus vertelde Louise verhalen over haar werk. Maar ze zei nooit wat het betekende. Ze draaide de vraag om en vroeg aan de toehoorder wat die dacht of voelde bij het zien van een werk. ‘Kunst heeft geen kunstgeschiedenis nodig,’ zei ze altijd. En ook stelde ze altijd weer vast dat er helaas ontstellend weinig mensen zijn die visueel gevoel hebben… Als Louise ’s ochtends in het atelier kwam, zag je meteen hoe ze zich voelde. Ze kon een groot stuk uit iets weghakken of eerder op een heel gevoelige manier beginnen werken. Daar ging het om. Ze kon haar emoties omzetten in een specifieke omgang met elk mogelijk materiaal. Dat is wat mij het meest raakt in haar werk.”


Montagne de Miel, 11 september 2015