Hans Theys is een twintigste-eeuws filosoof en kunsthistoricus. Hij schreef en ontwierp tientallen boeken over het werk van hedendaagse kunstenaars en publiceerde honderden essays, interviews en recensies in boeken, catalogi en tijdschriften. Al deze publicaties zijn gebaseerd op samenwerkingen of gesprekken met de kunstenaars in kwestie.

Dit platform werd samengesteld door Evi Bert (Centrum Kunstarchieven Vlaanderen). Het kwam tot stand in samenwerking met de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen (Onderzoeksgroep ArchiVolt), M HKA, Antwerpen en Koen Van der Auwera. Met dank aan Idris Sevenans (HOR) en Marc Ruyters (Hart Magazine).

ESSAYS, INTERVIEWS & REVIEWS

Carole Vanderlinden - 2016 - Een frisse lenteregen en een koppige huid [NL, review],
, 2 p.




__________

Hans Theys
 

Een frisse lenteregen en een koppige huid
Carole Vanderlinden in De Garage in Mechelen



In de vitrine van De Garage in Mechelen kan u deze dagen terecht voor een reeks indringende olieverfschilderijen en werken op papier van de Brusselse schilder Carole Vanderlinden (1973). De Garage (of het Cultuurcentrum Mechelen: beide benamingen worden door elkaar gebruikt met een voorkeur voor De Garage als het om hedendaagse kunst gaat) wordt geleid door de charismatische curator Koen Leemans, die mij de voorbije jaren heeft verrast met boeiende tentoonstellingen van Philippe Van Snick, Damien De Lepeleire (subliem!), Nadia Naveau, Peter Rogiers, Vaast Colson, Guillaume Bijl, Kurt Ryslavy en vele vele anderen. Er waren zelfs tentoonstellingen te zien met werk van Fiep Westendorp en de ongeëvenaarde Dick Bruna, op verzoek van diens familie. Telkens lijken deze tentoonstellingen gedacht te zijn vanuit een echte samenwerking en vanuit een noodzaak, die voelbaar blijft.

Carole Vanderlinden is Franstalig, maar ze spreekt vloeiend Nederlands. Ze studeerde in Gent, waar ze ook jarenlang heeft gewoond. Haar eerste solotentoonstelling vond plaats in het Gentse Croxhapox, in 2004. De bezielster van deze plek, Laura van, was aanwezig op de opening in De Garage en omschreef Vanderlindens werk als een ‘frisse lenteregen’. Vaast Colson verklaarde verrukt te zijn door de ‘koppige huid’ van de schilderijen. Walter Swennen vond dat de werken zo gebald waren, dat ze er minder had mogen tonen. De veelal kleine schilderijen en tekeningen van Vanderlinden hebben inderdaad een objectmatig voorkomen en een gewild stroef karakter. De beeldende elementen maken zich niet los uit de materie waaruit ze zijn opgebouwd. Ze zijn gemetseld, maar niet op een gestuele manier. Ze zijn expressief, maar zonder zich tot iets te bekennen. Kijken we naar het hier afgebeelde schilderij, dan valt ons meteen de verticale verdeling van het gelaat en de hals op, die op een vrijgevochten manier verwijst naar het haptische kleurgebruik van Cézanne. Wie nader kijkt, ziet hetzelfde principe op een wonderlijke manier toegepast in het kapsel, dat bestaat uit groene en heel donkere, misschien met hooker-groen en blauw aangemaakte, mossel- of leisteenkleurige partijen. Dat is wat Cézanne moduleren of modeleren met kleur noemde: het opwekken van een illusie van licht en volume door middel van kleur. Naast de invloed van Cézanne, merken we ook de invloed van Paul Klee. Samengebracht en op een nieuwe manier gebruikt, hebben deze invloeden geleid tot een specifieke, herkenbare factuur, die zowel moeizaam als speels oogt.


Musea

De beeldende motieven in deze schilderijen zijn afkomstig van een indrukwekkende eruditie, die gevoed wordt door de lectuur van boeken, die onder meer worden aangedragen door haar echtgenoot Christophe Lezaire, en door veelvuldig museumbezoek. Zo bracht ze het voorbije jaar, met steun van de Vlaamse Gemeenschap, drie maanden door in Parijs, waar ze elke dag ging tekenen in musea. Ik vroeg haar welke musea haar het meest hebben geraakt.
            ‘Het Musée Jacquemart-André,’ vertelt ze, ‘waar zich een prachtige, kleine Ucello bevindt. Het is een negentiende-eeuwse woning met een wintertuin, een rookkamer en een boudoir. Een voorbeeld van het oude Frankrijk dat altijd naast de kwestie was, een beetje zoals Ségolène Royal: een slechte smaak, stijf en benepen, maar tegelijk met veel klasse, heel ingehouden en zelfs sereen. Ik was vaak in de Jardin des Plantes en de Serres d'Auteuil, waar ik tekeningen maakte naar de mineralen en de herbaria, maar ook in het rariteitenkabinet van het Musée d'Ennery en in het Musée Zadkine, met zijn zalige atmosfeer. Het mooiste moment heb ik beleefd in het Musée Cernuschi, met zijn collectie oosterse kunst die werd aangelegd door een archeoloog die er net als ik van overtuigd was dat je iets alleen kan leren kennen als je het probeert na te tekenen. Het Louvre ken ik nu helemaal uit het hoofd. De schilderijen van Corot vind ik de mooiste. Verder heb ik het meest tijd doorgebracht in de Egyptische afdeling, bijvoorbeeld bij het brute, maar tegelijk verfijnde borduurwerk. Ik heb ook veel gehad aan de grafmozaïeken van Edesse (Turkije) of de van gesmolten lood vervaardigde sarcofagen met architecturaal-plantaardige versieringen uit Zuid-Libanon (Tyr).
In het Louvre bevindt zich ook een vleugel met de honderd mooiste kunstvoorwerpen uit de verzameling van Jacques Kerchache. Wondermooi, ook al zijn er nooit meer dan tien bezoekers… Ik vind details en die combineer ik dan met andere details in mijn schilderijen. Het zijn beeldende motieven die doen denken aan de modernistische schilderkunst, bijvoorbeeld aan schilderijen van Fernand Léger, maar die ik ontleen aan de Vroeg-Amerikaanse, Afrikaanse, Aziatische of Oceanische kunst. En dan is er de oude Europese kunst, natuurlijk.

Samen met jou heb ik in Parijs het Musée national du Moyen Âge bezocht, vooral omdat ik jou ‘La dame à la licorne’ wilde tonen. Die dingen inspireren mij. Ik pluk er motieven uit en probeer ze om te zetten in materie en in een door kleur opgeroepen, picturale ruimte. Soms lukt het zelfs.’


Montagne de Miel, 25 april 2016