Hans Theys is een twintigste-eeuws filosoof en kunsthistoricus. Hij schreef en ontwierp tientallen boeken over het werk van hedendaagse kunstenaars en publiceerde honderden essays, interviews en recensies in boeken, catalogi en tijdschriften. Al deze publicaties zijn gebaseerd op samenwerkingen of gesprekken met de kunstenaars in kwestie.

Dit platform werd samengesteld door Evi Bert (Centrum Kunstarchieven Vlaanderen). Het kwam tot stand in samenwerking met de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen (Onderzoeksgroep ArchiVolt), M HKA, Antwerpen en Koen Van der Auwera. Met dank aan Idris Sevenans (HOR) en Marc Ruyters (Hart Magazine).

ESSAYS, INTERVIEWS & REVIEWS

Elly Strik - 2009 - Des corps faits de fumée [FR, essay],
Tekst , 7 p.




__________

Hans Theys


Lichamen van rook gemaakt
Over enkele tekeningen van Elly Strik



De eerste reeks tekeningen die in Diepenheim te zien zal zijn heet Die Ehe. Het gaat om vier tekeningen die Elly Strik heeft samengebracht in 2006: Zwei neue Bräute (2004), Castration II (2005), Castration IV (2005) en Braut (1998).

In de eerste en de vierde tekening van de reeks treffen we twee vormen aan die ik suikerbroodvormig zou willen noemen, omdat die omschrijving vaak gebruikt wordt om bergen te omschrijven. Ik hou van het idee van een schaalverschuiving. Anderzijds roept het woord ook iets monolithisch op, alsof de bruid van steen is of van nachtelijk ijs en nooit zal ontdooien. 

Uit de titel van Zwei neue Bräute kunnen we afleiden dat het om twee dames gaat, twee bruiden. De eerste tekening suggereert een hoofd dat schuilgaat in een soort van poolmuts, een muts die vooraan afgeboord is om het hele gezicht te omvatten of te beschermen. In het midden van de tekening bevindt zich een langwerpige, verticale vlek die een donkere opening suggereert, maar ook het silhouet van een in lang haar gehulde bruid zou kunnen zijn. Het is een tekening met magische, dubbelzinnige vormen, die om onbekende redenen een schoonheidservaring oproept. Het meest opvallende, daarbij, is de tamelijk banale, centrale compositie, die de intensiteit (of kwetsbaarheid) van de tekening lijkt te verhogen. In het algemeen treft de tekening ons ook door een suggestie van diepte of ruimte: de centrale vorm lijkt op te bollen. De tekening krijgt daardoor iets sensueels, iets levends en misschien ook iets bedreigends. De schoonheid van de tekening heeft iets te maken met het oproepen van deze diepte in een vlakke tekening, maar ook in het castreren van de virtuositeit die daarvoor nodig is. De centrale, verticale vlek lijkt immers opzettelijk vlak geschilderd, als had de tekening het nodig ingesnoerd of ingeperkt te worden. Het achterste gedeelte van de vorm die aan een muts doet denken, zou ook een versierd struisvogelei kunnen zijn. Deze vorm raakt ons door de schoonheid van de factuur: van de manier waarop het blauwe netwerk getekend is.

Deze reeks van vier tekeningen wordt afgesloten met de tekening Braut, waarin we zoals gezegd opnieuw een suikerbroodvormig silhouet aantreffen. Het zou kunnen gaan om een vrouwenfiguur die volledig schuilgaat achter haar lange haar, zoals Mélisande, maar ook om een dame die schuilgaat achter een zwarte sluier of burka. In ons gesprek Over raaf worden en donkere suikerbroden vertelt Elly Strik dat de bruid in haar werk altijd onzichtbaar, verhuld of gesluierd is. Ze is onkenbaar en wordt pas ontsluierd door de toenemende intimiteit van het huwelijk. Ik vind dat een mooi beeld. 

De twee middelste tekeningen van de reeks tonen ons het sensuele raster van een door verfstreepjes opgeroepen beeld van twee pauwenveren waaruit het oog is verwijderd. Voor Elly Strik zijn dit een beeld voor een ontmanning: beelden die plaats maken voor iets anders door een lege ruimte te tonen. ‘De tekeningen zijn ontstaan uit de wens geen ijdelheid in het beeld toe te staan,’ vertelt Strik, ‘daartoe moest ik het mooiste deel uit de veren verwijderen en zo kijkruimte aan de toeschouwer schenken.’ Over de twee bruiden vertelde ze mij dat ze ‘fallisch geworden’ zijn. Ze gaan schuil in een bolster, een muts, een haarvacht, een nieuwe, misschien wel als mannelijk ervaren dierlijkheid. ‘Deze reeks gaat niet noodzakelijk over mensen,’ vertelt Elly Strik, ‘Ze ontstaat uit de ontmoeting tussen de verschillende tekeningen. Ze heeft iets te maken met ontsluieren. Ze toont iets door het te verbergen. Ze opent en sluit zich tegelijkertijd. Ze neemt ruimte in en maakt plaats. De titel en de ondertitels verwijzen naar The Bride Stripped Bare by her Bachelors, Even van Duchamp. De beelden in dit werk spreken over de kunst: de kunst als bruid, de kunst als vrijgezellenmachine, de kunstenaar als vrijgezel. Ooit maakte ik een collage waarin ik Goya liet trouwen met Goya. Dat was de eerste aanzet tot deze thematiek.’

Een ander werk dat centraal zal zijn in de tentoonstelling in Diepenheim is de grote tekening Spreek vrouw, wat zal ik je schenken ? (2004). De titel is afkomstig uit een Salomé-verhaal. Het is een uitspraak van Herodes, die de geestelijk hoogstaande Johannes opoffert aan zijn eigen lichamelijke genoegens of, om het nog rauwer te zeggen, de denker Johannes reduceert tot een afgehakte kop, die zo weer tot lichaam wordt en opnieuw tedere kussen vermag te ontvangen. In Striks tekening ontmoeten we een centrale vrouwenfiguur die een bruidssluier en een apenmasker draagt. Ze draagt de sluier over haar arm alsof het een bruid is die over een drempel gedragen wordt. Het donkere dierenhoofd contrasteert met de blanke sluier, die onderaan net het geslacht van de vrouw verhult, dat misschien ook heel dierlijk zou kunnen zijn. 

Graag vertel ik hier iets over de vierdelige reeks Family Album (2007-2008), die opent en sluit met prachtige tekeningen die louter bestaan uit gebogen streepjes die het beeld van op de vloer gevallen, geknipte haartjes oproepen. Hoe elementair en tegelijk krachtig kan een tekening zijn! Op de tweede tekening zien we twee anthuriums die bijna verzwolgen worden door de harige schaduw van een apenkop met vrouwenhaar. In de derde tekening lijkt het alsof we een vooraanzicht zien van dezelfde aap, die blij poseert met meisjesachtige lokken dat zijn of haar schouders bedekt en uit zijn of haar kin lijkt te groeien. Toen ik deze reeks een tweede keer zag, bleek de kunstenaar de linker anthurium iets meer reliëf te hebben bezorgd, waardoor de bloemen ineens een soort van haartooi werden. Telkens weer roept ze het dubbelzinnige op van een tekening die zich tot een volume lijkt te willen verheffen en juist daarom op andere plekken zo plat mogelijk gemaakt wordt.

De reeks Echo der voorvaderen (2006-2007) bestaat uit zes tekeningen. De eerste tekening stelt een soort van hangend, slap apenmasker voor, dat aan de achterzijde een menselijke schaduw werpt, alsof het een gevild Janushoofd betreft, half menselijk, half dierlijk. De tekening roept het beeld op van de slappe mensenhuid die Michelangelo schilderde in Het Laatste Oordeel in de Sixtijnse Kapel. Strikt genomen gaat het om de huid van de gevilde apostel Bartholomeus, maar het beeld wordt ook beschouwd als zelfportret van Michelangelo, onder meer omdat het beeld zich heel centraal bevindt. Over haar eigen tekening vertelt Elly Strik: ‘Het is een afgelegde huid. Het zou de huid van een voorvader kunnen zijn, maar dan een voorvader in alle mogelijke betekenissen van het woord. Hetzelfde geldt voor het woord echo. Een echo komt altijd uit verschillende richtingen. Voor mij gaat het ook om een echo van het werk van andere kunstenaars… Het zwakke profiel rechts is een heel lichte schaduw, een soort van echo. Eigenlijk is het een optreden van de schaduw als spiegel. Het oor is eruit gehaald. Wil je die echo horen, dan heb je een oor nodig. Vaak haal ik het belangrijkste deel uit een tekening. Iets dat niet te zien is, is soms veel meer aanwezig.’

In de tweede, de vierde en de zesde tekening van deze zesdelige reeks herkennen we zwierige, neerhangende pauwenveren, die voor mij door een verdichting en gelijktijdig opduikende transparantie in het midden het beeld oproepen van een vrouwelijk geslacht. In de eerste tekening zien we ook dansende haarlokken, in de zesde tekening denken we een krulsnor te zien, alsof doorheen de spookgedaante van een vrouwelijk geslacht het gezicht van je grootvader verschijnt. Op de achtergrond van deze tekening werd een tweede, doorschijnende pluim aangebracht met waterachtige, met behulp van een spalterkwast aangebrachte vegen. Ook in deze reeks zijn we verbluft door de virtuositeit van de kunstenaar, die drie volledig verschillende pluimen tevoorschijn tovert en uit die pluimen totaal verschillende beelden laat opdoemen.

Zoals Giacometti in zijn tekeningen de onderliggende, vreemd opbollende en anonieme atomaire structuur van een gezicht lijkt te willen oproepen, slaagt Strik erin potloodlijnen te dwingen tot een telkens andere samenklontering die in onze knetterende en gistende hoofden telkens andere beelden en verhalen oproept. De derde tekening van deze reeks toont opnieuw een suikerbroodvormig silhouet, deze keer roos getint en voorzien van een dubbele tekening: een patroon van golvende lijnen dat een beetje doet denken aan geschaafd hout en daaroverheen voornamelijk een patroon van los drijvende haren. In de vijfde tekening denken we het portret van een aap te herkennen, waarbij een verzameling van zigzaggende streepjes schouders en romp evoceren en aan de onderzijde van het gezicht een tweede gezicht lijkt op te doemen. Rechtsboven zien we een geïsoleerd oog of een tepel, althans, enkele potloodstreepjes die een geïsoleerd oog of een tepel zouden kunnen voorstellen. ‘Het zou ook een hemellichaam kunnen zijn,’ vertelt Strik.

Een zelfde spel met schaal vinden we in de vierde tekening van de zevendelige reeks The Difficulty for a Monkey to Throw off its Instinctive Fear and Hatred of a Snake (2007). In deze tekening herkennen we opnieuw een samengetroepte verzameling streepjes die het beeld van een vrouwelijk geslacht oproepen, maar bovenaan de tekening creëert een zwarte, aan de onderzijde gebogen rand de indruk dat we een hemellichaam zien. In de vijfde tekening van deze reeks, waarachter een roze achtergrond aan de linkerzijde fel opgloeit, herkennen we een soort van apengezicht met holle neus, of een vrouwelijk geslacht dat omringd wordt door haar waaruit een apengezicht opdoemt. In de zevende tekening lijkt een vrouw te luisteren naar een grote zeeschelp, maar aan de luisterende zijde schijnt haar gezicht op te lossen in de schaduw van de schelp. De schaduw zelf lijkt te bestaan uit haarkrulletjes, uit rook. Het reliëf van de schelp blijkt overigens zelf uit niet meer te bestaan dan enkele dikker aangezette krulletjes, die meteen ook een herinnering oproepen aan de factuur van gebreide mutsen in Striks tekeningen. Wordt in de muts niet zichtbaar het gebreid zijn van ons eigen lichaam, dat in zoverre niet veel verschilt van het gebreid zijn van een tekening? Ten slotte herkennen we in deze reeks nog een portret van Darwin waarin de zwarte hoed solide lijkt te zijn en het gezicht zich schiftend verdubbelt in een lepreus spookbeeld. De titel van de reeks is een verwijzing naar een passage in Darwins autobiografie waarin gesteld wordt dat het voor de mens net zo moeilijk is om van zijn geloof af te stappen als het is voor een aap om zijn instinctieve angst voor en weerzin tegen een slang te overwinnen.

Graag vertel ik hier ook iets over een losstaande tekening die ook Echo der voorvaderen heet, net zoals de hierboven beschreven reeks. In deze tekening lijkt een schedel te zweven voor een apenkop. Toen ik Strik hierop wees, antwoordde ze: ‘Ook in deze tekening vinden we een echo. We zijn getuige van een omgekeerde geboorte, zou je kunnen zeggen. Het is niet het leven dat uit het bekken komt, maar de schedel die uit het hoofd geboren wordt. Omdat de schedel getekend is als een ruïne, is de geboorte zichtbaar. Het gaat om een kinderschedel. Het is geen schedel van een jonge aap, die zien er anders uit. Een kinderschedel ligt goed in de hand.’ ‘Heb je al eens een kinderschedel gezien?’ vraag ik haar. ‘Al twee keer,’ vertelt ze. ‘Maar ik vertel liever niet waar. Bij een van die mensen bevond het schedeltje zich in een van de slaapkamers.’

Een laatste reeks kleinere tekeningen die we zullen aantreffen in de tentoonstelling bestaat uit drie delen en heet Orakel (2008). Op de centrale tekening in deze reeks treffen we opnieuw het centrale, suikerbroodvormige silhouet aan, dat nu een harige buitenrand heeft gekregen en in zijn geheel overdekt lijkt met een witte tatoeage of gelaatsbeschildering die doet denken aan het haarnetje van Bride

In het gesprek Over raaf worden en donkere suikerbroden vertelt Elly Strik over het rituele aspect van het tekenen, waarbij vertrokken wordt van een lijntje dat almaar herhaald wordt, als een echo, tot het ongemerkt veranderd is in een ander lijntje. Het schilderen of tekenen van netjes of parelsnoeren maakt de schijnbare repetitiviteit van deze handeling zichtbaar. Het resultaat is een beeld dat het wezen van het tekenen blootlegt. De eerste en derde tekening van de reeks lijken op elkaar. In die zin is de reeks een soort van spiegelbeeld van Die Ehe, waarin de twee middelste tekeningen oppervlakkig gezien een spiegelbeeld vormen. Hier gaat het om twee zich centraal verdichtende, uit vele losse lijntjes bestaande tekeningen, die door de aard van die lijntjes doen denken aan zich verdichtend schaamhaar. In de eerste tekening zet deze verdichting zich verder en lijkt in het donkerste gedeelte een gezicht op te doemen. De tekeningen zijn virtuoos. Bijna niets is er, tenzij de gekraste nacht waaruit het droombeeld van de ets opdoemt, tenzij een wonder samentroepen van lijntjes, waaruit een volume lijkt te ontstaan, alsof we tegelijk de geboorte van een tekening, een beeld, een spookbeeld en een levend wezen meemaken. Als we nu onze blik opnieuw op de centrale tekening vestigen, waar het suikerbroodvormige silhouet harige buitenranden heeft gekregen, denken we terug aan die mooie passage in een brief van Gerard Reve, waarin die op tedere, beeldende wijze verhaalt hoe zijn man des nachts heel even de gedaante van een vos heeft aangenomen: ‘Wel veranderde in bed Matroos een keer in een vos, kompleet met snuit en vacht, terwijl ik volslagen ekstatisch verliefd op hem werd. Ik heb de snuit en vochtige neuspunt en de vacht met eigen handen wel degelijk gevoeld.’ Van dichtbij bekeken kan elk voorwerp monsterlijke vormen aannemen, zeker de plekken waar ons lichaam behaard is of via geheime kronkels communiceert met de buitenwereld. In onze haren worden wij niet alleen dieren, maar ook planten, schimmels en varens. In onze openingen worden wij ademende modder. Doorheen een kier lispelen Pyramus en Thisbe hun fluisterende woordjes van liefde en worden zij goden in’t diepst van elkaars geslacht. De waarheid is als een hetaere, schreef Nietzsche, zet haar ondersteboven en je ziet haar verborgen redenen. Diep verborgen zijn wij bange dieren, in onze verwarde gedachten, in onze dromen, in onze spookbeelden, in het ritselen van de struiken, in het gefladder van vogels, in het kruipen van insecten, in het vallen van de nacht, in het maanlicht, in de sneeuw, in onze tekeningen, in onze woorden.


Montagne de Miel, 17 augustus 2009
 

Alle hierboven aangehaalde uitspraken van Elly Strik zijn afkomstig van gesprekken met de auteur.