Hans Theys is een twintigste-eeuws filosoof en kunsthistoricus. Hij schreef en ontwierp tientallen boeken over het werk van hedendaagse kunstenaars en publiceerde honderden essays, interviews en recensies in boeken, catalogi en tijdschriften. Al deze publicaties zijn gebaseerd op samenwerkingen of gesprekken met de kunstenaars in kwestie.

Dit platform werd samengesteld door Evi Bert (Centrum Kunstarchieven Vlaanderen). Het kwam tot stand in samenwerking met de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen (Onderzoeksgroep ArchiVolt), M HKA, Antwerpen en Koen Van der Auwera. Met dank aan Idris Sevenans (HOR) en Marc Ruyters (Hart Magazine).

ESSAYS, INTERVIEWS & REVIEWS

Michaƫl Borremans - 2013 - Pharmacist and Balloonist [EN, interview],
, 5 p.




__________

Hans Theys


Apotheker en ballonvaarder
Gesprek met Michaël Borremans



De kunstenaar leidt mij snel rond door de verschillende ruimtes van zijn atelier. In een vertrek op de begane grond zie ik delen van een maquette, die doen denken aan props die hij al heeft gebruikt voor een film en enkele schilderijen. Ik vraag waarom die delen opnieuw worden gemaakt. Het gaat om een project waar hij al een tijdje mee bezig is en waar ik niets over mag schrijven. In het laatste atelier stuiten we op twee kleine schilderijen die overschilderd zijn met een nieuwe, roodbruine onderlaag. Het is de eerste keer dat ik afgewezen schilderijen zie. ‘Onder één op twee van mijn schilderijen zit een ander schilderij,’ lacht Borremans. ‘Twee voor de prijs van één. Het heeft echter geen zin het bovenste weg te schrapen, want wat onderaan zit is echt niet goed.’ Dan vertrekken we naar een restaurant. We stappen snel door de tuin, want het regent. Borremans zal rijden. Zodra hij aan het stuur van zijn tweedehandse Mercedes zit, vertelt hij dat hij nog nooit een nieuwe wagen heeft gekocht. Dan lacht hij met het feit dat hij zich voelt als een taxichauffeur die mij vervoert en dan vertelt hij dat de grote ruitenwisser vooraan het niet zo goed meer deed en dat hij op YouTube heeft opgezocht hoe hij hem moest herstellen. ‘Die Amerikanen tonen je dat perfect,’ zegt hij. ‘Voorzien van witte handschoenen halen ze een versnellingsbak uiteen en zetten ze hem weer in elkaar. Hier was er een probleempje met het hydraulisch systeem. Eigenlijk ging het om een staafje dat in- en uitschuift en waar je een lijntje olie op moest leggen. Sindsdien werkt de ruitenwisser weer perfect.’ Vervolgens vertelt hij mij dat hij YouTube ook gebruikt om sommige gitaarstukken in te oefenen of om te leren hoe je bepaalde delen van een maquette, bijvoorbeeld gecraqueleerd asfalt, kan maken. Ik beeld mij in hoe hij kijkt naar verkleinde mensen op een computerscherm die met zo’n groot mogelijke precisie de meest vreemde handelingen uitvoeren, en ik begrijp zijn enthousiasme. Als ik hem wijs op het verband met zijn tekeningen, glimlacht hij.

- In de huidige tentoonstelling bij Zeno X is een schilderij te zien waarop magnoliatakken met verwelkte bloesems worden afgebeeld. Doet het maken van zo’n schilderij je aan je (overleden) moeder denken?

Michaël Borremans: Neen. Ik heb ergens een oude magnoliaboom. Soms kraak ik daar takken af en zet ik ze in een vaas. Het is het oudste werk in de tentoonstelling, het dateert nog uit 2012. Dat was een moeilijk jaar. Ik had veel ideeën, heb vaak proberen te schilderen, maar ik kon mij niet focussen op het schilderen zelf. Ik was triestig en er beroerd aan toe en ineens leek die tak met zijn verwelkende bloesems in tune met mij. Intussen schilder ik op een andere plek. Mijn oude atelier was bezeten door kwade geesten. Intussen zijn die wel verdreven, maar sindsdien schilder ik afwisselend in mijn grote atelier en in een schoolkapel. Ik kan mij daar heel goed concentreren. Er bevindt zich daar een Mariabeeld dat vol compassie naar mij kijkt. Dat doet iets met mij. Het heeft te maken met mijn katholieke opvoeding.

- Kijkend naar de tekening ‘The Spirit of Modelmaking’ (2001) kreeg ik de indruk dat je ooit met een volwassene aan modelbouw hebt gedaan.

Borremans: Dat is niet zo. Ik ben wel altijd gefascineerd geweest door kleine vliegtuigjes en scheepjes en natuurlijk heb ik er gebouwd, maar niet meer dan andere jongens. Ik ben wel altijd geboeid geweest door schaalmodellen. In het Louvre vind je bijvoorbeeld maquettes van hoe Parijs vroeger was. Die staan achter glas. Je kan er niet aan. Een mooi schaalmodel heeft iets mystieks. Zelf gebruik ik vandaag schaalmodellen als tool, als prop voor mijn tekeningen. Ik teken of schilder nooit naar de natuur, alleen naar cultuur. Behalve die magnoliatakken en die dode kip, natuurlijk, maar toen had ik het niet in de gaten. Het gebeurde in een soort van onbewaakt moment, zal ik maar zeggen. Normaal gezien werk ik naar foto’s.’

- Welk fotoapparaat gebruik je?

Borremans: Ik gebruik verschillende fotoapparaten, meestal goedkope. Het apparaat dat ik het meest heb gebruikt, maakte foto’s van één miljoen pixels, maar het heeft onlangs de geest gegeven. Ik stel mijn fotoapparaten in op de laagste resolutie, de foto’s mogen niet te scherp zijn, omdat de poriën, de haren enzovoort mij afleiden. Wat ik wil zien zijn de tonaliteiten, niet de details. In het algemeen kan je stellen dat ik geen geijkte systemen gebruik en dat ik voortdurend blijf experimenteren met de manieren waarop een beeld tot stand kan komen. Zo heb ik de laatste tijd af en toe een Canon D5 gebruikt om de modellen te filmen. De foto’s die ik in dat geval gebruik zijn filmstills. Ik kijk ernaar op een monitor, zodat ik geen foto in de hand moet houden. Die monitor zet ik soms onscherp. Eigenlijk ben ik al aan het schilderen als ik aan het fotograferen ben. Mijn foto’s zien er al uit als schilderijen, maar ze zijn pas af als schilderij. Vroeger gebruikte ik bestaande, gevonden foto’s, zoals je weet, maar die originelen schemerden altijd door in het schilderij. Ik was dat beu. Daarom maak ik nu al mijn foto’s zelf.

- In het schilderij ‘The Angel’ (2013) zien we een vrouw met een zwart geschilderd gezicht. Heb je het gezicht van het model echt zwart geschilderd, of heb je dat pas op het schilderij gedaan?

Borremans: Ik heb het model beschilderd met een soort verf voor zwarte pieten die ‘tête de nègre’ heet.

- Je schildert altijd bij daglicht.

Borremans: Kunstlicht is dood, het is star, het beweegt niet. Daglicht is voortdurend in beweging. Het leeft, het is organisch. Dat heb je nodig om te kunnen zien wat je op je doek zet. Schilderen in de winter is anders dan in de zomer. Daarom heb ik ook een winter- en zomeratelier… Velázquez was ooit op reis met Philips IV toen hij een schilderij maakte van diens secretaris. Hij vond het licht niet goed en liet een gat in de muur kappen om een juiste lichtinval te verkrijgen. Daar gaat het om. Ik heb dat schilderij veel bestudeerd in boeken. Toen ik het de eerste keer zag, in the flesh, was ik tot tranen toe geroerd. Het was alsof ik een correspondent ontmoette met wie ik al jaren brieven wisselde zonder hem ooit te hebben gezien. Een van de mooie dingen aan dat schilderij is dat je denkt dat je het ook zou kunnen. Je ziet heel goed hoe het gemaakt is. Je zit dicht op de huid van de schilder. Er ontstaat een dialoog met iemand die allang dood is, gewoon omdat je met dezelfde dingen bezig bent, omdat je dezelfde problemen tracht op te lossen. Dat is ontroerend. Dat is een aspect van het schilderen dat ik niet had verwacht. Hoe beter geconserveerd de schilderijen zijn, hoe prangender het effect, hoe groter de kick.

- Zou je iets willen vertellen over ‘Nude with Cheese’ (2013)?

Borremans: Ik vind het heel sterk, compositorisch, maar in de toekomst zou ik het naakt misschien pasteuzer willen gaan maken, misschien kunstmatiger schilderen, er meer paars in steken. Het naakt fascineert mij buitengewoon, de nuances zijn zo delicaat, alles moet juist zitten. Het is een echte uitdaging. Heel frustrerend. De bedoeling was een klassiek naakt te schilderen, maar het model iets te laten vasthouden dat onbelangrijk was. Ik heb eens een werk gemaakt dat een aantal hoofden voorstelt die allemaal tegelijk het woord ‘kaas’ zeggen. Ik hou ervan te spelen met het verwachtingspatroon van de toeschouwer. Je zou het een vorm van punk kunnen noemen: onverwachte humor en verwarring. Op dit punt ontstaat ook het conceptuele in mijn werk. Zo heb ik eens een slapend meisje geschilderd dat ook dood zou kunnen zijn. Door haar kapje doet ze denken aan een genreschilderij: het zou een melkmeisje van Vermeer kunnen zijn. Maar door de manier waarop ze wordt afgebeeld (het standpunt, de kadrering, de belichting), ga je denken aan harde, documentaire, bijvoorbeeld forensische fotografie. Die twee elementen lijken onverenigbaar en roepen een confronterend contrast op. Enerzijds heb je het zoete en anderzijds het harde. Het zoeken van dit soort contrasten beschouw ik als een bewuste, conceptuele bijdrage aan het schilderij. Dit sluit wel niet uit dat ze vaak onbewust tot stand komen. Dan schilder ik iets heel bekends en vertrouwds en krijgt het plots iets oneigenlijks. Dan gebeuren er ongelukjes die je moet leren omarmen. Ik geloof in inspiratie. Ik ben zeer chaotisch en ik heb geestdrift nodig, geloof in wat ik doe, om mezelf voort te drijven. Vaak heeft talent te maken met het toelaten van toeval, met de acceptatie van een onverwachte gebeurtenis, die een werk boven de maker kan doen uitstijgen. De kunstenaar Kris Martin zei onlangs dat ik zo goed kan schilderen dat ik al dat conceptuele achterwege kan laten. Ik denk van niet. Zo mis ik in de huidige tentoonstelling een beetje humor. In alle kunst moet humor zitten. Gelukkig kan ik nu enkele werken maken voor een kleinere tentoonstelling in het Hara Museum in Tokyo. Die beelden zullen een beetje meer Rock ‘n’ Roll zijn.

- Het naakt heeft geen kaas in de hand, maar een zweem van een kaas. Het zou ook een tol kunnen zijn.

Borremans: Dat klopt. Ik heb de kaas vijf keer opnieuw geschilderd. Zolang ze te expliciet was, was het niet goed. Ze moest een beetje transparant zijn, anders werd ze een element dat het hele werk ondergroef. Maar het was nodig. Zonder de kaas was het werk te melig… Het schaamhaar heb ik twee keer geschilderd. Niet omdat het nodig was, want het stond er meteen goed op, maar omdat ik het zo leuk vond. Het was de eerste keer dat ik schaamhaar schilderde…

- Vaak wordt verwezen naar schilders die je bewondert, maar ik weet niet of er al eens over je lievelingsschilderijen is gesproken.

Borremans: Bij Manet zijn dat de stillevens, bijvoorbeeld bloemstukken. Ze zijn zo eenvoudig, maar ik geraak er niet op uitgekeken. De man nam risico’s, hij werkte pasteus, op de negentiende-eeuwse manier, maar behalve een klassiek schilder is hij ook conceptueel gezien een groot vernieuwer. Later is hij soms impressionistischer gaan schilderen, dat vind ik minder interessant… Van Velázquez is er geen werk dat mij onberoerd laat. Mijn lievelingsschilderij van Goya is Cannibales contemplant des restes humains. Het is een olieverfschets. Daarin zie je heel zijn genie. Zijn etsen zijn ook fantastisch. Als je ziet hoe hij diepte creëert met drie of vier tonaliteiten, dat is fenomenaal! Ik hou ook van zijn portretten, bijvoorbeeld van die vrouwen in zwarte kanten jurken. Velázquez was perfect, zeer doeltreffend. Als je kijkt naar het schilderij van El primo, dan zie je dat hij dat met veel respect heeft geschilderd voor de persoon. Vergelijk dat met met John Singer Sargent: fascinerend om naar te kijken, maar teveel bravoure, teveel modefotografie. Als je dan kijkt naar de Gitaarspeler van Manet: zo dwaas, maar leven dat daarin zit! Of het gezichtje van L’enfant à l’épée: die expressie, dat zit zo goed in elkaar, daar ben ik jaloers op. En die blauwe kousen op die blauwgroene achtergrond! Aan de andere kant is er die slappe broek van Zola, die trekt echt op niks.

- Ik denk dat hij geen belang hechtte aan bepaalde details, dat hij die met opzet onafgewerkt of plat liet. En dat hij de kracht had bepaalde, minder goede partijen gewoon te laten bestaan omdat andere delen van het doek hem bevielen.

Borremans: (Verbaasd.) Ik denk niet dat hij daar zoveel over nadacht… Onlangs heb ik Olympia gezien. Hoe hij haar huid heeft geschilderd! Zo eenvoudig: een beetje blauw, een beetje omber, een beetje oker, een beetje napels geel…

- Als ik naar je werk kijk, dan denk ik aan Magrittes pogingen het mysterie op te roepen door het liefst afbeeldingen van alledaagse voorwerpen met elkaar te combineren.

Borremans: Ik gebruik het woord mysterie nooit. Er is ook niets bijzonders aan het plukken van een voorwerp ‘uit zijn gangbaar referentiëel kader’ en het dan elders te laten opduiken. Wim Delvoye doet dat ook, door elementen uit de hogere en de lagere cultuur te laten samenkomen… Neen, als je dat woord tegenkomt, dat is dat omdat de auteurs het gebruiken… Magritte had een heel platte manier van schilderen. Een ongeïnspireerde plakkaatverfstijl die zijn werk conceptueel strakker maakt. Maar ik plaats niet zomaar verschillende alledaagse voorwerpen samen, zoals Magritte. Bij mij is het meer indirect, het heeft meer met analogieën en referenties te maken. Als ik iets aanraak is het nooit direct, het gaat om hints, dan ben ik een player, that’s my game… Als iemand mij vraagt wat mijn beroep is verzin ik altijd iets. Ik heb eens geantwoord dat ik apotheker was, maar dat liep slecht af, want het gesprek ging meteen over geneesmiddelen die ik niet ken. Luchtballonvaarder heb ik ook eens geprobeerd en dat is heel goed gelukt. Maar dat is liegen voor de sport, het is onschuldig, het dient niet om te bedriegen. Zo heb ik een galeriehouder die mij niet kende eens wijsgemaakt dat ik het oeuvre van Mondriaan verder zette, dat ik zeer geometrisch en abstract schilderde. Die man vond dat heel interessant…

- Toen ik je tekeningen voor het eerst zag, dacht ik aan de schilderijtjes van veldwegen van Thierry De Cordier, vooral door jullie gebruik van wit.

Borremans: Die tentoonstelling van De Cordier in het S.M.A.K. was heel inspirerend. Je kreeg direct zin om te gaan werken. Dat gebeurt niet vaak. En dat opgehoogde wit, dat klopt. Er is een overeenkomst. Maar als student heb ik Fragonard en Watteau bestudeerd, kunstenaars die tekenden op getint papier dat ze ophoogden met wit. Ik vind die Franse rococotekeningen de beste die ooit gemaakt zijn.

- Wat vind je van de Noordzee-schilderijen van De Cordier?

Borremans: Ik vind die golven fantastisch. Die schilderijen zijn zo glad! Als pleisterwerk! Ik denk dat ze heel arbeidsintensief zijn. Maar hij zou er niet op mogen schrijven. Schrijven, dat doe je op papier. Die schilderijen zijn zo al zwanger genoeg.

- Toen Coggins je vroeg of je nog tekende, antwoordde je dat je geen papier meer had en dat je ogen te slecht werden. Dat was een nogal laconiek antwoord.

Borremans: Het is waar dat ik minder intensief teken dan vroeger en ook dat ik minder goed zie. Ik moet met een vergrootglas werken, wat ik vernederend vind. Ik zou ook een bril kunnen dragen, maar ik wil geen architectuur op mijn hoofd. Ik draag ook geen polshorloges. Maar natuurlijk ben ik niet gestopt met tekenen. Ik werk tegelijk aan twintig tot dertig tekeningen. Dat duurt jaren. Maar zo kan ik tekenen zonder druk. Als er een reeks klaar is, kan dat een kleine reizende tentoonstelling worden, maar voor de reeks klaar is, denk ik niet aan tentoonstellen. Daardoor lijkt het voor de buitenwereld alsof ik niet meer teken. Daarnet heb je ook beelden van mijn nieuw project gezien. Ik maak graag werk waar niemand op zit te wachten. Het komt erop aan niet in een bepaald ritme te verzeilen, zoals popgroepen: een CD maken, touren, opnieuw de studio in… Zoals de sculptuur die ik voor ‘Track’ heb gemaakt. Twee bronzen hoofden met een eendenbek en enkele rondslingerende voorwerpen. Daar heb ik stof over laten vallen en dan het geheel in een glazen kast gestopt. Sculpturen die je niet kan aanraken, vind ik interessant. Ze krijgen iets illusoirs, zoals tekeningen. Small Museum for Brave Art vind ik een prachtig sculpturaal gegeven. Het doet denken aan een hallucinatie en dat vind ik er goed aan… Ik ga ook een Skirt-sculptuur laten maken. Het wordt een langwerpige, stoffen rok die vanzelf zal draaien. Het geheel komt in een glazen kast… (Hij bladert door de catalogus Eating the Beard.) Dit is een van mijn lievelingsschilderijen: Swingers. Het stelt cowboys voor die moslimvrouwen over hun schouders slingeren. Het werk heeft tegelijk een lichtheid en een zwaarte, dat vind ik heel goed… Het heeft ook iets sculpturaals. Misschien iets voor mijn tentoonstelling in Dallas? Het werk 10 and 11 vind ik ook heel goed. Het refereert aan het puttertje van Fabritius, natuurlijk. Maar het heeft ook te maken met reproductie. Het is vreemd dode dieren als model te nemen, vooral als ze opgezet zijn, zoals in een natuurhistorisch museum. Die dieren zijn niet echt, maar ze zijn wel gemaakt van echte dieren…

- Robert Devriendt heeft vroeger schilderijtjes gemaakt van een opgezette gans.

Borremans: Ja, die eerste reeks schilderijen bij de vrienden van Gent. Heel indrukwekkend vond ik dat.


Montagne de Miel, 26 september 2013