Hans Theys is een twintigste-eeuws filosoof en kunsthistoricus. Hij schreef en ontwierp tientallen boeken over het werk van hedendaagse kunstenaars en publiceerde honderden essays, interviews en recensies in boeken, catalogi en tijdschriften. Al deze publicaties zijn gebaseerd op samenwerkingen of gesprekken met de kunstenaars in kwestie.

Dit platform werd samengesteld door Evi Bert (Centrum Kunstarchieven Vlaanderen). Het kwam tot stand in samenwerking met de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen (Onderzoeksgroep ArchiVolt), M HKA, Antwerpen en Koen Van der Auwera. Met dank aan Idris Sevenans (HOR) en Marc Ruyters (Hart Magazine).

ESSAYS, INTERVIEWS & REVIEWS

Angel Vergara - 1996 - Fume, c’est du Vergara [FR, essay],
Tekst , 3 p.





__________

Hans Theys


Fume, c’est du Vergara
Enkele woorden over het werk van Angel Vergara



De Antwerpse Vera Van Laer Gallery toont nieuwe schilderijen van Angel Vergara. Het zijn lichtvoetige schilderijen die vertellen over de ruimtelijke suggestie in de schilderkunst, over de schommelende verhoudingen tussen afbeeldingen, woorden en voorwerpen, over economische transacties, over etalages en over het inquisitoir vagantendom van een man die elke week het Brusselse advertentieblad Vlan tot de laatste letter napluist.

Rond 1987 begon Vergara zich te verplaatsen als 'straatman', een vaak ongenood deelnemer aan publieke gebeurtenissen die, verborgen onder een wit laken of doek, schetsen maakte van wat hij rond zich hoorde en voelde gebeuren. Deze schetsen trachten een plaats voor te stellen, maar ook de manier waarop die plaats waargenomen wordt. De typische vermeldingen op deze schetsjes (het uur, namen van personen, kruisjes en lijnen die verplaatsingen aanduiden, woorden die gebeurtenissen of gesprekken aanduiden) vinden we nu terug op de grote schilderijen.

In 1990 opende Vergara z'n eerste café in de Antwerpse Galerie Existent. Later volgden er café's in galerieën in Brussel en Tokyo en een IJssalon in Aken. Het ging hier geenszins om van die zeer moderne, artistieke installaties waar de toeschouwer louter nota van mag nemen, maar wel om echt etablissementen, met echte drank en een echte kassa. Wie deze fraai ingerichte café's heeft gezien of bezocht weet dat je er kon overgaan tot allerhande economische en anderszins interessante transacties. In het Café de la Galerie des Beaux-Arts Galerij hing een groot schilderij, een geschilderde tarieflijst, die de volgende mogelijke transacties voorstelde: ‘Het gebruik, De ruil en Het verhaal’. Wie louter betaalde voor het gebruik, verwierf een drankje. Wie betaalde voor de ruil verkreeg een certificaat, en wie betaalde voor het verhaal plaatste zo een bestelling voor een schets van straatman.

Telkens weer probeert Vergara op een of andere manier werkelijk deel te nemen aan een bepaald sociaal gebeuren of er een op te zetten. In het Brusselse Paleis voor Schone Kunsten werd hij buitengewerkt omdat hij enkele gesuikerde appels ruilde tegen gesigneerde cheques waarop de eigenaar in het vakje dat is voorbehouden voor de munteenheid een appeltje had getekend en in het vakje voor het bedrag het aantal had aangegeven.* In het Belgisch Huis in Keulen richtte hij een prachtige appelwinkel in, waar mensen een appel met vignetje konden kopen in ruil voor, opnieuw, een cheque. In lange rijen schoven de gegadigden aan en na de voltrekking van de ruil zag je hen twijfelend kijken naar de pas aangeschafte vrucht. In het Franse stadje Revin werkte hij samen met een zestigtal winkeliers en het stadsbestuur. Hij liet bankbiljeten drukken (de 'nanards') die je kon wisselen bij de bank en waar je aankopen mee kon verrichten in de winkels. Elke middag verzorgde hij voor de lokale radio een programma waarin onder andere de beursberichten werden besproken.

Een van de mooiste voorbeelden van deze vreemde mengeling van ruimtelijke ingrepen, het maken van schone zaken en economische bespiegeling, was de Chapellerie Haute. Temidden van een tentoonspreiding van de handelswaar van enkele Brusselse galeries, die plaatsgreep in een gebouw in de Hoogstraat, vond je een prachtige hoedenwinkel waar je hoeden, certificaten en op kranten vastgelegde situatieschetsen kon verwerven. (De vergetelheid, Het idee, De broosheid.) Wie wilde kon echter ook een hoed of pet gaan kopen in een 'echte' hoedenwinkel aan de overkant van de straat. Deze nering en haar eigenaar waren door Vergara betrokken bij de tentoonstelling. Een andere mooi werk was de inrichting van een reisbureau dat dagtrips doorheen Brussel verkocht tegen 'op maat gemaakte tarieven'. Het agentschap was gesloten wegens vakantie, zodat de toeschouwer geconfronteerd werd met een soort kijkdoos, die we ook terugvinden in de huidige schilderijen.

Het eerste schilderij biedt een gezicht op het Café del Año, dat bekeken wordt door het raam en doorzichtige muren. De ruimte van het café wordt afgebakend door klare, rechte lijnen. Andere lijnen beschrijven de bewegingen van de gebruikers, die namen van filosofen als bijnaam gekregen hebben. Links bevindt zich een kolom met namen van Belgische uitvinders zoals Baron Lippens (de uitvinder van Het Zoute). Het tweede schilderij biedt een overzicht van de economische bedrijvigheid in België, ingedeeld per sector en per stad en uitgedrukt in miljarden Belgische frank. Dit schilderij toont ons niet alleen tabellen. Fijne, vaak lichtgekleurde lijnen schetsen ook de omtrekken van een ruimte, alsof we die waarnemen doorheen een etalageruit. Verspreid over het doek vinden we de namen van Mr. Alcatel Bell, Mr. Générale de Banque, etc. en lijnen die hun verplaatsingen binnen de fictieve ruimte aangeven. Het derde schilderij geeft een overzicht van de verschillende perioden van Rubens' leven. In een linkse kolom worden al 'zijn' tentoonstellingen opgesomd en in een rechtse kolom al 'zijn' privé-verzamelaars. Verder treffen we de namen aan van enkele bekende schilders die Rubens bijstonden in zijn atelier en enkele beroemde moordenaars en opdrachtgevers.

Als je het werk van Vergara een tijdje hebt gevolgd ontdek je een grote coherentie, een grote, strakke basislijn, maar je merkt ook dat de vorm blijft verschuiven, tasten, zich omkeren. Enkele maanden geleden toonde Vergara in het Brusselse Sint-Lukasinstituut een 'winkel' waar je beschilderde etalageruiten kon kopen. Deze etalageruiten voor een slagerij, een telefoonwinkel en een huis van betaald plezier werden tentoongesteld op stellages die deden denken aan de inrichting van winkels waar behangselpapier en vloerbekleding worden verkocht, of aan die bestelwagens met bijbehorende speciale rekken voor het vervoer van grote ruiten. Het leek alsof Vergara teruggekeerd was naar zijn oude schilderijen, die op een vettige of heftige manier spraken van een uiteengespatte ruimte, waarin de wetten van de representatie aan diggelen geslagen waren. Nu staan we voor schilderijen die werden opgevat alsof ze op ruiten of doorzichtige muren geschilderd werden.

Telkens weer komen alle draden van Vergara's werk samen, zij het elke keer met een ander patroon, met een ander zwaartepunt. Deze keer heeft hij alle elementen van zijn rijkgeschakeerd werk samengebracht in schilderijen die zeer aangenaam zijn van zicht. Mensen die Vergara's werk al kennen zullen in deze elegante schilderijen een vernuftige synthese en een nieuwe benaderingswijze zien van alle thema's die hij tot nu toe heeft aangepakt. Voor de anderen vormen ze een fraaie introductie tot het oorspronkelijke, dansante oeuvre van deze kunstenaar.

Er zijn weinig dichters. Dat is een feit dat zeker is. Wat Vergara doet, dat is poëzie. Dat is een mengeling van op straat spelen en thuis een plezant boek lezen. Als hij een beeld toont, dan roept dat beeld iets op. Daar is weinig ruis. Als hij woorden gebruikt, dan voel je dat ze ergens wortels hebben. Vergara heeft zijn kranten écht gelezen. Hij kent zijn Courbet. Hij draagt zelf hoeden. Meer moet dat niet zijn.


Montagne de Miel, 26 september 1996
 

* In een brief, gedateerd 6 januari 1997, laat de heer Piet Coessens, Directeur van de Vereniging voor Tentoonstellingen van het Paleis voor Schone Kunsten, ons weten dat ‘deze passage kan aanleiding geven tot verwarring’, omdat niet de Vereniging voor Tentoonstellingen, maar de directie van het Paleis voor Schone Kunsten zelf – een parastatale die onder meer de verantwoordelijkheid draagt voor het gebouw –, ‘de kunstenaar aangemaand’ heeft ‘te verdwijnen van de plaats die hij had ingenomen: de hoofdingang van het PSK aan de Ravensteinstraat. De Vereniging voor Tentoonstellingen heeft dit optreden betreurd, maar had er jammer genoeg geen vat op.’