Hans Theys is een twintigste-eeuws filosoof en kunsthistoricus. Hij schreef en ontwierp tientallen boeken over het werk van hedendaagse kunstenaars en publiceerde honderden essays, interviews en recensies in boeken, catalogi en tijdschriften. Al deze publicaties zijn gebaseerd op samenwerkingen of gesprekken met de kunstenaars in kwestie.

Dit platform werd samengesteld door Evi Bert (Centrum Kunstarchieven Vlaanderen). Het kwam tot stand in samenwerking met de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen (Onderzoeksgroep ArchiVolt), M HKA, Antwerpen en Koen Van der Auwera. Met dank aan Idris Sevenans (HOR) en Marc Ruyters (Hart Magazine).

ESSAYS, INTERVIEWS & REVIEWS

Anne-Mie Van Kerckhoven - 2012 - Een verschrikking [NL, interview],
, 3 p.




__________

Hans Theys


Een verschrikking
Anne-Mie Van Kerckhoven over haar verblijf aan de Antwerpse academie



Anne-Mie Van Kerckhoven (°1951): Ik studeerde aan de academie van 1970 tot 1974. Toen ik twaalf jaar oud was, wilde ik beeldhouwer worden, een jeugddroom. Mijn ouders wilden mij in de leer doen bij de beeldhouwer Albert Poels, maar ik had geen zin om tot mijn vijftiende werk voor hem uit te voeren. Ik wilde dolgraag naar de academie, maar dat mocht niet van thuis. Bovendien vonden de mensen van het PMS, die je moeten begeleiden bij je beroepskeuze, mij te slim voor de ‘sierkunsten’. Ik moest en zou naar de humaniora gaan. Sint-Lukas in Brussel mocht ook niet. Dan vroeg ik of ik niet naar de avondschool mocht, maar ook dat was uitgesloten. Na drie jaar Sint-Lutgardis in Antwerpen heb ik ervoor gekozen mijn tijd tot mijn achttiende af te wachten in het Heilig Graf pensionaat in Turnhout. Nadien heb ik mij meteen ingeschreven aan de academie van Antwerpen, waar ik uiteindelijk grafische vormgeving ben gaan studeren. Het toelatingsexamen verliep heel goed. Beeldhouwer Mark Macken, de directeur, zei: ‘Talent heeft ze, de rest zullen we haar wel leren.’ Mevrouw Prijot wilde heel graag dat ik bij haar mode kwam studeren, maar ik wilde alleen maar al tekenend nieuwe technieken leren, en met tekst werken.

Samengevat zou je kunnen zeggen dat de academie een verschrikking voor mij is geweest. Ik was in hart en nieren een vrij kunstenaar en begreep niets van dat werken met opdrachten. Ik begreep die opdrachten ook niet. Ik snapte meestal niet wat van mij werd verwacht. Leraars van andere richtingen zeiden achteraf dat ik Vrije Monumentale had moeten kiezen, omdat ik graag grote dingen maakte waar je lang aan moest werken.

Fotografie werd nog niet als een echte kunst beschouwd, maar wij konden dat wel al studeren. Tijdens mijn tweede jaar ontstond de afdeling fotografie als afsplitsing van de grafische vormgeving. Ik besloot bij de grafische vormgeving te blijven, omdat ik het tekenen niet wilde afzweren, maar ik heb veel geleerd van de leraars fotografie, Jos Hermans en Paul Ausloos. We hadden enkele heel goede leraars. Modeltekenen kregen we onder meer van Wilfried Pas. Dat was heel leerzaam. Hij zei niet veel, maar die enkele dingen die ik bij hem heb geleerd, hebben later gediend als basis toen ik zelf tekenleraar werd aan de Academie van Gent. Hij leerde ons dat je moest denken vanuit het middelpunt van de gewrichten en dat je aan de hand van het besef van die punten contact kreeg met de diepte. Mijn belangrijkste atelierleraar heette Piet Serneels. Onze samenwerking was een ramp. Om een of andere reden had de man een probleem met mij. Hij was altijd verschrikkelijk demotiverend. Dit werd zo erg dat ik het laatste jaar altijd de klas verliet als hij die betrad. Nu heb ik daar spijt van, omdat ik veel later heb ontdekt dat mijn grootouders, die een feestzaal beheerden, eens een ontwerp voor een muurschildering bij hem hadden besteld, maar hem nooit hebben betaald. Toen ik dat later vernam, ben ik echt woedend geworden op mijn grootmoeder. Ik was toen al kunstenaar en had al enkele malen ondervonden hoe vrijblijvend dikwijls wordt omgegaan met afgewezen ontwerpen. Al die jaren spanningen, zonder te begrijpen waar ze vandaan kwamen! Bovendien hing dat grote ontwerp in het bureau van mijn vader en als klein kind al kon ik er mijn ogen niet van afhouden. Voor mij was dat een fascinerend grafisch meesterwerk van mooie vormen en mysterieuze kleuren, onberispelijk geschilderd in plakkaatverf. Juist die man had ik willen leren kennen!

Onze klas startte met 26 studenten, in het laatste jaar waren we maar met vier meer. Tot grote onvrede van Serneels waren dat vier vrouwen. Hij noemde ons de geitenklas en zei meermaals dat hij het zonde vond om zijn tijd en kennis te verspillen aan een klas met alleen maar vrouwen die later toch zouden trouwen, kinderen krijgen en nooit meer iets artistieks verrichten. Ik voelde dat aan als een verschrikkelijk affront. En Serneels was niet de enige. Het was in Antwerpen bon ton om vrouwen op artistiek gebied niet ernstig te nemen. In mijn ogen gedroegen alle Antwerpse mannen zich slecht tegenover hun vrouwen. Het is niet voor niets dat mijn eerste serieuze vrijer uit Aalst kwam en mijn man Danny (Devos) van Vilvoorde. Kunsthistorisch en ook op hedendaags gebied hadden vrouwelijke kunstenaars ook niet veel voorbeelden. Meret Oppenheim en Niki de Sainte-Phalle. Dat was het. We kregen ook geen les over hedendaagse kunst. Onze kunstgeschiedenis ging over Afrikaanse stammen, bij wijze van spreken. En het ideaal voor Serneels was Paul Klee. Onze leraars waren ook heel erg beïnvloed door de manier waarop reclame werd gemaakt in Midden- en Oost-Europa. Terecht. Die praktijk was van een enorme kwaliteit, maar een bredere, meer eigentijdse horizon zou stimulerender geweest zijn. Het was taboe om tekentechnieken uit te proberen die leken op wat bijvoorbeeld aan illustraties deed denken uit “Avenue”, een Nederlands toen erg hip tijdschrift.

Het jaar dat ik arriveerde, hebben ze de artiestenbals afgeschaft. Dat vond ik echt spijtig, want die waren vermaard en ik had er naar uitgekeken. Toen heerste ook de idee dat je als kunstenaar heel veel moest drinken om erbij te kunnen horen. Dat deed ik dan ook, tot ik op mijn 24ste het begin van levercirrose kreeg. Ik dronk toen echter wel hoofdzakelijk om mezelf te bewijzen dat ik het kon als ik het wilde, ook als rebellie tegenover mijn opvoeding. Niet zozeer om me te bewijzen als kunstenaar. Want tot die ziekte, waardoor ik drie maanden alleen in quarantaine in mijn bed moest rusten, had ik me er bij neergelegd dat ik gewoon de vrouw van een kunstenaar zou worden. Na mijn ziekte stond mijn besluit echter vast. Na mijn studies ging ik meteen werken in een restaurant en in 1974 stelde ik al tekeningen tentoon bij Ercola.

Ik heb niet veel goede herinneringen aan de laatste jaren van mijn academietijd . Als ik weinig punten kreeg en ik vroeg waarom, gaf dat problemen. Blijkbaar mocht je daar niet naar vragen. Maar hoe kon je dan vooruitgang boeken? Als eindwerk wilde ik een campagne maken met als basis een klei-animatie met geboetseerde varkentjes die in een bloempot groeiden. Mijn onderwerp was het geneesmiddel Stresnil, dat ze aan varkens geven als ze naar de slachterij gebracht worden. Animatiefilms mochten in de Antwerpse Academie niet gemaakt worden en een geneesmiddel voor varkens vond Serneels een beschamend onderwerp. Ik ben dan afgestudeerd met een werk over de Noorse sagen en legenden. Later kreeg ik gelijkaardige problemen met mijn tekeningen. In de kunstwereld kreeg ik niet de kans die te exposeren, gedurende jaren raadde iedereen uit mijn omgeving het me af, mijn galeriehouder, maar ook Danny. Uiteindelijk wilden Filip Luyckx en nadien Dirk Snauwaert ze tonen, maar daar zijn 20 jaar overheen gegaan. Het nieuw soort werk waar ik nu mee bezig ben, roept ook weer weerstanden en reserves op, maar gelukkig nam mijn galeriehoudster in Berlijn het direct op in een show die nu loopt. Werk moet getoond worden, en moet reacties kunnen uitlokken. Het moet een leven kunnen leiden.

Ja, de academie, dat is niet geworden wat ik me er indertijd van voorgesteld had. Ik kende mensen die les kregen van Jozef Beuys, die hadden verhalen te vertellen. In mijn geval was mijn opleiding een warrige zaak. Het lag waarschijnlijk ook aan mij. Denkend aan de belofte van Marc Macken heb ik lang met het idee geleefd dat ik te weinig aan de academie heb geleerd. Maar de afdeling waarin ik moest terechtkomen, bestond toen nog niet, vrees ik. Gelukkig heeft een goed verstaander maar een half woord nodig. En misschien gaat het altijd zo: dat je dingen bijleert op basis van kleine kruimels die je hier en daar oppikt.


Montagne de Miel, 12 november 2012