Hans Theys is een twintigste-eeuws filosoof en kunsthistoricus. Hij schreef en ontwierp tientallen boeken over het werk van hedendaagse kunstenaars en publiceerde honderden essays, interviews en recensies in boeken, catalogi en tijdschriften. Al deze publicaties zijn gebaseerd op samenwerkingen of gesprekken met de kunstenaars in kwestie.

Dit platform werd samengesteld door Evi Bert (Centrum Kunstarchieven Vlaanderen). Het kwam tot stand in samenwerking met de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen (Onderzoeksgroep ArchiVolt), M HKA, Antwerpen en Koen Van der Auwera. Met dank aan Idris Sevenans (HOR) en Marc Ruyters (Hart Magazine).

ESSAYS, INTERVIEWS & REVIEWS

Emilio López-Menchero - 2002 - Encounters [EN, interview],
, 10 p.




__________

Hans Theys


Ontmoetingen
Twee gesprekken met Beatrijs Albers en Emilio López-Menchero



1. Een eerste gesprek met Beatrijs Albers en Emilio López-Menchero, opgetekend op 19 december 2001

Albers: In Strombeek hebben we een gezamenlijke installatie gemaakt die is voortgekomen uit een onverwachte ontmoeting. Enkele maanden eerder hadden Emilio en ik, zonder dat we elkaars werk kenden, deelgenomen aan de groepstentoonstelling ‘Fantasy Javoba IV’, die georganiseerd was door Eva Gonzalez-Sancho en Luk Lambrecht in de Brusselse ruimte CôtéKaNaL. Emilio maakte een geluidswerk met fluitende mannen.

Menchero: Het waren fluitsignalen. Mannen waren er niet. Het lichaam was afwezig. Ik vond het juist boeiend dat je de fluitsignalen niet kon plaatsen, omdat je je er geen gezicht kon bij voorstellen. Je wist niet of het waarschuwingen waren of pogingen je aandacht te trekken. Het was een ruimte met vier verdiepingen. Op elke verdieping kon je, met onregelmatige tussenpozen, iemand op zijn vingers horen fluiten. Er werd op vier verschillende manieren gefloten. Soms leek het gewoon een alarmsignaal of een groet, maar soms, door een toevallige opeenvolging van de verschillende fluitsignalen, dacht je dat er op de verschillende verdiepingen mensen zaten die elkaar seintjes gaven of met elkaar communiceerden.

Albers: Door de fluitsignalen raakte je je bewust van de ruimte. Het was een werk over de ruimte. Je voelde de vier verdiepingen zonder ze te zien. Ik voelde de fluitsignalen ook aan als een oproep, als een appel.

Menchero: Tijdens diezelfde tentoonstelling heb ik ook een video getoond waarop je mij in een klinisch aandoende, betegelde ruimte naakt op een stoel ziet zitten. De camera zoomt langzaam in op een stukje van mijn hals tot een in pixels uiteengevallen stukje huid het hele scherm vult. Voor mij is het een soort overgang van het figuratieve naar het abstracte. Het is een werk over de ruimte, maar ook over de schilderkunst. Het is ook niet onbelangrijk dat ik mijzelf film, natuurlijk. In veel van mijn werken probeer ik mijzelf een plaats toe te kennen of probeer ik een ruimte of een situatie te verkennen door er iets aan toe te voegen, bijvoorbeeld mezelf.

Albers: Of je schoenzolen.

Menchero: Ja, voor een eerder werk heb ik een soort van gele plateauzolen van 18 centimeter hoog op 60 verschillende locaties in Berlijn neergezet. Vervolgens heb ik gefilmd wat er gebeurde. Sommige mensen gingen erop staan. Soms ontstond er een verstandhouding tussen mijn zolen en de zolen van een dame die voorbij wandelde. De gele kleur van de zolen scheen ook de hele omgeving te beïnvloeden. Later heb ik die kleur nog verschillende keren gebruikt, bijvoorbeeld voor mijn grote frieten in Noorwegen. Men had mij gevraagd een werk te plaatsen in de buurt van een groot, rond, aluminium gebouw dat mij aan een frietpot deed denken. Het was een Noorse havenstad en het thema van de tentoonstelling ging om eten en reizen. Misschien was het werk ook een variant van mijn happening in Venetië, toen ik kleine modellen van het atomium probeerde te verkopen. Ik stond daar op de biënnale tussen het Belgische en het Spaanse paviljoen en ik voelde mij, door mijn hybride identiteit, de meest aangewezen persoon om Belg te zijn in Venetië. Eigenlijk keert hetzelfde idee terug met die grote frieten.

Albers: Het gebouw CôtéKaNaL ligt net aan een bocht in het kanaal Brussel-Charleroi. Je hebt de indruk dat boten die rechtdoor zouden varen het gebouw zouden kunnen rammen. Ik heb zo’n aankomende boot frontaal gefilmd en die film vervolgens geprojecteerd op een muur die uitgeeft op de bocht in het kanaal. Het gebouw heeft daar een afgevlakte hoek, zodat de projectie een exact beeld gaf van de buiten aankomende boot. Op een bovenliggende verdieping heb ik een steen uit dezelfde muur gewrikt, waardoor je een uitzicht kreeg op een brouwerij met het opschrift ‘Belle Vue’.

Menchero: Luk Lambrecht was opgetogen over onze aanpak en nodigde ons uit om samen tentoon te stellen in het Cultureel Centrum van Strombeek.

Albers: Ik was pas terug van een reis naar de Verenigde Staten waar ik vier weken lang gestapt en gefilmd had in het natuurreservaat Death Valley. Eigenlijk is dat een plek waar toeristen niet meer dan één keer overnachten, omdat het daar zo verschrikkelijk heet en koud kan zijn, maar ik hou ervan mijn grenzen te verleggen en ik heb geprobeerd het hele gebied zoveel mogelijk te leren kennen. Na enkele dagen raakte ik mij pas echt bewust van een aantal rechte grenzen op de kaart van het reservaat en ben ik naar zo’n grens gestapt om te kijken wat er eigenlijk aan de basis van lag. Hier en daar heb je wel centra waar men de toeristen informatie aanbiedt, maar je komt vrijwel niets te weten. De Amerikanen zijn grote verleiders. Alles ziet er heel verleidelijk uit. Het kost wel enig zoekwerk om te ontdekken dat er her en der nog kleine indianengemeenschappen te vinden zijn of dat het natuurreservaat op verschillende plekken grenst aan reusachtige militaire domeinen.

Op een dag zag ik een vrachtwagen voorbijrijden die een houten huis vervoerde. Ik ben blijven wachten tot er nog een voorbijkwam om die vreemde verschijning te filmen. Later hoorde ik dat de indianen hun huizen bestellen en laten leveren.

Voor de tentoonstelling in Strombeek besloot ik een trapvormige grens van Death Valley National Park in lichtgevende, witte verf over te zetten op twee gevels van een nabijgelegen ijsfabriek. ’s Nachts, wanneer je de gevels niet meer kon zien, verdween de hoek van het gebouw en leek het alsof de witte, dikke streep gewoon een vlak afbakende.

Intussen had Emilio besloten een werk te maken met een nabijgelegen basketbalveld…

Menchero: Ik ga altijd te werk als een architect. Ik heb architectuurstudies afgelegd. Als ik ergens toekom vraag ik mij altijd af wat er ontbreekt, waar ik nog iets aan kan toevoegen. Het basketbalveld trok mij aan omdat het verwaarloosd was. Je kon er ook niet echt spelen, omdat er geen afsluiting aangebracht was. Mijn eerste idee was het gemeentebestuur te vragen een afsluiting rond het veld te plaatsen. Basket heeft ook iets te maken met ruimte. Basket is snel kijken en handelen in de ruimte. Ik tekende een plan van het veld en verbreedde het trottoir een beetje, want het trottoir was niet breed genoeg voor de reglementaire zijruimte. Ik besloot ook meteen het veld op te frissen en de bestaande grenslijnen te herschilderen.

Albers: Zonder het van elkaar te weten zaten we allebei met dezelfde lichtgevende verf, grenslijnen te schilderen.

Menchero: Later heb ik op het dak van het Cultureel Centrum, dat bedekt was met rode roofing die deed denken aan het asfalt van het basketbalveld, met dezelfde verf de grenslijnen van een basketbalveld geschilderd.

Albers: Zo ontdekten we steeds meer overeenkomsten tussen ons werk, ook al blijft het tegelijk heel verschillend.

Menchero: We zijn allebei bezig met mythes, ons werk is vaak autobiografisch, zij het op een verschillende manier, en we proberen allebei sociale aspecten in ons werk op te nemen. Het werk van Beatrijs over Death Valley gaat over haar eigen behoefte plaatsen wandelend te verkennen, over de mythe van de Amerikaanse pioniers, over de geschiedenis en de hedendaagse situatie van de indianen, over de aanwezigheid van de militaire kampen, over de natuur, over het maken van videofilms en over wat het betekent kunst tentoon te stellen in het Cultureel Centrum van Strombeek.

Albers: Het werk van Emilio is op een andere manier autobiografisch. Het basketbalveld deed hem denken aan zijn vader die in de jaren vijftig een verdienstelijk basketbalspeler was in Spanje. Hij heeft in Strombeek ook een video van zichzelf gemaakt, spelend op het veldje.

Menchero: Ik heb altijd de indruk gehad dat mijn vader wilde dat ik basketbalspeler zou worden, maar ik ben niet groot genoeg geworden. Soms denk ik dat ik met opzet klein gebleven ben.

Albers: Daarom zie je hem geen doelpunten maken. Het is een filmpje over een falende, stuntelige basketbalspeler. Tegelijk nodigt Emilio ook twee plaatselijke jeugdploegen uit om op het vers gemarkeerde veldje te komen spelen en nodigt hij het gemeentebestuur uit het pleintje beter te verzorgen. Aan de andere kant is Emilio ook bezig met mythes. Voor andere tentoonstellingen heeft hij zichzelf laten fotograferen als Picasso en als Che Guevara, twee Spaanstalige helden.

Menchero: Uiteindelijk hebben we besloten om in de tentoonstellingsruimte van het Cultureel Centrum een gezamenlijke installatie te maken. We hebben een box gebouwd waarvan de voorzijde bestond uit het traliewerk dat volgens mij rond het veldje moest komen.

Albers: De linkerzijde bestond uit oranje ribstop nylon die onder andere gebruikt wordt voor tenten. Voor mij drukt die stof een vorm van fysieke en mentale bescherming uit.

Menchero: Doorheen het traliewerk kon je achterin de box een zwart-wit schilderij van een luchtfoto van de omgeving van het Cultureel Centrum zien.

Albers: Met de twee pas geschilderde basketbalvelden.

Menchero: Aan de achterkant van de box bevond zich een grote aquarel van Beatrijs, een schilderij in de traditie van het Amerikaanse naturalisme, een beetje kitscherig, maar ook heel fascinerend. Door een precieze belichting van dit schilderij en door het vlak rond het schilderij violet te schilderen deed het werk denken aan een grote, didactische dia. In een andere ruimte toonde ze de film 'Live on the edge' radio line, waarin ze prachtige natuurbeelden combineert met citaten uit een religieus radioprogramma.

Albers: Op drie monitoren in een andere ruimte kon je een film zien waarin ik eigen beelden heb doorsneden met fragmenten uit de film 'Zabriskie Point' van Antonioni. Ik heb uit die film alleen de beelden genomen waarin je een paar ziet vrijen op het strand. Het zijn bijna abstracte beelden, onder andere door het zand dat op hun lichamen blijft kleven. Maar wat mij het meest interesseerde is dat de plaats waar de beelden zijn opgenomen nu deel uitmaakt van een militair domein. Eigenlijk is dat hele gebied onderverdeeld in verschillende territoria. Er zijn reservaten voor indianen, parken voor toeristen en militaire domeinen. Daarom liet ik bovenop de beelden de namen van de verschillende territoria verschijnen, zoals 'Nelis Air Force Bombing Range' of 'Fort Mojave Indian Reservation'.

Menchero: Beatrijs is veel bezig met het idee van het territorium. Wat is van ons? Wat is van de anderen?

Albers: Wandelen is ook een vorm van afbakenen van een territorium. Ik ben bezig met trajecten, met migratie. Ik probeer mijn ervaringen te registreren met video. In zekere zin is er dikwijls een fysieke basis voor mijn werk. Bij Emilio is de vorm vaak fysiek.

Menchero: Ik reis vooral in de mythe. Ik probeer te werken met de mythen die mij verraden hebben. Een mythe is een leugen die een waarheid verbergt en tegelijk openbaart.

Albers: Verder heb ik ook beelden getoond van Zabrikie Point zelf. Zabriskie Point is een rotswoestijn die heel populair is bij toeristen. Ik heb geprobeerd om verschillende soorten beelden van die plek met elkaar te combineren, zodat je onder andere een overlapping krijgt van persoonlijke en historische reflectie. Ik ben geboeid door de manier waarop de geschiedenis geromantiseerd wordt voorgesteld in de Verenigde Staten. In de eerste plaats was er een groot aquarel van het landschap te zien in de stijl van Russel en Turner. Verder heb ik een reeks dia's getoond in elektrisch verlichte diakijkers die ik aan de muur heb bevestigd. Elke dia toonde een rond beeld met een zwarte kader, zoals de klassieke weergave van iemand die door een verrekijker kijkt. Mijn eigen beelden van het landschap werden afgewisseld met detailopnames van een maquette waarop de geschiedenis van de pioniers werd uitgebeeld.

Daarnaast kon je in een viewmaster kijken naar driedimentionale, geïdealiseerde beelden van de streek, commerciële beelden die verkocht werden aan de toeristen. Hoe meer ik bezig was met al deze verschillende beelden van hetzelfde territorium, hoe meer ik besefte dat elk verschillend type beeld een andere realiteit fabriceert.

Menchero: De film Zabriskie point was een kritiek op de studentenrevolte van '68.

Albers: De film werd gemaakt in 1970.

Menchero: Antonioni heeft dat landschap waarschijnlijk uitgekozen om er de ijdele hippieidealen van de natuur, het lichaam en de vrede op te projecteren.

Albers: En die idealen liet hij contrasteren met het verzet van de Zwarte Amerikanen.

Menchero: Dat herinner ik me niet meer.

Albers: Het beeld van dat landschap is erg beladen en wordt ingepalmd door verschillende groepen van mensen. Het was mijn bedoeling die verschillende benaderingen naast elkaar te plaatsen als een soort van archivaris of archeoloog van het beeld.
 

2. Middenstuk

Niemand weet wanneer ons brein zijn eerste deuken krijgt, tijdens de eerste, woordeloze maanden of tijdens de in woorden verstrikte jaren die erop volgen, maar het is wel duidelijk dat we nooit zeker zullen weten waarom we een bepaalde handeling hebben gesteld of nagelaten. We zijn blinde machines die gehoorzamen aan verborgen drijfveren, die altijd tegelijk uit vlees en geest, uit plaats en tijd getrokken zullen zijn en die nooit in het licht zullen wandelen waar alles duidelijk wordt en zacht.

      Intussen hebben ze wel de subsidies uitgevonden, zodat mensen die in afwachting van het laatste oordeel besloten hebben dat ze niet willen werken zoals iedereen, alsnog op een relatief vrije, zij het schamele wijze kunnen overleven. Deze mensen worstelen met beelden van traagheid en snelheid, met vormen en kleuren, met materialen en betekenissen, met de fiscus, hun echtelieden en hun buren. Want niks is duidelijk in hun wereld. De kunst van de Egyptenaren is versleten, de kunst van de Vlaamse primitieven verkoopt niet meer en Dubuffet is ook al dood. Kunstenaars van deze dagen proberen betekenis, zin, kleur en vorm te trekken uit andere materialen, andere situaties en andere ervaringen. Ze proberen gewone werkende mensen bij hun oeuvre te betrekken, ze proberen uitspraken te formuleren over politiek en wetenschap, ze proberen ons zaken over zichzelf te vertellen en ze proberen iets te verkopen. Het kunstenaarsvak is een zwaar beroep.

          Nooit eerder in de geschiedenis hebben er zoveel verschillende technieken bestaan om beelden te maken en te reproduceren. Toch worden er niet meer sterke beelden gemaakt dan vroeger. Als je een beeld opvat als een min of meer stabiel blijvende vorm die emoties of gedachten oproept, dan kan om het even wat een beeld zijn, maar slechts weinig beelden zullen ons werkelijk aangrijpen of aan het denken zetten. Er zijn wel heel veel kunstenaars. In België alleen al zijn er vijftigduizend mensen die zichzelf kunstenaar noemen. Elk jaar leveren de talrijke kunstscholen nieuwe aspirant kunstenaars af.

          Er worden tegenwoordig heel veel kunstwerken gemaakt. Slechts enkele van die werken zullen onze generatie overleven. Binnen honderd jaar, als onze beschaving dan nog bestaat, blijft er van al dit gedoe waarschijnlijk niets meer over. Toch heeft dat geen belang. Het gaat erom vandaag zinvol bezig te zijn. Hoe kunnen we ’s ochtends de krant lezen en daarna nog kunst maken? Hoe kunnen we op de televisie en in de kranten kennis nemen van zoveel verschrikkingen en toch verder blijven prutsen in ons decadente, goed afgeschermde tuintje? Ik denk dat mensen zoals Flaubert en Cassavetes te maken kregen met dezelfde vragen, maar gewoon besloten hebben altijd verder te werken. Sommige mensen moeten hun ogen afdekken en doorgaan met het cultiveren van hun eigen illusies. Uiteindelijk blijft van alle verschrikkingen niets dan stof — pijn laat zich slecht bewaren — en kunnen wij toch alleen maar leven op de paar vierkante meter die ons zijn toegekend.

          ‘Kunst is verovering van ruimte,’ schreef Marcel Broodthaers. Hij schreef dit aan het eind van de jaren zestig, om een beetje te lachen met de maanreizigers, maar ook om een beetje te lachen met zijn collega-kunstenaars die zoveel mogelijk vierkante meters probeerden te veroveren in de musea, al was het maar om er niet verkoopbare muurschilderingen tentoon te stellen. Daarom schilderde hij in Kassel een zwart vierkant op de grond dat hij afbakende met museumtouwen en ‘Privé-eigendom’ noemde.

          Elke kunst streeft naar een verovering van tijd en ruimte. Elke kunstenaar probeert iets te zeggen over zijn tijd, over zijn ervaring. Elk nadenken over een vorm impliceert een nadenken over ruimte. In de renaissance schreed de kunst vooruit met de toepassing van de verkorting en het perspectief, in het begin van deze eeuw door de uitvinding van de readymade en in de jaren zestig door de commercialisering van het concept.

          Toen Beatrijs Albers en Emilio López-Menchero me een jaar geleden vroegen of ik wilde meewerken aan een boekje over hun gezamenlijke tentoonstelling in Strombeek was ik meteen getroffen door hun enthousiasme. Het was de eerste keer dat ik twee kunstenaars zo zag ijveren voor een gemeenschappelijk project. Meteen voelde ik dat hier iets was gebeurd, iets bijzonders, dat ze zelf nog niet onder woorden konden brengen, maar dat ze niet graag wilden laten vervagen. Gisteren — meer dan een jaar later — heb ik hen opnieuw ontmoet. Hun geestdrift was nog even aanstekelijk. Niet alleen door hun wederzijdse aandacht of door de manier waarop ze elkaar aanvullen als ze spreken, maar ook door talloze onuitgesproken gevoelens en gedachten die aldoor voelbaar zijn, door hun werk worden aangeraakt, maar nooit helemaal verteld raken.

          Beatrijs Albers doorkruist de Westkust van de Verenigde Staten, Arizona en Nevada en gaat stappen in het Death Valley National Park. Ze vertelt dat ze een kick krijgt van die wandelingen en van de materialistische cultuur die daarmee gepaard gaat: de goede voorbereiding, het degelijke materiaal, het kaartlezen, enzovoort. Tegelijk neemt ze er bewust afstand van. Beatrijs Albers spreekt vaak over verleiding. Het lijkt alsof ze zich verzet tegen het verleidelijke, zonder de waarde ervan te willen verloochenen. Ze geeft toe dat de Verenigde Staten een prachtig land vormen, maar ze gaat op zoek naar sporen van de geschiedenis die dit land zijn uiteindelijke vorm hebben gegeven.

          Emilio López-Menchero is een bastaard. Zijn vader is in 1958 als Spaans chemicus in Mol gearriveerd. Menchero heeft er Vlaamse vrienden, maar wordt opgevoed in het Frans. Zijn familie woont nog in Spanje. Hij houdt van België en de Belgische clichés zoals het Atomium en het pak friet, maar delen van zijn brein wonen in Spanje en overal. Menchero probeert de wereld in het reine te trekken door haar te hertekenen. Hij wordt architect. Hij herdenkt de kunst in functie van de architectuur. Hij misbruikt de architectuur om de ruimte uit haar haak te trekken. Hij probeert van identiteit te veranderen. Hij denkt zijn eigen identiteit ineen te kunnen puzzelen door de ruimte te perverteren en te redden. Hij probeert aan de ruimte te ontsnappen door op te lossen in een mythe. Hij zou graag vliegen, maar hij baant zich moeizaam een weg door een eindeloos en moeilijk te ontwarren doolhof.

          Menchero wil de ruimte samenvatten, Albers wil haar transparant maken. Menchero wil verhelderen, Albers wil doorlichten. Ongemerkt hebben hun verhalen elkaar ontmoet en zich voor even met elkaar verstrengeld. Als ze samen praten stuiten ze voortdurend op overeenkomsten, waarna hun verhalen zich weer terugtrekken in de verschillen die deze ontmoeting hebben mogelijk gemaakt. Zonder verschil is er geen ontmoeting mogelijk.

          We zijn blinde machines die gehoorzamen aan verborgen drijfveren, maar tijdens een ontmoeting lijken we heel even vat te hebben op onze bezigheden en onze omgeving. De verschillen, die doorgaans afstand scheppen, worden onze waarde, ook al blijven ze onontwarbaar verbonden zijn met de donkere, onduidelijke achtergrond van de niet vertaalde beelden waaruit ze geboren zijn.
 

3. Een tweede gesprek met Beatrijs Albers en Emilio López-Menchero vergezeld van Reggy Timmermans, opgetekend op 22 maart 2002.

Albers: Het Strombeek-project is intussen al bijna twee jaar oud. Ik heb sindsdien nieuwe werken gemaakt en zou die in het boek willen betrekken. De laatste tijd heb ik veel samengewerkt met Reggy Timmermans.

Timmermans: We hebben gewerkt aan een film van 45 minuten over Ierland, die we 'Construction' hebben genoemd. Het is een film waarin we beelden van een reis door Ierland afwisselen met andere beelden. De film biedt het relaas van een traject. Beatrijs had het over haar film 'Life on the edge' radio line, waarin beelden gecombineerd worden met een religieus radioprogramma. De klankband legt beslag op het landschap. In onze film 'Construction' is er een fragment waar je een radioprogramma hoort in het Gaelic.

Albers: De klank geeft vorm aan het beeld. Het radioprogramma creëert een afstand, vooral omdat het gaat om een vreemde taal, waarvan we maar een paar woorden begrijpen.

Timmermans: De film toont vooral beelden die geschoten zijn vanuit de wagen of vanuit een bus. De Ierse klank legt een sociale constructie over het landschap. Het geluid zegt ons dat het getoonde landschap van de Ieren is.  We zijn bij hen thuis. De taal fungeert als een machtsgreep over het landschap en eigent zich het territorium toe.

Albers: Die radioprogramma's hebben een geheel eigen kleur. Ze storten je in de cultuur en de geschiedenis.

Timmermans: Het is wel grappig. Als je door zo'n landschap rijdt terwijl je naar de radio luistert, krijg je de indruk dat je in een film zit. Het landschap wordt een voortrollend beeld en de radio zorgt voor de klankband.

Albers: De werkelijkheid wordt onwerkelijk.

Timmermans: Het was onze bedoeling een namaak narratieve film te maken op basis van onze impressies tijdens een reis. Eigenlijk hebben we een remake gemaakt van een fictie die we aangeboden kregen door de omstandigheden en die we daarna opnieuw hebben proberen te projecteren.

Albers: Een ander voorbeeld van zo'n namaak narratieve constructie is een sequentie die we hebben samengesteld uit verschillende beelden die we hebben overgenomen van een televisieprogramma in een hotel. Het ging om een commerciële uitzending waarin de kijkers werden aangemoedigd om telefonisch huizen te kopen op een openbare veiling.

Timmermans: Het was een televisieprogramma waarin ons werd geleerd hoe we dat moesten aanpakken en hoe aangenaam kopen kon zijn.

Albers: Je ziet een vrouw die een huis koopt en daar heel blij om is. Achter haar zit een kind mee te genieten, je voelt hoe gezellig het is een huis te kopen.

Timmermans: We hebben een remake van dat programma gemaakt om te wijzen op de strategieën, de bevroren beelden en de glimlachjes. De glimlachjes duren iets te lang. Het is een lichtjes uit de haak getrokken remake die de trucs van de commerciële verleiding blootlegt.

Albers: In 'Construction' zie je beelden, genomen vanuit de bus, gecombineerd met citaten uit een toeristische folder.

Timmermans: In die folders legt men de mensen uit wat ze op reis moeten doen.

Albers: Eigenlijk recuperen we de taal van een specifieke cultuur. Vaak staan die folders vol met bevelen.

Timmermans: Bijvoorbeeld: 'SIT for a few moments in our friendly tearoom and EAT'. Of 'YOU WILL find our GUIDE friendly and always willing to share a JOKE with you', enz…

Menchero: Ik heb ook nieuw werk gemaakt sinds Strombeek. In de eerste plaats ben ik begonnen met het belichamen van mytische helden zoals Picasso, Che Guevarra en de twee moordenaars, die ik in een stedelijke context breng. Ik zorg ervoor dat ik fysiek ga gelijken op deze mannen en maak dan foto's. De figuur van Che Guevarra kwam op de proppen toen ik gevraagd werd om in de Nederlandse stad Tilburg een werk te plaatsen in een oude woonwijk voor textielarbeiders. Er was daar een groot braakliggend terrein dat geacht werd zichzelf te saneren. Ik heb me dat terrein toegeëigend door er een rode vlag op te planten. Op de vlag zag je een afbeelding van mijn gezicht. Ik droeg een baard en een muts zoals Che Guevarra op de beroemde foto. Tegelijk deelde ik rode T-shirts uit met dezelfde beeltenis. Wat me hierin boeide was het idee van een fictieve revolutie die wordt opgezet door een kleine bourgeois uit Brussel.

Voor mijn werk met Picasso heb ik mij gebaseerd op een foto waarop hij met opgezette, naakte borstkas in zijn atelier poseert als als bokser. Voor mijn remake heb ik de schilderijen die je op de achtergrond van de oorspronkelijke foto ziet vervangen door omgekeerde doeken, zodat je alleen de achterkant ziet en de figuur werkelijk op de voorgrond treedt. Zo wordt mijn foto een beeld voor de manier waarop kunstenaars uiteindelijk labels worden voor hun eigen werk. De foto zelf heb ik afgedrukt op schildersdoek.

Ik heb ook nog gewerkt met het idee van de grens. Het meest duidelijke voorbeeld is een werk waarvoor ik veertig tsetse-vliegen heb uitgevoerd naar Duitsland voor een tentoonstelling die georganiseerd werd door Jan Hoet. Om in dat Duitse dorp Borken te geraken moest ik over de Nederlandse en de Duitse grens op een moment dat alle grenzen gesloten waren wegens besmettingsgevaar voor het vee. In Borken heb ik die veertig vliegen ondergebracht in een terrarium met een dubbele, glazen wand. In dat terrarium had ik twee microfoons geplaatst die het gezoem van de vliegen opnamen en versterkt de ruimte instuurden. Het gebouw was een voormalige koelruimte van het leger die ik heb laten opwarmen tot een tropische temperatuur. Verder hing er ook de geur van urine van runderen, een geur die de tsetse-vliegen in staat van opwinding brengt. Eigenlijk heb ik geprobeerd een stukje Afrika onder te brengen in een Duits dorp. Voor mij waren de vliegen een metefoor voor de illegale mensenhandel. Tegenwoordig is het voldoende om een grens over te steken om een misdadiger te worden of om buiten de wet te staan en dat in een tijd dat de aardrijkskundige grenzen door fenomenen zoals het internet steeds fictiever lijken te worden.

Voor Brugge 2002 heb ik de klassieke, architecturale weergave van de maximale bezetting door mensen van een ruimte, laten afdrukken op een tapijt dat in de laadruimte van een vrachtwagen wordt gelegd.

Eigenlijk is er in mijn werk vaak sprake van een aardrijkskundige of culturele verschuiving: modellen van het Atomium in Venetië, Tarzan in Gent, grote frieten in Noorwegen, tsetse-vliegen in Duitsland en de twee moordenaars in Haarlem. Ik herinner me dat ik met mijn zoon Mateo kerken bezocht in Spanje. Hij was gefascineerd door wat hij het 'pestacle' noemde: bloedige taferelen uit het Nieuwe Testament. Zo kwam ik op het idee de kruisiging te verplaatsen naar het protestantse noorden dat een meer abstracte, minder fysieke cultuur heeft. In die zin blijft mijn werk verwant met dat van Beatrijs en Reggy: we leggen nieuwe betekenislagen over de werkelijkheid door beelden een beetje te verplaatsen of te combineren met nieuwe elementen.
 

Montagne de Miel, 22 maart 2002