Hans Theys is een twintigste-eeuws filosoof en kunsthistoricus. Hij schreef en ontwierp tientallen boeken over het werk van hedendaagse kunstenaars en publiceerde honderden essays, interviews en recensies in boeken, catalogi en tijdschriften. Al deze publicaties zijn gebaseerd op samenwerkingen of gesprekken met de kunstenaars in kwestie.

Dit platform werd samengesteld door Evi Bert (Centrum Kunstarchieven Vlaanderen). Het kwam tot stand in samenwerking met de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen (Onderzoeksgroep ArchiVolt), M HKA, Antwerpen en Koen Van der Auwera. Met dank aan Idris Sevenans (HOR) en Marc Ruyters (Hart Magazine).

ESSAYS, INTERVIEWS & REVIEWS

Frank Maes - 2009 - Beyond the Picturesque: een thematische tentoonstelling [NL, interview],
, 5 p.




__________

Hans Theys


Beyond the Picturesque: een thematische tentoonstelling
Een gesprek met curator Frank Maes


Ik heb twee jaar met Frank Maes (°1972) samengewerkt en heb hem leren kennen als een erudiet, gedreven, integer en leergierig man met een open geest. Momenteel loopt in het S.M.A.K. een mooie en boeiende tentoonstelling die de vrucht is van een samenwerking tussen Frank Maes en Steven Jacobs. Het mooie aan de tentoonstelling is dat je er de passies van beide mannen in herkent, zonder dat de kunstwerken illustratief worden. Integendeel. De terugkeer van bepaalde onderwerpen zoals berglandschappen verlegt de aandacht naar de verschillende manieren waarop ze vorm hebben gekregen in het kunstwerk. Ten slotte hebben deze mannen ook een mooi boek samengesteld, dat werd vormgegeven door Thomas Soete. Ik vroeg Maes hoe de tentoonstelling is ontstaan.

Frank Maes: Het is begonnen met een tekst van Steven Jacobs over het neo-pittoreske, die ik acht jaar geleden heb gelezen. Die tekst ging over fotografie, maar ook over Robert Smithson en het pittoreske in de stedenbouw. Ik vond het een fantastische tekst. Af en toe lees je een tekst die echt blijft hangen, die je aanspreekt. Dit was zo’n tekst. Natuurlijk had dit te maken met het feit dat ik veel bezig ben met het landschap: voor mij is dat een passie waarin mijn verleden als wielrenner samenvloeit met mijn liefde voor de architectuur, de stedenbouwkunde en de kunst. Sinds ik op mijn twaalfde een koersfiets met versnellingen heb gekregen, denk ik dat de fiets het beste middel is om het landschap te verkennen, omdat je eigenlijk een rug bent: je staat niet rechtop, je kijkt niet in de verte, je zit voorovergebogen, je beweegt je benen met een repetitieve, mooie vloeiende beweging en je ziet de omgeving als in een soort wisselwerking tussen een visuele en een meer lichamelijke beleving, tussen beeld en ruimte, tussen het bewuste en het onbewuste… Toen het Gentse Museum voor Schone Kunsten de tentoonstelling British Vision voorbereidde, met een overzicht van de Britse schilderkunst van 1750 tot 1950, stelde ik Philippe Van Cauteren voor om als pendant in het S.M.A.K. een tentoonstelling te organiseren met hedendaagse kunstwerken die geassocieerd kunnen worden met principes van de pittoreske esthetiek, zoals die is ontstaan aan het eind van de 18de eeuw in Engeland. Zo was een van de dingen die je in British Vision kon zien, een toeristische gids van William Gilpin, waarin hij plaatsen beschrijft die je als landschapstoerist kan gaan bezoeken. Afijn, Philippe Van Cauteren ging achter het project staan en ik vroeg Steven Jacobs of hij samen met mij een tentoonstelling en een publicatie over het neo-pittoreske wilde maken.


Landschapstoerisme

Maes: Het pittoreske werd in Engeland ontwikkeld door filosofen, maar werd snel toegepast door landschapsarchitecten en had zo een grote invloed op de ontwikkeling van de Engelse tuin. Anderzijds vormde het de aanzet tot het landschapstoerisme. Bij Gilpin klinkt dat als volgt: ‘Begeef u naar een punt, wacht tot de zon ondergaat en u zult een landschap zien zoals David Teniers, Poussin of Le Lorrain het geschilderd zouden hebben’. Het landschap werd bekeken als een schilderij. Een van de belangrijkste instrumenten die werden gebruikt om het landschap te kunnen zien als een schilderij was de Claude-spiegel. Het beeld dat je in deze donkere spiegel krijgt, is lichtjes convex. De verzadigde kleuren worden intenser en de zachte kleuren worden zachter. De meeste landschapstoeristen droegen zo’n spiegel bij zich, draaiden hun rug naar het landschap en bewonderden het spiegelbeeld. Het begrip landschap is pas ontstaan toen er al landschapsschilderijen bestonden. Het begrip veronderstelt een afstand ten opzichte van je omgeving. De Claude-spiegel maakt die afstand manifest en wijst erop dat het vooral gaat om het standpunt dat je inneemt ten opzichte van de omgeving. Ton Lemaire noemt het landschap in dit verband een zelfportret van een cultuur. In het landschap positioneert de cultuur zich ten opzichte van alles wat niet tot de cultuur behoort.

Zonder centrum

Maes: Het pittoreske ontstaat aan het eind van de 18de eeuw, als de burgerij aan de macht komt. De esthetica van de burgerij zet zich af van de classicistische esthetica van het Ancien Régime (bijvoorbeeld de Franse tuin en de klassieke villa) die gericht is op eenheid, zuiverheid, centrale organisatie en symmetrie. Het gaat om gehelen waar je niets aan kan toevoegen, waar je niks kan van wegnemen en die aanspraak maken op eeuwigheid. De classicistische esthetica wordt gedacht vanuit het gezichtspunt van de koning, van bovenuit, planmatig. Het pittoreske wordt gedacht vanuit de blik van iemand die rondwandelt, de burger, die deel uitmaakt van het landschap en er niet bovenuit torent, die geen overzicht heeft op zijn of haar omgeving en er daarom vat op probeert te krijgen via beelden. Een pittoreske tuin is daarom opgebouwd als een sequentie van beelden, een compositie, waarbij de 17de-eeuwse landschapsschilderijen als model fungeren. De klassieke villa wordt vervangen door de Engelse cottage. De pittoreske esthetica is gericht op heterogeniteit, een veelheid van kleuren en texturen die met elkaar geconfronteerd worden. Ze wordt eerder gedacht vanuit de grenzen tussen verschillende entiteiten dan vanuit een centrum. Uiteindelijk is deze dynamische, burgerlijke beweging verzand in het kleinburgerlijk kneuterige en knusse of in volkse vertalingen. Daarom is het zo opmerkelijk dat de kunstenaar Robert Smithson de ideeën van het pittoreske in de jaren zestig is gaan gebruiken om op een nieuwe manier te kijken naar het stedelijke landschap.


Robert Smithson

Maes: Robert Smithson wijst erop dat voor de aanleg van Central Park ongeveer 10 miljoen paardenkarren aarde aangevoerd werden. Voor hem is Frederick Law Olmsted, de ontwerper van Central Park, de eerste land art kunstenaar. Smithson stelt dat er bij de aanleg van dit reusachtige park in het hartje van Manhattan geen harmonie gecreëerd werd, maar twee verschillende krachten tegen elkaar ingezet werden. Hij noemt dat het dialectische landschap: geen onaangeroerd klassiek, romantisch of mythisch landschap dat als spiegel van de cultuur een onveranderlijk ideaalbeeld biedt, maar het product van een constante wisselwerking. Net als Jeff Wall richt Smithson zijn aandacht op de voorsteden, waar we te maken hebben met een onduidelijke, heterogene vermenging van stedelijke en rurale elementen, van centrum en periferie, zodat je er met een planmatige visie geen greep op krijgt. Alleen met beelden krijg je er nog vat op. Daarom gaat Jeff Wall elementen uit oude schilderijen verwerken tot nieuwe composities. En Smithson beschrijft in zijn beroemde tekst A Tour of the Monuments of Passaic, New Jersey (1967) de wegenwerken die stilliggen op zondag als omgekeerde ruïnes (‘ruins in reverse’) en de immobiele graafmachines als dinosaurussen. Zo maakt hij het pittoreske los van de romantiek en maakt hij er opnieuw een krachtig en dynamisch instrument van om de wereld van vandaag te lezen, te verkennen en vooral in beelden te vatten.


De tentoonstelling

Vertrekkend van deze context hebben we voornamelijk twee criteria gehanteerd om kunstenaars of kunstwerken te selecteren voor deze tentoonstelling. Ten eerste hebben we gezocht naar kunstenaars die geboeid zijn door het hybride landschap, ten tweede hebben we gezocht naar kunstenaars die zich baseren op reeds bestaande beelden om een landschap in beeld te brengen en een soort van vertrouwde landschappelijke clichés tonen die eigenlijk bij iedereen in het hoofd zitten en onze blik op het landschap filteren: de jungle, het hooggebergte, het Amerikaanse westen. We zijn daar thuis, maar we zijn er nog nooit geweest… Tegelijk zijn er natuurlijk dingen gebeurd die Steven en ik niet vooraf bedacht hebben en die je zou kunnen beschouwen als een soort van cadeaus. Een van die cadeaus is de bevinding dat tal van de tentoongestelde werken refereren aan andere kunstdisciplines. Robert Devriendt die zijn schilderijen presenteert in een cinematografische narratieve structuur, Marcel Berlanger die vanuit de schilderkunst verwijst naar de fotografie, enzovoort. Een andere dialectiek die ik niet had voorspeld, was de spannende samenwerking tussen een academicus en een museummedewerker en de manier waarop hun verschillende gezichtspunten elkaar hebben ontmoet, doorkruist en aangevuld. De positie van de academicus maakt het mogelijk werken sneller te plaatsen in een kunsttheoretisch of historisch kader. De afstand maakt bepaalde inzichten mogelijk. De grote verdienste van Steven Jacobs is dat hij de kunst op een zeer gedegen en onderlegde manier benaderd en tot een grote helderheid kan komen. De troef van een museummedewerker is dat hij of zij over het algemeen meer vertrouwd is met werken, kunstenaars of ruimtes. Je bekijkt de dingen meer van binnenuit. Deze tentoonstelling is de vrucht van een dialectiek tussen deze twee posities.

Tot slot hebben we een aantal kunstenaars uitgenodigd speciaal voor deze tentoonstelling werk te maken en hebben we zoveel mogelijk kunstenaars gevraagd hun werk zelf te komen installeren, waardoor er nog meer onvoorziene dingen zijn gebeurd en verschillende gezichtspunten elkaar hebben kunnen aanvullen. Voor mij is de tentoonstelling op die manier zelf een landschap geworden. Je krijgt een heel andere ervaring dan een toeschouwer die gewoon naar een tweedimensionaal beeld kijkt, omdat je overal gelijksoortige beelden aantreft, die telkens een beetje verschoven lijken te zijn. Je voelt dat je door een ruimte loopt. Voor mij is het ruimtegevoel de essentie van architectuur. Een echte ruimte ontstaat wanneer je haar niet kan overzien, omdat je er zelf deel van uitmaakt en je je er middenin bevindt. Als we erin geslaagd zijn de bezoeker de indruk te geven dat hij of zij zich een weg kan banen als in een Engelse tuin, dan zijn we in onze opzet geslaagd…

Ton Lemaire schrijft dat we bij het ontstaan van het westerse landschap in de vroege renaissance een mythisch landschap dat in ons achterhoofd woont uit ons hebben geworpen, voor ons hebben gelegd en via het perspectief hebben getracht onder controle te krijgen. Altijd blijft er echter een soort landschap bestaan dat deel uitmaakt van een collectief geheugen. Ik hoop dat dit collectieve geheugen het mogelijk maakt dat deze tentoonstelling door heel verschillende mensen op zoveel mogelijk verschillende manieren gelezen en beleefd kan worden.


Montagne de Miel, 5 april 2009