Hans Theys is een twintigste-eeuws filosoof en kunsthistoricus. Hij schreef en ontwierp tientallen boeken over het werk van hedendaagse kunstenaars en publiceerde honderden essays, interviews en recensies in boeken, catalogi en tijdschriften. Al deze publicaties zijn gebaseerd op samenwerkingen of gesprekken met de kunstenaars in kwestie.

Dit platform werd samengesteld door Evi Bert (Centrum Kunstarchieven Vlaanderen). Het kwam tot stand in samenwerking met de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen (Onderzoeksgroep ArchiVolt), M HKA, Antwerpen en Koen Van der Auwera. Met dank aan Idris Sevenans (HOR) en Marc Ruyters (Hart Magazine).

ESSAYS, INTERVIEWS & REVIEWS

Guy Ben-Ner - 2008 - Wild Boy in Antwerpen [NL, interview],
, 6 p.




__________

Hans Theys


Wild Boy in Antwerpen
Over enkele films van Guy Ben-Ner


Van 20 januari tot 1 maart is er een prachtige solotentoonstelling te zien in de nieuwe ruimte van Objectif Exhibitions, dat momenteel bezield wordt door artistiek directeur Mai Abu ElDahab.

De kunstenaar heet Guy Ben-Ner. Hij toont drie films. De eerste film wordt getoond op een flat-screen die tegen de muur hangt en kan beluisterd worden via hoofdtelefoons. De tweede film wordt geprojecteerd op een scherm. Voor het scherm bevindt zich een glooiende houten constructie die is bedekt met kamerbreed tapijt. Het is een stomme film, met slechts twee muziekfragmenten en hier en daar een extra klank. De derde en meest recente film wordt op de muur geprojecteerd en wordt gecommentarieerd door een zachte off screen stem.

De derde film heeft de vorm van antropomorfe, ergerlijke dierendocumentaires waarin een verzameling losse beelden aan elkaar wordt gepraat met een verhaaltje. We zijn getuigen van het wedervaren van een struisvogelgezin. De vogels worden vertolkt door Guy Ben-Ner, zijn echtgenote en zijn twee kinderen. De acteurs dragen een struisvogelpak dat achterstevoren zit. De mooi gesculpteerde nek en kop van de vogels komen uit een gepluimd rugzaklijf en worden bediend door middel van een stok die de acteurs boven zich houden. Het open- en dichtgaan van de bek wordt bestuurd met een handvat dat aan deze stok bevestigd is. De vogels lopen achteruit. Het verhaaltje, dat we vernemen van de commentaarstem, is typisch: ‘Plots wordt de aandacht van het zoontje afgeleid!’ (Beeld van een overvliegende arend. Beeld van het naar boven kijkende oog.) ‘Wanneer de jongen opnieuw rond zich kijkt, zijn de anderen verdwenen. Waar zijn ze naartoe? Hij besluit hen te gaan zoeken. Maar hij loopt in de verkeerde richting!’ De film werd opgenomen in het Newyorkse Riverside park. Toevallig heb ik daar vorig jaar een uurtje gewandeld. Het is een langgerekte, dunne strook park die geprangd zit tussen Harlem en een drukke verkeersweg die langs de Hudson loopt. Een onmogelijke, grappige setting voor een natuurfilm, eigenlijk. Doorheen de struiken zien we dan ook voortdurend auto’s voorbijrazen.
     Het oudste, uit 1999 daterende en in Israël gemaakte filmpje heet Berkeley’s Island. Het vertelt een soort van Robinson Crusoe verhaal dat zich afspeelt op een onbewoond eiland met één palmboom. Dat eiland (een berg zand) bevindt zich in de keuken van de cineast.    Tenslotte is er een stomme film te zien, die het verhaal vertelt van een wilde jongen die de regels van de beschaving wordt bijgebracht. Ook deze film werd opgenomen in het appartement van de kunstenaar, deze keer in Brooklyn. We zien hoe de hierboven genoemde houten constructie een groot deel van dit appartement in beslag neemt en eigenlijk deel uitmaakt van de leefomgeving van de hoofdrolspelers: een vader en zijn twee- of driejarige zoon. Het verloop van de film wordt geaccentueerd door zeldzame tussentitels. Behalve een beetje muziek (The Doors) is er geen klank te horen. Het montageritme is magisch. De film maakt gebruik van de beperkte middelen van de stomme film. Tegelijk zit hij propvol verwijzingen naar de filmgeschiedenis. Niet zoals in Shreck of in de nieuwe Sjakie en de chocoladefabriek, waarin op een grappige manier wordt verwezen naar 2001: A Space Odyssey, maar op minder clichématige, meer verborgen en krachtige manieren, zoals het gebruik van een dikke wandelstok met onderaan een nog dikkere zwarte nop.


Gesprek

- Dank u voor deze tentoonstelling en uw films. Het is lang geleden dat ik zo heb genoten.

Guy Ben-Ner: (Glimlacht verlegen.)

- Het mooiste aan de struisvogelfilm vond ik de overname van de stijl van geromantiseerde dierendocumentaires en het feit dat jullie achteruitliepen.

Ben-Ner: We liepen niet achteruit, de film is achterstevoren gemonteerd. Struisvogelfamilies imiteren het gedrag van de vader. Maar mijn zoontje was nog te klein om mij te imiteren. Daarom moest ik hem imiteren. Doordat de film achterstevoren getoond wordt, lijkt het alsof hij mij imiteert en lijkt hij uitzonderlijk gehoorzaam, iets wat in het werkelijke leven zelden voorkomt. Een andere reden was dat op deze manier onze knieeën in de juiste richting plooien. In metaforische zin bevalt het idee mij ook, omdat de voetstappen verdwijnen nadat je ze hebt gezet. Ze worden opgezogen door de voeten. Voor mij is dit een mooi beeld voor immigrantengezinnen die hun verleden proberen uit te wissen.
     Het klopt wat je zegt over die dierenfilms. Het uitgangspunt van mijn werk is het concept van het gezin als een culturele constructie. Daarom ben ik ook geboeid door de manier waarop mensen bij het kijken naar dieren allerlei menselijke gedragingen en bijvoorbeeld hiërarchische verhoudingen op hun projecteren en vervolgens heel verbaasd zijn wanneer ze die schijnen te ontdekken in de natuur.

- Daar heb ik nog nooit eerder aan gedacht. Het gedrag van pinguïns en leeuwen is dus vermoedelijk lichtjes verschillend in documentaires die gemaakt worden in verschillende werelddelen…

Ben-Ner: Dat denk ik wel… Aan de andere kant ben ik ook veel bezig met fabels. Ik zou een film willen maken rond het idee van de Toren van Babel en het ontstaan van verschillende dierentalen.

- Ken je het werk van Pierre Bismuth waarin hij alle dieren in de Disney-film ‘Junglebook’ een verschillende taal laat spreken?Bagheera spreekt bijvoorbeeld Arabisch en Baloe Spaans…

Ben-Ner: Prachtig. Dat zou ik graag eens willen zien.

- ‘Berkeley’s Island’ werd volledig opgenomen in je keuken. Toch maak je geen home movies. Je filmt niet wat er gebeurt met jezelf en je gezin. Het gaat om een zorgvuldig in elkaar gepuzzeld werkstuk met afzonderlijk bedachte en gefilmde scènes die je achter elkaar hebt gemonteerd in een hortend, grappig ritme dat doet denken aan de syncopische kadans van een snelle stomme film.

Ben-Ner: In het algemeen zoek ik naar een bepaalde vorm van artificialiteit. Ik probeer te werken met de vorm van een toneelstuk binnen een toneelstuk, zoals in Hamlet, waarin een toneelstuk wordt opgevoerd om de waarheid te achterhalen.

- Zoals we altijd een constructie nodig hebben om te kunnen omgaan met de werkelijkheid… Volgens Borges noopt Hamlets list tot de conclusie dat de hele door ons gekende werkelijkheid een fictie is, omdat het toneelstuk in een toneelstuk ons tot toeschouwers in het toneelstuk maakt, tot fictieve toeschouwers.

Ben-Ner: Alle documentaires zijn ficties. Daarom probeer ik ficties te creëren die als dusdanig herkenbaar zijn en tegelijk een waarachtigheid of een werkelijkheid oproepen.

- Zoals je ‘documentaire’ over een man die een wilde jongen wil beschaven – bijvoorbeeld het gebruik van de taal bijbrengen – terwijl het in werkelijkheid gaat om je zoontje dat nog moet leren spreken?

Ben-Ner: Mijn kinderen zijn soms vrijer als ze voor de camera staan. Ze kunnen dan dingen zeggen en doen die in het werkeljke leven onmogelijk zijn. Dat is te wijten aan het feit dat de films eigenlijk niet over hen gaan, maar over personages die ze vrij vorm kunnen geven.

- ‘Berkeley’s Island’ begint met een mooie zin van Sartre, die schrijft dat dingen die niet waargenomen worden door ouders voor hun kinderen niet bestaan, waardoor alle verboden zaken die ongezien blijven mogelijk worden. Ik ben geraakt door het beeld van kinderen en kinderlijke bezigheden die onzichtbaar zijn voor hun ouders. Tegelijk heb ik de neiging de ouders uit het citaat te associëren met de Israelische overheid en de kinderen met kunstenaars. Ik heb in de jaren tachtig veel mensen gekend die Israel ontvlucht waren. Kunstenaars en homoseksuelen die zich niet vrij voelden en niet wilden dienen in het leger of juist zwaar geschokt waren door hun ervaringen in het leger…

Ben-Ner: Ja, ik ben politiek bewust geworden tijdens mijn legerdienst. Daarom ben ik vertrokken…

(We zwijgen.)

Ben-Ner: De film Berkeley’s Island gaat over de manier waarop iemand binnen een gezin kan verdwijnen en weer verschijnen. Die problematiek probeer ik te vertalen in cinematografische termen: Kan je een film maken over een exotisch eiland terwijl er constant een aanrecht in beeld is? Is het mogelijk dat aanrecht te vergeten?

- Tegelijk gebruik je bijvoorbeeld de openstaande koelkast als lichtbron. Niet alleen om te filmen, maar ook voor je personage, dat ‘s nachts probeert te lezen.

Ben-Ner: Ik probeer te werken met alle beschikbare middelen (lacht).

- In ‘Berkeley’s Island’, je eerste film, zitten heel mooie camerabewegingen, hoe minimaal ook.

Ben-Ner: Ik wilde klassieke, bewegende beelden maken, waarvan de beweging even lang duurde als de scène.

- Maar in ‘Wild Boy’ werk je uitsluitend met een camera op statief.

Ben-Ner: Zo ben ik onafhankelijker van mensen die kunnen of willen filmen. Voor mijn eerste film ben ik geholpen door een tiental vrienden. Het nadeel was dat we alleen konden werken wanneer zij vrij waren en dat we dan ook een beperkter tijdsbestek hadden. Nu probeer ik één uur per dag te filmen op het moment dat ons het beste uitkomt. Ik werk één jaar aan een film. Tot dusver heb ik er acht gemaakt.

- Het decor van ‘Wild Boy’, dat deel uitmaakt van deze tentoonstelling, doet denken aan het decor van de Teletubbies. Alleen blijven de konijnen bij jou zitten. Bij de Teletubbies huppelen ze na het begin van elke scène uit beeld.

Ben-Ner: Ja, de Teletubbies maakten deel uit van mijn referentiekader (lacht).

- Tegelijk roepen de konijnen een beeld op van de natuur. Want de jongen is een kind van de natuur.

Ben-Ner: Voor mij gaat de film over de westerse obsessie voor het begrip ‘oorsprong’. In zekere zin is dat begrip verbonden met de illusie van de docmentaire, die gebaseerd is op een idee van zuiverheid, van de mogelijkheid onbevooroordeeld te kijken. In mijn film wordt de jongen cultuur bijgebracht. Rousseau en Defoe vroegen zich af wat er zou overblijven van het menselijke als je de beschaving zou verwijderen. Niets natuurlijk. Het menselijke is juist de beschaving.

- Ik heb veel mooie, ontroerende en krachtige scènes gezien in je film. Bijvoorbeeld als je met een dikke wandelstok naar je zoontje wijst en die stok vlak voor zijn gezicht houdt. Heel teder en tegelijk heel bedreigend. Heeft die wandelstok een speciale, bijvoorbeeld emotionele betekenis voor jou?

Ben-Ner: De wandelstok is de grenslijn tussen Beuys en Chaplin. Tussen The Kid en de performance met de coyote. Ik ben op zoek naar een benadering die tussen beide in ligt.

- Tenslotte vroeg ik mij af wat je redenen waren om de struisvogel-kostuums niet te tonen tijdens de tentoonstelling. Ze zien er erg mooi uit.

Ben-Ner: Dat heb ik al twee keer gedaan, maar ze kwamen over als relieken en dat heb ik niet graag. De aanwezigheid van rekwisieten moet functioneel zijn. Zo creëert de aanwezigheid van het Teletubbies-decor in deze tentoonstelling een bioscoop binnen de tentoonstellingsruimte. Dat heeft wel zin.


Montagne de Miel, 22 januari 2008