Hans Theys is een twintigste-eeuws filosoof en kunsthistoricus. Hij schreef en ontwierp tientallen boeken over het werk van hedendaagse kunstenaars en publiceerde honderden essays, interviews en recensies in boeken, catalogi en tijdschriften. Al deze publicaties zijn gebaseerd op samenwerkingen of gesprekken met de kunstenaars in kwestie.

Dit platform werd samengesteld door Evi Bert (Centrum Kunstarchieven Vlaanderen). Het kwam tot stand in samenwerking met de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen (Onderzoeksgroep ArchiVolt), M HKA, Antwerpen en Koen Van der Auwera. Met dank aan Idris Sevenans (HOR) en Marc Ruyters (Hart Magazine).

ESSAYS, INTERVIEWS & REVIEWS

Herman Van Ingelgem - 2008 - Bezocht door kwetsuren [NL, essay],
Tekst , 8 p.




__________

Hans Theys


Bezocht door kwetsuren
Over een tentoonstelling van Herman Van Ingelgem



Bourgondisch, schalks, rondborstig, knullig, goor, gortig, verfijnd, lichtvoetig, grappig: zo zou ik het werk van Herman Van Ingelgem willen omschrijven. De vorm heeft iets kroms, iets misplaatsts, iets zelfgemaakts. Het werk doet denken aan sommige minimale ruimtelijke ingrepen van andere kunstenaars, maar het dankt een specifieke vorm en toon aan een fijnzinnig burleske onhandigheid die verwant is aan de eerlijkheid en de hoogmoed van de doe-het-zelver.

We bezoeken samen een groepstentoonstelling in het Cultuurcentrum in Mechelen en Van Ingelgem leidt mij met grote precisie rond. Hij wijst mij op een wereldbol die Joëlle Tuerlinckx in Frankrijk in een schooltje heeft gevonden en geleend: op de plaats van Frankrijk is een wit etiket aangebracht met daarover een kruis. Het werk biedt een mooi beeld van wat Van Ingelgem zelf doet: verborgen dingen blootleggen, dingen schijnbaar tonen, achterkanten vieren, namaak-voorkanten maken.

De kunstenaar vertelt mij dat hij vroeger in de standenbouw en de decorbouw werkte en dat hij onder meer reusachtige achtergrondschilderijen schilderde voor de shows van Helmut Lotti: uitvergrote versies van de CD-hoezen, 30 bij 15 meter. Ik vertel hem dat de schilder Walter Swennen vaak met bewondering en ongeloof spreekt over die formidabele mannen die met verfrollen met heel lange stelen op de vloer liggende schilderijen maken die ze eigenlijk niet kunnen zien.
    ‘Misschien weet hij niet dat we in het midden van het doek een stelling plaatsen om ernaar te kijken,’ vertelt Van Ingelgem. ‘De doeken liggen op de grond om druipers te vermijden. En de stelen zijn zo lang om je niet te moeten bukken… Eerst verdeel je het schilderij in verschillende vlakken en dan trek je de contouren en de hoofdlijnen van de compositie. Dat doe je met filé’s’. Dat zijn penselen die heel veel verf kunnen opnemen zodat je er lange en rechte lijnen mee kan trekken.’

Ik herinner mij een werk van Herman Van Ingelgem dat ik vorig jaar zag in het S.M.A.K. Wie de tentoonstellingsruimte betrad, zag een muur van wit cellenbeton waar iets kleins voor fladderde, als een vogeltje. Aan de andere zijde van de muur zag je een ventilator waarvan de schoepen zich schijnbaar een weg door de muur gesneden hadden. ‘Het werk is een visitatie,’ vertelt de kunstenaar. ‘Een goed werk bezoekt je, zoals Maria bezocht is. Eigenlijk zou ik elk werk The Visitor willen noemen.’


De tentoonstelling

Voor zijn recente, derde individuele tentoonstelling in de Mechelse galerie Transit, heeft Van Ingelgem door het toevoegen van enkele wanden een nieuwe galerieruimte gecreëerd, die zich voordoet als een uit vier opeenvolgende vertrekken bestaande, nogal nauwe ruimte. De vertrekken worden gescheiden door muren waarin zich deuropeningen bevinden.

De nieuw gemaakte deuropeningen staan niet op dezelfde as, waardoor de ruimte iets klungeligs krijgt, iets onbedachts, iets zwervends, zoals na elkaar opgetrokken bijgebouwen soms het grillige grondplan volgen van vroegere kippenhokken, terrassen of veranda’s met hun eigen drempels, deuren, muurtjes en ramen die gebaseerd waren op oude gewoonten en gebruiken. Aan de rechterzijde, in de tweede ruimte, werd in deze gipsen doos een venstervormige opening gemaakt die de onderliggende houten structuur en een dampscherm blootlegt. Eigenlijk werd er precies één gipsplaat weggenomen. Op het dampscherm kleven verstevigingsringen, die tonen waar het vroegere ophangen van de kunstwerken gaatjes heeft gemaakt. ‘Het zijn verborgen wondjes,’ vertelt van Ingelgem, ‘die een verborgen geschiedenis van de galerie vertellen.’

Aan de linkerzijde bevindt zich op de wand een soort van namaak-lichtbak, die bestaat uit een houten lijst waar een mat plastic zeil over werd gespannen. Achter deze toevoeging gaat een echt venster schuil, zodat de huid van deze sculptuur aan het gloeien gebracht wordt door het wisselende zonlicht. Bij een eerste aanblik biedt deze opstelling weinig nieuws of althans niets dat mij ontroert of aan het denken zet. De ingrepen doen teveel denken aan bestaande kunstwerken of praktijken en lijken daar niet alleen weinig aan toe te voegen, ze lijken ook minder goed gemaakt te zijn. Maar juist daarin schuilt het radicaal poëtische en het ontroerende van het werk van deze kunstenaar.

‘Eigenlijk maak ik dingen die er uitzien als kunstwerken,’ vertelt de kunstenaar. ‘Dingen die schijnbaar aansluiting zoeken bij het heersende artistieke discours, maar doordat ze nogal amateuristisch gemaakt zijn en hun mechanisme laten zien, wenden ze zich deels af van het discours, ze keren het de rug toe en leveren mompelend commentaar.’

In bepaalde werken wordt dit helder, zodat de toeschouwer de andere werken in de tentoonstelling makkelijker kan lezen. Zo is het meest opvallende werk in deze tentoonstelling een waterleiding die dertig centimeter boven de vloer dwars door de ruimte loopt, waardoor de toeschouwer er overheen moet stappen. ‘Ongeveer’ in het midden van deze pseudo-waterleiding bevindt zich een koppeling. Daaronder staat een wit, plastic bekertje dat het water opvangt dat uit de lekke koppeling drupt.

‘Hoe vul je de sculptuur bij als ze is leeg gedruppeld?’ vraag ik. ‘Hier staat een fles met een regelbaar kraantje,’ toont de kunstenaar. Hij opent een kabinet dat deel uitmaakt van de installatie, maar er uitziet als een ingebouwd kastje zoals je ze in elk huis vindt: ze zijn om functionele redenen vereist, maar ze worden zoveel mogelijk gecamoufleerd en vrijwel nooit open gemaakt… ‘Het bekertje moet verschillende keren per dag geleegd worden, zodat de galeriehouder gestalte kan geven aan zijn betrokkenheid bij het werk.’

Deze sculptuur is verhelderend voor het werk van Van Ingelgem, omdat ze toont hoe hij zoekt naar het kromme: de kaduke koppeling, die zich in het midden van de zachtjes geknakte, doorbuigende leiding bevindt, werkt als een monsterlijke uitvergroting van de onhandige textuur die elke ingreep een nauwelijks zichtbare, eigen glans geeft. Tegelijk gaat het niet om echte onhandigheid, maar om een verfijnde maskerade: ‘Het water lekt uit een piepklein gaatje dat ik naast de koppeling heb geboord,’ vertelt de kunstenaar, ‘want het was heel moeilijk de koppeling op een natuurlijke manier te doen lekken. Een opzettelijk lek laat zich niet maken…’ En dan: ‘Eerst zat het gaatje op de verkeerde plaats, maar ik heb het naadloos kunnen sluiten met een lucifer, die door zijn zwelling het gaatje dicht knelt.’

‘Normaal gezien heeft de tentoonstellingsruimte van deze galerie de vorm van een lange smalle gang met aan één zijde een muur en aan de andere zijde vensters,’ vervolgt hij. ‘Het gevolg is dat je de tentoonstellingen zijwaarts lopend bekijkt. Ik wilde dat eens veranderen. De vier kamers die zo zijn ontstaan fungeren als sokkels voor mijn werk.’

In een hoek van de ruimte ligt een stuk verfrommeld douchegordijn met opgedrukte vogeltjes. Sommige van deze vogeltjes zijn snel uitgeknipt (met stukjes omliggend, transparant gordijn) en op de muur geprikt.

Elders is een maquette van gipsplaat te zien (70 x 50 x 50 cm), waarin zich vreemde staaltjes bevinden die incongruente, achtergelaten voorwerpen in een soort van leegstaande winkelruimte lijken voor te stellen: een bruin vichy-motief, geel plastic, een stukje fineer, groene stof, een fragment van een grijze plastic kattenbak, een lapje lichtblauw textiel met witte stiksels, etc. De maquette is niet geschilderd.

‘De buitenkant van de maquette bestaat uit een materiaal dat normaal gezien schuilgaat achter een laag verf,’ vertelt Van Ingelgem. ‘Eigenlijk is het een soort van onafgewerkte binnenkant. In elk Vlaams huis vind je wel een stukje gipsplaat dat nog niet is geschilderd. Ziedaar de ware gedaante van onze architectuur… In mijn werk probeer ik die geest te vatten door mijn sculpturen provisorisch en doe-het-zelf-achtig te benaderen. Dat zie je ook in de foto’s die ik vandaag tentoonstel.’

In het laatste kamertje van de tentoonstelling wordt een groezelige film geprojecteerd, een soort van horrorfilm die is samengesteld uit fragmenten van een demonstratiefilm over een stofzuiger. De beelden werden gefilmd op een televisiescherm. Opnieuw betreden we de wereld van het beduimelde, die dankzij de grove korrel van het beeld met welslagen weerstand biedt aan de zuiverende werking van een zuigende, filterende machine en de gedreven neuroticus die hem bedient.


Ongemakkelijke spookbeelden en de achterkant van het decor

Als pendant van de venstervormige opening in de wand van gipsplaat, vind je twee foto’s van vensters, waarin vitrages en weerspiegelingen samen een onontwarbaar beeld vormen, doordat de foto’s schuin gemaakt worden (en de fotograaf onzichtbaar is) en pas achteraf met een computer recht getrokken worden. Het resultaat is een ongemakkelijk spookbeeld, waarin een groezelig aandoend, maar onzichtbaar spoor van de maker achterblijft.

‘Het zijn foto’s van voormalige winkelruimtes die werden omgebouwd tot woonkamers,’ vertelt Van Ingelgem, ‘waarbij de ramen op een geïmproviseerde manier afgeschermd werden. De bedoeling is te beletten dat je naar binnen kan kijken, waardoor je uitstalramen krijgt waarin vooral spiegelbeelden te zien zijn. Ik hou van dat soort omkeringen: zo’n raam is ontworpen om de blik aan te trekken, maar dan wordt het afgeschermd om ongewenste blikken af te weren en de binnenruimte te beschermen. Zo krijgen we een vorm van achterkant te zien. De achterkant van het decor waarbinnen de intimiteit zich dient af te spelen. Ik toon in mijn werk vaak de achterzijde van de dingen.’

‘Een voorbeeld hiervan is de reconstructie van een hotelkamer in De fabriek in Eindhoven, waar je rond kon wandelen. Ik had in Transit al eens een hotelkamer gemaakt die volledig bekleed was met grijs, kamerbreed tapijt en die uitzicht bood op een poster die een zonsondergang voorstelde, maar de kamer in Eindhoven was heel schraal, heel afgepeld. Ze was opgetrokken uit muurtjes van spaanderplaat met steuntjes aan de achterzijde. Sommige delen van deze muurtjes waren geschilderd, andere waren vergeten. Ik heb in hotelkamers altijd een filmisch gevoel. Het lijkt alsof je elk moment kan opgebeld worden door iemand die je nog niet kent, waarna de film zich zal ontrollen. Je voelt jezelf een acteur, een lichaam dat verschillende persoonlijkheden kan aannemen, een personage wiens doen en laten – het script – door iemand anders bepaald wordt. Waarschijnlijk komt dit door de anonimiteit van de omgeving en door de inwisselbaarheid van de gebeurtenissen: de regelmaat en het ritueel van ontvangst aan de balie, het wachten in de lobby, het ontbijt tussen 7 en 10, hetzelfde geluid van de televisie in de kamer naast de jouwe terwijl je zelf kijkt, de symmetrische architectuur… Die dingen zorgen ervoor dat je identiteit of je persoonlijkheid inwisselbaar lijkt te worden. In een hotelkamer ben je eventjes losgerukt uit je particuliere leven. De situatie opent de mogelijkheid om iemand anders te zijn. Daarom zijn er in mijn installatie ook trapjes die je helpen het bed te beklimmen als een podium… Je betreedt de kamer via de douchecabine. Het douchegordijn leidt je naar een andere werkelijkheid. Er waren geen echte sanitaire voorzieningen, maar wel gaten voor de afvoer. Boven het bed bevond zich een muurschildering die de illusie wekte dat er vroeger een schilderij had gehangen dat weggenomen was. Er bevond zich ook een ruitvormige persiflage op een schilderij van Mondriaan, dat bestond uit vastgeniete kussenvulling. Deze verwijzing naar de schilderijen van Mondriaan slaat een brug naar de kunstgeschiedenis en fungeert als een commentaar erop. Bepaalde vormen van hotelarchitectuur vormen voor mij een perfecte illustratie van het falen van de modernistische utopie: de formele kenmerken ervan werden overgenomen door de commerciële wereld (door de industrie) om snel, goedkoop en uniform te kunnen bouwen. Zo werd het toerisme gedemocratiseerd (een mooi woord voor ‘betaalbaar gemaakt’). De toerist is het toppunt van de consumptiemaatschappij. Ik denk dat Mondriaan en konsoorten wel een ander toekomstbeeld voor ogen hadden dan deze miljoenen in doosjes verpakte toeristen.’


Een vorm van lichte kwetsuur

‘Al wie ik ken heeft zijn huis zelf verbouwd. Die verbouwdrift maakt deel uit van de Belgische cultuur. Daarom heb ik het tot onderdeel gemaakt van mijn werk. Ik vind het OK iets zelf te doen. Het gaat er niet om een ambacht te willen beoefenen. Het heeft ook niks te maken met matière of aanvoelen. Het heeft te maken met anarchie. Je ziet dat ook bij Walter Swennen: het breekbaar maken van iets, het breekbaar tonen van iets. Bij Magritte zie je dat in zijn kneuterige manier van schilderen: alles is toegeschilderd. Het ademt niet. Als zijn werk goed geschilderd zou zijn, zou het geen Magritte zijn. Ik pas in mijn werk de lokale attitude toe: ik doe alles zelf. Rubens was anti-lokaal, die liet alles uitvoeren (lacht). Een beetje zoals mensen die hun eigen voortuin ontwerpen. Als je iets zelf doet, ben je enorm beperkt in je mogelijkheden, maar er ontstaat een rijkdom doordat je dan zelf een taal ontdekt of creëert. In Zwalm heb ik eens een draadstructuur getoond die de vorm aangaf van een huis met aanbouwen. In Zwitserland doen ze dat soms, zodat de buren kunnen zien welk huis er gebouwd zal worden. In elk vertrek hing een neonlamp. Achteraan plaatste ik een schotelantenne.’

‘De meeste architectuur is gemaakt voor het oog en niet voor het lichaam. Voor mij heeft architectuur te maken met het menselijke: een kous onder een bed, een kapotte ruit, de manier waarop uw rugzak hier staat. Ik suf een beetje over een architectuur van het object en het lijf.’

‘Zelf gebruik ik meestal tweedehands materiaal,’ vervolgt hij, ‘dat ik ga uitzoeken op plekken zoals kringloopcentra en containerparken. Het feit dat die voorwerpen of materialen al eens gebruikt zijn, versterkt het thema van het tijdelijke verblijf, dat mij fascineert: de schuilplaats, het kampement, het toerisme. Ik vertelde al over de hotelkamer in Eindhoven. Tegelijk hebben die gebruikte voorwerpen iets bepaalds, iets bezields, een vorm van lichte kwetsuur, die het beeld van een organische architectuur oproepen. Zo werk ik voor de opbouw van mijn tentoonstellingen en installaties nooit met plannen. Ik probeer mijn ruimtes gevoelsmatig tot stand te brengen, zodat er een emotioneel parcours ontstaat.'


Verveling en getuigenis

‘Een werk is als een getuigenis. Je leeft en je getuigt. Iedereen voelt de noodzaak te getuigen. Gewoon genieten van de zon is niet voldoende. Een gevecht is pas gewonnen als je er ook een getuigenis van hebt. In mijn geval heeft die getuigenis veel te maken met het besef van een soort van algemene verveling in onze cultuur. We leven – in West Europa althans – in een verzorgingsstaat. Van de wieg tot het graf wordt voor ons gezorgd, is alles geregeld en verzekerd. Grote strijdpunten zijn verdwenen, idealisme wordt afgedaan als naïviteit, enthousiasme wordt gedempt. Dat zie je ook in de kunst: je kan geen uitspraken doen met een grote betrokkenheid en je spreekt steeds in een ironiserende metaruimte. Dit zorgt voor een allesoverheersende verveling. Mijn werk vertrekt vanuit die verveling. Uiteraard is die beleving ook persoonlijk. Het is een particuliere basiservaring. Het is mijn bedoeling deze ervaring te onderzoeken, er de hoekjes en kantjes van af te tasten, eens te kijken wat er achter of er onder zit, en of het in beweging te brengen is. Het is de bedoeling na te gaan of er iets mee aan te vangen valt. Mijn werk is een getuigenis van dit “onderzoek”.’


Ongebreidelde geluksgedachte

Eén sculptuur bestaat uit de vier resterende, met plakband bevestigde hoekjes van een afgescheurde poster die schijnbaar een bloemstuk voorstelde. ‘De sculptuur maakt deel uit van een map met afgescheurde hoeken van 15 foto’s. Die foto’s komen uit het boek Breng De Tuin In Huis, een handboek voor het maken van ruikers en bloemstukken. De bloemstukken hebben fraaie titels zoals Feest voor een jong meisje. De eigenaar van deze map – het S.M.A.K. – kan er een keuze uit maken en de vier hoeken van zo’n foto aan de muur plakken in de vorm van een rechthoek. De eigenlijke afbeelding blijft afwezig, enkel de hoeken kleven als resten aan de muur. Afhankelijk van de plaats en de context kan het werk verkleind of vergroot worden. De titel van de map is Blow-up en verwijst zowel naar het groter maken als naar het tot ontploffing brengen. Elk afzonderlijk werk draagt als ondertitel de naam van het boeket of de ruiker die zichtbaar was op de foto. Het bloemstuk is verwant met de motieven uit behangselpapier en douchegordijnen die ik vaak gebruik: het zijn motieven die op een clichématige manier naar een natuur verwijzen waarin iedereen en alles vrij zou zijn. Die motieven zijn vaak terug te vinden op goedkoop decoratiemateriaal zoals behangselpapier, laminaat-tegels, wandpanelen, douchegordijnen, dekbedovertrekken of tafellakens. Je kan ze makkelijk en voor weinig geld kopen in de doe-het-zelf zaak. Wat mij fascineert aan die motieven is hun ongebreidelde vrijheid- of geluksgedachte. Vaak gaat het om voorstellingen van vogels, wolken, zonsondergangen, strandmotieven, bloemen, vuurtorens, schepen en tropische landschappen: beelden die appelleren aan de wens op een andere plaats te zijn. In die zin doen ze denken aan de architectuur van een hotelkamer en het acteurgevoel (het gevoel een ander personage te kunnen zijn) dat door die kamers wordt opgeroepen.’


Slot

Aan de ingang van de galerie, buiten de tentoonstellingsruimte, hangt een schraagje ondersteboven tegen de muur. Het is een editie. Het schraagje is bevestigd met twee schroeven die dwars door het hout in de muur geschroefd werden. Ik vraag waarom het schraagje niet over twee spijkertjes hangt. ‘Omdat ik niet wil dat het gebruikt wordt als schraagje,’ antwoordt de kunstenaar. ‘Als het gewoon op twee spijkertjes zou leunen, zou je het er te gemakkelijk kunnen afhaken om het te gebruiken waarvoor het dient. Doordat het vast zit aan de muur kan je het enkel open en toe vouwen. Als je weinig plaats hebt, klap je het dicht. Heb je meer plaats of wil je er volop van genieten, dan klap je het open.’

Ergens hangt ook een kauwgom aan de zoldering. ‘De zus van de galeriehouder werkt in een kauwgomfabriek. Zijn garage staat vol met kauwgom. Zo kwam ik op het idee een werk te maken dat vertrekt van de wisselwerking tussen galeriehouder en kunstenaar. De relatie tussen een kunstenaar en een galeriehouder is meer dan die van producent en verkoper. Er kan pas sprake zijn van een goede relatie wanneer er zich op inhoudelijk vlak een zekere uitwisseling voordoet: zo versterk je elkaar en groei je samen naar nieuwe niveau’s. In het geval van Transit en mezelf blijkt die wisselwerking momenteel voor een groot stuk te ontbreken. Ik vroeg me af wat ik dan wel als grondstof of input kon gebruiken. Wat is de bagage die ik van mijn galeriehouders krijg? Welk is hun toegevoegde waarde? Zo kwam ik bij de kauwgom. Niet alleen de galeriehouder, maar ook de koper van het werk wordt actief betrokken bij de totstandkoming van het werk: zijn of haar mond fungeert als de gietvorm, als de ‘moule’ of molen waarin het werk zijn beslag krijgt. Het is ook een handig werk voor een tentoonstelling in het verre buitenland: de tentoonstellingsmaker koopt gewoon een beetje kauwgom, kauwt en zuigt er een beetje op en plakt de kauwgom aan het plafond.’       

Onlangs zag ik in het Herman Teirlinckhuis in Beersel een maquette van een absurd fort, dat bestond uit in de hoogte opgebouwde lijnen van een voetbalveld. De maquette bestond uit zelfgemaakte balkjes van bristolkarton, die beschilderd werden met een houttextuur. Vandaag zag ik een pendant van dit werk: een tentje dat bestaat uit aaneengenaaide fragmenten van een grote herenzakdoek met gekleurde strepen op de boord. De zakdoek werd onzichtbaar op karton gekleefd, waardoor de tentstof er gestreken uitziet: iets te strak, maar tegelijk toch weer onbetamelijk, door de gedachte aan de functie van een zakdoek. Onwillekeurig denken we terug aan de dreigende stofzuiger en aan alle decorelementen die onze omgeving een gecontroleerd, veilig uitzicht geven, onder meer door het beeld van een harmonische natuur op te roepen. We voelen hoe we bezocht worden door kwetsuren: zacht geëtste afwijkingen en dwarse beelden. We voelen hoe donkere krachten getemd worden, of uitgebannen, en hoe zij in het werk van Van Ingelgem gemelijk terugkeren in ongetemde, bezielde texturen, onhandige bouwsels, eigenzinnige ingrepen en andere, vreemd besmette voorwerpen en momenten. Onze blik verdwaalt, en we voelen.


Montagne de Miel, 11 november 2008