Hans Theys is een twintigste-eeuws filosoof en kunsthistoricus. Hij schreef en ontwierp tientallen boeken over het werk van hedendaagse kunstenaars en publiceerde honderden essays, interviews en recensies in boeken, catalogi en tijdschriften. Al deze publicaties zijn gebaseerd op samenwerkingen of gesprekken met de kunstenaars in kwestie.

Dit platform werd samengesteld door Evi Bert (Centrum Kunstarchieven Vlaanderen). Het kwam tot stand in samenwerking met de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen (Onderzoeksgroep ArchiVolt), M HKA, Antwerpen en Koen Van der Auwera. Met dank aan Idris Sevenans (HOR) en Marc Ruyters (Hart Magazine).

ESSAYS, INTERVIEWS & REVIEWS

Jan Kempenaers - 2002 - De Japanse foto’s [NL, essay],
Tekst , 2 p.




__________

Hans Theys


De Japanse foto’s
Over nieuw werk van Jan Kempenaers



De foto’s van Jan Kempenaers worden gemaakt met een technische camera op statief, op basis van grote negatieven, meestal afgedrukt op een formaat van zo’n 100 bij 130 cm. Ze worden vaak gemaakt van op afstand en vanuit hoger liggende standpunten.

Eigenlijk kennen we maar één intentie van Jan Kempenaers, namelijk dat hij ernaar streeft heel scherpe foto’s te maken, omdat hij ervan houdt op vergrotingen net iets meer te kunnen zien dan met het blote oog. Je merkt dit ook aan het formaat van de tentoongestelde foto’s, die nooit zo groot worden dat de korrels de details opnieuw onleesbaar zouden maken. De vergroting is net voldoende voor het minieme, revelerende effect.

Een ander opvallend kenmerk van Kempenaers’ foto’s is zijn voorkeur voor een mat, homogeen licht, met zo weinig mogelijk ongefilterd zonlicht. ‘Met een grijze hemel krijg je een onwezenlijk, dun beeld,’ vertelt hij, ‘de landschappen verliezen hun diepte. Ik vind dat heel mooi.’

Ik antwoord hem dat ik mij meer aangetrokken voel tot foto’s waarop de zon een zotte cinema van voortglijdende lichtvlekken en schaduwen tovert en dat ik niet graag zou rondlopen in zijn grijze landschappen.

‘Maar als je daar zou rondlopen zou je dit landschap nooit zien,’ antwoordt hij zacht.

Jan Kempenaers maakt foto’s. Hij maakt geen landschappen, geen schilderijen, geen sculpturen, geen installaties. Hij klimt op een berg of op een hoog gebouw, dwingt een boeiend architecturaal, urbanistisch of louter visueel gegeven in een kader en creëert een beeld dat hij als een ijl, pasgeboren vlies voor onze ogen hangt.

Soms worden we getroffen door de grootse spektakels die hij in een kader heeft gedwongen. Autosnelwegen, monorails en kanalen storten zich vanuit de linker- of rechterhoek van de foto schuin of bijna loodrecht op de horizonlijn, die meestal bestaat uit andere gebouwen, het silhouet van een stad, een spoorweg, een parkeerplaats, een haven of een andere agressieve of elegante architecturale ingreep. Doordat de foto’s vaak vanuit een hoger gelegen standpunt worden gemaakt wordt het architecturale heen en weer spelletje van maquette en origineel versterkt. Een foto die werd gemaakt van op het bovendek van een bootvormig gebouw biedt ons een blik op een lager gelegen vijver waarop enkele radiogestuurde miniatuurbootjes drijven. Naast deze vijver staat een geschilderd panorama waarop een zeegezicht werd afgebeeld. Er staat ook een plastieken tafel met twee stoelen die er op een onwennige manier uitzien als miniaturen, ook al zijn ze de enige alledaagse voorwerpen die we kunnen waarnemen op de voorgrond van deze foto.

Een prachtige foto die werd gemaakt in de bergen rond Kure toont ons op de voorgrond een kerkhof dat rust tussen de flanken van twee beboste bergen. Op de achtergrond zien we de stad Kure op dezelfde manier verzonken liggen tussen de bergen, als een spiegelbeeld van dit kerkhof.

Voor het eerst zien we in deze foto’s ook herkenbare mensen opduiken. Een dame laat haar boodschappentas even op het trottoir zakken om naar adem te happen, een vooroverbuigend, doorzakkend meisje tilt vermoeid een gebogen knie om een plotselinge helling in het voetpad te kunnen overwinnen zonder zich te moeten verheffen. Een leraar baseball demonstreert een slaghouding terwijl zijn leerlingen toekijken. Boven de rand van het stadion verrijst een Babelse stad waar tientallen reusachtige hijskranen betonnen torengebouwen broksgewijs de lucht in trekken.

Johan Pas heeft erop gewezen dat de beelden van Kempenaers ons uitnodigen hen te bekijken als abstracte composities. Ik zou daar willen aan toevoegen dat ze ons zo ook uitnodigen naar de geboorte van de foto te kijken. Soms trekken de grafische effecten van het beeld onze aandacht weg van het onderwerp en lijkt het alsof Kempenaers ons wil laten voelen hoe een fotografisch beeld zich lostrekt uit het contrast tussen de korrels. Het lijkt alsof we door de ogen van de kunstenaar naar een spiegelbeeld van onze wereld kijken. Maar soms verglijdt onze blik naar het enigszins matte oppervlak van de spiegel en verwonderen we ons over de manier waarop het beeld daar ontstaat. Kempenaers maakt een kunst van de verwondering die zich vermomt als een oefening in onverschilligheid.


Montagne de Miel, 25 februari 2002