Hans Theys is een twintigste-eeuws filosoof en kunsthistoricus. Hij schreef en ontwierp tientallen boeken over het werk van hedendaagse kunstenaars en publiceerde honderden essays, interviews en recensies in boeken, catalogi en tijdschriften. Al deze publicaties zijn gebaseerd op samenwerkingen of gesprekken met de kunstenaars in kwestie.

Dit platform werd samengesteld door Evi Bert (Centrum Kunstarchieven Vlaanderen). Het kwam tot stand in samenwerking met de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen (Onderzoeksgroep ArchiVolt), M HKA, Antwerpen en Koen Van der Auwera. Met dank aan Idris Sevenans (HOR) en Marc Ruyters (Hart Magazine).

ESSAYS, INTERVIEWS & REVIEWS

Jean-Michel Basquiat - 2018 - Daadkrachtige schoonheid [NL, review],
, 3 p.




__________

Hans Theys


Daadkrachtige schoonheid
Enkele woorden over een tentoonstelling van Basquiat



Iets ‘begrijpen’ of ‘aanvoelen’ komt eigenlijk neer op het projecteren van mogelijke verklaringen en emoties. Gedachten of gevoelens waarover je niet beschikt, dienen zich daarbij misschien wel in embryonale vorm aan, maar ze zijn moeilijk te herkennen of in woorden te vatten. Daarenboven lijkt er door het ouder worden iets vreemds te gebeuren met het geheugen, dat zich liever bezighoudt met het levendig houden van oudere herinneringen, die als het ware haar sluitstenen lijken te vormen, dan met het zorgvuldig verwerken van nieuwe ervaringen, zodat het beschikbare projectiemateriaal bij het ‘begrijpen’ van een kunstwerk een eerder tektonische, disruptieve structuur heeft, als ijsschotsen uit verschillende tijdperken die in een nieuwe configuratie aan elkaar zijn vast gevroren. Zo roept de naam Basquiat bij mij de herinnering op aan mijn eerste kennismaking met schilderijen van mijn vriend Michel Frère (1961-1999), halverwege de jaren tachtig: figuratieve voorstellingen van zwarte schedels en kruisen die waren ingebed in een textuur die hij had overgenomen van Eugène Leroy (die enkele jaren eerder was ontdekt door Baselitz). Volgens Damien De Lepeleire probeerde Frère het werk van Basquiat niet te imiteren, maar maakte hij, als gedreven door dezelfde tijdgeest en hetzelfde genotmiddel, soortgelijke werken.
    De enige werken die ik ooit van Basquiat had gezien, waren het prachtige collage-schilderij dat deel uitmaakt van de vaste collectiepresentatie van het Moma, waar het al jaren in de trappenhal hangt (vermoedelijk omdat deze presentatie zodanig is opgebouwd dat ze structurele verbanden toont, bijvoorbeeld wanneer Picasso de rechte penseelstrookjes van Cézanne overneemt, en het werk van Basquiat niet expliciet is voortgekomen uit voorgaand werk), en een achttal monumentale ‘collaboration paintings’ die Basquiat samen met Warhol heeft gemaakt en die ik in 2007 toevallig heb aangetroffen in Zürich, in de galerie van Bruno Bischofberger, waar ze blijkbaar nog altijd te koop waren. (Prachtige werken. Weinig werken zijn zo sensueel als de schilderijen, tekeningen en vroege zeefdrukken van Warhol, die absoluut niet schilderde als een machine.)
    Afijn, toen ik hoorde dat er in de Schirn Kunsthalle in Frankfurt een overzichtstentoonstelling met werk van Basquiat te zien was, ben ik meteen afgereisd. De Kunsthalle zelf is ontworpen en ingericht om potentiële kunstliefhebbers op kordate wijze te ontmoedigen. Net als in de Belgische musea voor hedendaagse kunst is autonome oriëntatie vrijwel onmogelijk en zijn de zalen smoezelig en duister. Alhoewel, een echte ‘zaal’ heb ik niet gezien. Vrijwel de hele tentoonstelling speelt zich af in een soort van brede gang. De vloer is bekleed met donkergrijs ‘kamerbreed tapijt’ en de werken worden op een gebrekkige, eendimensionale en weerspiegelingen opwekkende manier verlicht door theaterprojectoren met flappen. De tentoonstelling zelf is opgebouwd als de spreekbeurt van een scholier: chronologisch, ijverig gedocumenteerd en wars van elk poëtisch gevoel. Toch gebeurt er iets. In de trappenhal wordt een lusvormig film getoond waarin we een benevelde Basquiat een vrolijk dansje zien uitvoeren. Het filmpje raakt mij. De tentoonstelling opent met een donker hokje, waarin we een vitrinekast aantreffen. In deze kast liggen enkele gestencilde schoolkrantjes en andere tijdschriften waarin we de eerste tekstjes van Basquiat aantreffen: “Once a week we attend services where the samoid priest places a piece of yarn on our eyebrows symbolic of the wool over our eyes. (Basement Blues Press, ca 1978). Iets verder maken we kennis met foto’s van de eerste graffiti van het duo ‘Samo ©’: Jean-Michel Basquiat en Al Diaz. De graffiti ontstaan uit teksten. Het zijn pogingen tot het formuleren van enkele poëtische, provocerende slagzinnen. We zien hoe ook de eerste schilderijen hieruit ontstaan: het zijn collages van rebussen, poëtische one liners, voodoospreuken, oxo-spelletjes en tekeningen die, omdat ze uit de teksten ontstaan, maar waarschijnlijk ook omdat ze zo Afrikaanse connotaties oproepen, gedacht worden vanuit de zwarte kleur. Dan ontmoeten we een koelkast en een vaas, die beschreven en betekend werden door Basquiat, Keith Haring, Fab 5 Freddy, Tseng Kwong Chi, Kenny Scharf en anderen. Je voelt dat de tentoonstelling is opgebouwd in samenwerking met mensen die de echte spullen hebben bewaard. Dit vormt zowel haar kracht als haar zwakte. De vroege spullen zijn echt, maar het echte werk is relatief schaars voorradig. Tijdens zijn eerste samenwerking met een galerie maakte Basquiat 200 schilderijen op één jaar tijd. Zoveel zijn er hier niet te zien. Wel zien we hoe hij langzaam échte schilderijen probeert uit te vinden, onder meer door te verwijzen naar de Afro-Amerikaanse cultuur (waaronder de jazz) en door boeken over anatomie en modeltekenen te integreren. Het werk wordt daardoor zwakker, eigenlijk, zonder echter ooit namaakkunst te worden, zoals zo vaak gebeurt.
    Benieuwd lees ik de zaalteksten, die vertellen dat Basquiats moeder musea met hem bezocht, dat hij een tijdje een relatie had met de jonge Madonna, over wie hij tegenover Larry Gagosian beweerde dat ze ‘huge’ zou worden, en dat hij, na zijn tweede ontmoeting met Warhol naar huis rende, een dubbelportret schilderde en het, nat nog, meteen ten geschenke ging aanbieden. Dit schilderij hangt naast de zaaltekst. Het bevat geniale momenten.
    Zo, lezend en kijkend, schuifel ik verder door de halfduistere gang tot ik arriveer bij een plek met enkele zelfportretten en ik plotseling, staand voor een zelfportret dat ik om redenen van discretie niet nader wens te omschrijven, voel hoe de grond onder mij wegzakt of, omgekeerd, als een vulkaan omhoog grijpt in mijn borstkas. Met betraande ogen kijk ik tersluiks naar een jongedame die naast mij naar hetzelfde werk staat te kijken en ik zie hoe een traan van haar kin drupt en heel even een klein stukje tapijt op miraculeuze wijze laat opglanzen. “Het oude lied heeft zich weer in ons gezongen,” denk ik, “het lied van hopeloosheid, machteloosheid, individueel verzet en ‘daadkrachtige schoonheid’ (Schiller)”. En terwijl ik naar buiten zweef, overweeg ik dat ons projecterend vermogen best gebrekkig, anemisch of tektonisch verstoord mag zijn. Als je een echt kunstwerk tegenkomt, dan voel je het wel.


Montagne de Miel, 19 maart 2018