Hans Theys is een twintigste-eeuws filosoof en kunsthistoricus. Hij schreef en ontwierp tientallen boeken over het werk van hedendaagse kunstenaars en publiceerde honderden essays, interviews en recensies in boeken, catalogi en tijdschriften. Al deze publicaties zijn gebaseerd op samenwerkingen of gesprekken met de kunstenaars in kwestie.

Dit platform werd samengesteld door Evi Bert (Centrum Kunstarchieven Vlaanderen). Het kwam tot stand in samenwerking met de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen (Onderzoeksgroep ArchiVolt), M HKA, Antwerpen en Koen Van der Auwera. Met dank aan Idris Sevenans (HOR) en Marc Ruyters (Hart Magazine).

ESSAYS, INTERVIEWS & REVIEWS

Joƫlle Tuerlinckx - 2002 - Een snoer van voorstellen voor Brugge 2002 [NL, essay],
Tekst , 7 p.




__________

Hans Theys


Een snoer van voorstellen van Joëlle Tuerlinckx voor Brugge 2002
Uit 287 voorstellen door de kunstenaar verzameld voor Documenta 11 gekozen, gecommentarieerd en met elkaar in verband gebracht door Hans Theys



0. Inleiding (Het toeval als dienstmaagd van de kunst)

Deze tekst ontstond op uitnodiging van Joëlle Tuerlinckx. Ze vroeg mij uit een lange reeks sculpturale voorstellen voor Documenta 11 een tiental voorstellen te selecteren voor Brugge 2002. De onderstaande voorstellen waren echter niet bruikbaar omdat de niet gewaarschuwde lezer geen onderscheid kan maken tussen het werk van Tuerlinckx en mijn toevoegingen, die didactisch-speels bedoeld waren, maar de helderheid van haar voortstellen aantastten. Na zevenendertig misverstanden, tachtig verdoken afwijzingen en drie kilometer fax maakte Tuerrlinckx duidelijk dat ze niets wilde publiceren dat uit mijn koker kwam of dat haar voorstellen zou kunnen afzwakken, overschaduwen of laten verwateren. Ik schreef zeven tautologische zinnetjes, zoals ik ook eens heb gedaan voor een boekje over Broodthaers, en liet het zaakje los.
In al mijn teksten over het werk van Joëlle Tuerlinckx gebruik ik verkeerde woorden. Tuerlinckx is heel precies. Het heeft net zo weinig zin zaken die ze zelf al heeft gezegd of beschreven met andere woorden uit te leggen als het zin heeft meesterwerken uit de literatuur in nieuwe boeken na te vertellen. Tuerlinck beweegt zich op nieuw terrein, de juiste woorden moeten nog gebakken worden. Alles rond Tuerlinckx ziet eruit als de krabbels die sommige tekenaars soms op papier zetten vooraleer ze er een definitieve vorm uit opdiepen door sommige lijnen aan te dikken. Al gaat de vergelijking mank omdat we over lijnen spreken. Ik beeld mij een krabbel van licht in die zichzelf hertekent op een lichtjes schommelend wateroppervlak.
    Een tekst over Joëlle Tuerlinckx kan geen doordeweekse tekst zijn. Ik heb al zo’n teksten geschreven, maar ze bevallen haar slechts gedeeltelijk. De bijna politieke hardheid en precisie van haar werk verdraagt geen toegevoegde, halfslachtige poëzie of duiding, in elk geval geen door de kunstenaar gesanctioneerde duiding. Er moet niets geduid worden voor Tuerlinckx. Liever trekt zij ons gedrag uit zijn haak tot er iets onverwachts en ongehoords te voorschijn komt. Het werk duidt zichzelf door onophoudelijk te woekeren en te kantelen, door zich zijwaarts voor te planten en te muteren. Zelf lijkt zij haar oeuvre te distilleren uit een permanente baaierd die ze rond zich creëert en op een schijnbaar hopeloze manier lijkt te willen catalogiseren, structureren of controleren. Het werk van Tuerlinckx oogt als een oppervlakkige wandeling, maar de samenhang tussen de verschillende sculpturale voorstellen reveleert bijna maniakaal gerespecteerde kantlijnen. Sommige kunstenaars slagen erin hun werk open te stellen voor het toeval, Tuerlinckx zet het aan het werk met een heel precies doel. Zo vermijdt ze constant afbeeldingen te gebruiken of ‘echte’ sculpturen te maken. Het ding of de gedachte wordt opgeroepen door middel van voorstellen of aanzetten, amper verdikte concepten, die een monumentaal gewicht krijgen zonder dat ze theatraal worden.
    In de nu volgende selectie uit een zeventig bladzijden tellende opsomming van 287 voorstellen besteed ik vooral aandacht aan voorstellen die mij hebben aangesproken.


1. Voorstel voor een discrete fontein

Het voorstel voor een Hollandse fontein beschrijft een lichtjes bollend wateroppervlak. Ik stel mij de fontein voor als een wild dansende sculptuur die de hemel altijd anders weerspiegelt. De fontein is een oefening in het anders kijken.
    Jaren geleden vergezelde ik Joëlle Tuerlinckx en Ann Veronica Janssens tijdens een wandeling in eindeloze mergelgrotten in het Limburgse. Ze hadden studenten van de ERG de opdracht gegeven een week lang in die grotten te werken. We liepen door de lange, donkere gangen en hielden halt bij elk werk. Op een bepaald ogenblik hielden beide dames tegelijk halt voor een bijna onzichtbaar golvende, pikzwarte muurwand, waarin hier en daar gaatjes waren geprikt. Het zwakke licht van een achter de wand schuilgaande lichtbron scheen door de gaatjes als tientallen, vrijwel onzichtbare sterretjes die verdwenen en verschenen door het bewegen van de wand. Fluisterend bewonderden ze het werk, wachtend op de student, die echter niet kwam opdagen. Ten slotte ontdekte ik toevallig dat ze in religieuze vervoering stonden te kijken naar een zeil zwart plastic dat de ingang van een champignonkwekerij afsloot, die verlicht werd door een gloeilamp. De tocht in de gangen liet het zeil zachtjes opbollen en van voor naar achter wiegen. (Toch hadden we iets wonderlijks gezien.)


2. Het verloren of gevonden voorwerp

De zilveren handschoen ligt ergens. Afhankelijk van ons standpunt kunnen we hem beschouwen als verloren of gevonden. De handschoen weerspiegelt het licht en de omgeving. Op een onscherpe dia van Joëlle Tuerlinck is de handschoen vervormt tot een lichtvlek. Ik denk dat ze de handschoen altijd ziet als een lichtvlek, als een verschijning die zo weer kan verdwijnen. Een aarzelend opvlammende ster. Het werk is ook exemplarisch voor de manier waarop Tuerlinckx het zogenaamd essentiële telkens verruilt voor het bijkomstige. ‘J’installe des sortes de hors-cadres et à partir de là j’observe,’ schrijft ze mij vandaag. We kunnen ons voorstellen wat er van de kunst overblijft als we de sculptuur of de afbeeldingen of zelfs de tentoonstelling wegnemen: voorbereidingen, overschotten en restanten. Tuerlinckx richt haar blik op de inhoud van een papiermand of een perforator. Ze houdt zich bezig met datgene wat het eigenlijke toonmoment omringt en doorgaans in het duister blijft hangen. Ze toont gevonden en verloren voorwerpen.

    Voor de eerste ‘Small Stuff’ tentoonstelling in Beersel (1999) besloot ze te vertrekken van de ‘restjes van de restjes’. Een belangrijk aspect van het werk van Joëlle Tuerlinckx heeft vorm gekregen in 1994 tijdens het opruimen van de tentoonstellingsruimtes in het Witte de With. Op het ogenblik dat Tuerlinckx, met haar armen vol bolletjes, snippers en andere restjes, naar een vuilniszak liep, bedacht ze dat ze eigenlijk de essentie van haar tentoonstelling ging wegkieperen, waarna ze de ‘Salle des boules et des boulettes’ heeft gemaakt. In de Small Stuff tentoonstelling toonde ze dus de restjes van de restjes, met het terugkerende thema van de druppel. Het eerste werk was een steen waarop drie witte verfdruppels gevallen waren.


3. A-Exposition

A-Expostion was een oefening in zwart, wit en grijs. Een witte Tipp-Ex vlek op een dia werd als een zwart Sandeman-spook scheef op een muur geprojecteerd. Door het automatisch aan- en uitgaan van de verlichting van het herenhuis verscheen en verdween deze projectie in een onafgebroken verglijden van grijswaarden.
    Ik herinner mij dat ik Tuerlinckx heb geholpen met het vertalen van een beschrijving van de A-collectie, waarbij bleek dat de naam alle tentoongestelde voorwerpen begon met een ‘B’: ‘Blancs, Bouts, Bords, Bâtons, Briques, Bilms, Blocs, Bivres, Barres et Basards’, wat ik vertaalde als ‘Bits, Borders, Bars, Balls, Books, Blinks, Bricks, Bictures and Bings Black & Beautiful’.
    Tegelijk met deze tentoonstelling werd Tuerlinckx uitgenodigd voor een groepstentoonstelling in de galerie van Richard Foncke. Ze verklaarde een bloeiende kerselaar in de tuin van de galerie tot onderdeel van de A-tentoonstelling (omdart de bloesems wit waren: blanc). Een stad waarvan de naam met een ‘b’ begint zou ook tot een onderdeel van de A-collectie uitgeroepen zou kunnen worden.


4. Het witte moment

Een deel van een straat of een schuin afgesneden stuk van een groot plein in Brugge zou helemaal wit geschilderd kunnen worden. Zoals tentoonstelling ‘A’ zich afspeelde in een wisselend licht, zou Het Witte Moment voltooid worden op een winterse dag met een spierwitte hemel.
    De schilderwerken kunnen er ook uitzien alsof ze even onderbroken werden, zoals het gedeeltelijk zwart geschilderde raam dat onlangs te zien was bij Stella Lohaus. De vorige kunstenaar had de galerie helemaal zwart geschilderd, maar het venster was maar gedeeltelijk zwart gemaakt en gewoon verborgen achter een zwart doek. Toen Joëlle in de galerie arriveerde om haar tentoonstelling te maken en dit gedeeltelijk beschilderde venster zag, wist ze meteen dat ze de ruimte zo ging gebruiken. (Tuerlinckx maakt maatstokken van het toeval.)
    Wat ook goed zou zijn: een gedeelte van Brugge — een stuk straat — dat met een hogedrukreiniger schoon gespoten wordt. Een ‘proper moment’.


5. De rode bus — Combi-nuit — Nacht overdag (De violette stad) — Kleurstokken

In plaats van Brugge werkelijk wit te schilderen, kunnen we opteren voor vier alternatieve voorstellen voor het kleuren van de stad. Vanuit de rondrijdende, rode bus ziet de stad eruit alsof ze zich in een donkere kamer bevindt. De toeschouwer woont in de glazen van een zonnebril. Diegenen die niks willen zien moeten niet in de bus stappen.
    De rijdende bus kan ook vervangen worden door een container die elke week op een andere plek geplaatst wordt.
    Als er geen container beschikbaar is, kunnen we de ruiten van een kamer of zaal kleuren. Buiten is alles groen of lijkt het alsof het nacht is.
    Een nog lichtere variant van dit werk is het hier en daar in etalageramen of op andere plaatsen tonen van door Tuerlinckx verzamelde stokken waarmee verf geroerd werd in musea en galerieën. De aanwezigheid van zo’n stok, die meestal aan één uiteinde één verfkleur vertoont, geldt als voorstel zich een bepaalde plaats of een bepaald moment in een andere kleur voor te stellen. Een andere mogelijkheid is enkele van deze stokken te vergroten met een fotokopieermachine, zoals de uitvergrote verfstokken die onlangs getoond werden bij Stella Lohaus. Voor het kleuren van een hele stad moeten de stokken wel groter zijn, twintig meter hoog. Het voordeel van buiten getoonde, papieren stokken is dat hun kleur door de weersomstandigheden op een onvoorspelbare manier zal wijzigen, zodat het kleurvoorstel van dag tot dag wijzigt.


6. Stukjes stukjes en dingen dingen (voorstellen voor sculpturen van papier gemaakt)

Op een aantal plaatsen in de stad worden de omtrekken van geometrische figuren afgebakend met zo klein mogelijk gescheurde papiersnippers die zodanig achter elkaar worden gelegd dat ze een stippellijn vormen. Dit werk herinnert aan de tentoonstelling ‘4 formes en vacances’, waar op vier rechthoekige tafelbladen die op schragen rustten vier verschillende, geometrische vormen werden voorgesteld die enkele maanden later terugkeerden in het Witte de With. Dezelfde vormen kunnen ook uitgevoerd worden met ‘kneepjes’ van zelfhardend kneedgips. Het idee van deze kneepjes leunt aan bij de zo klein mogelijk gescheurde snippers, omdat ze gemaakt worden door zo weinig mogelijk gips samen te knijpen tussen duim en wijsvinger. Het zijn vederlichte, schrandere en vrolijke varianten van het bedenkelijke vijgenblad van Duchamp. Positieve gietvormen van de intieme ruimte tussen twee vingertoppen. Ik geef echter de voorkeur aan papiersnippers, omdat de sculpturen zichzelf dan gemakkelijker kunnen opruimen of op andere plaatsen in de stad nieuwe constellaties vormen. Als de snippers gescheurd worden uit een beschreven of betekend document kunnen we ze ook zien als boodschappertjes die in principe elke Bruggeling kunnen bereiken of via het water misschien zelfs de zee, Engeland of het oude land van de Noormannen. (Ik denk hier aan een recent werk voor het Casino van Luxemburg waarbij Tuerlinckx de bezoekers van een park uitnodigde papieren schijfjes van op een brug in de diepte te laten zeilen. Toen een milieubewust persoon bezwaren maakte tegen dit rondvliegend papier, stelde Tuerlinckx voor een jobstudent aan te werven om de grote confettischijven aan een prikstok te rijgen.) De afgebakende vormen kunnen beschouwd worden als voorstellen voor sculpturen, een beetje zoals het in de wind trillende, doorzichtige lint in de tuin van het Dhondt-Dhaenens museum een mogelijke uitbreiding van het museum voorstelde.


7. Schijven — De Delftse annalen — De roze tafels

Tijdens de tentoonstelling ‘Ronds-de-langage’ werden naast tientallen glazen, plexiglazen en papieren schijven ook twee roze, ronde tafelbladen getoond. Een van deze roze schijven wordt voor elk vervoer ingepakt en bij aankomst opnieuw geschilderd, de andere schijf wordt niet beschermd en niet gerestaureerd. Zo zal het steeds toenemende verschil tussen de gaafheid en de dikte van de schijven het aantal tentoonstellingen weergeven.
    De ronde uitsneden van kranten geven een andere tijd weer. Het zijn uitvergrote varianten van de kleine, ronde stukjes papier die achterblijven in de perforator en soms nog stukjes boodschap dragen. Voor een permanente integratie in een Delfts afvalverwerkend bedrijf stelde Tuerlinckx voor elke dag de hoeveelheid verschillende soorten afval te vatten in bolletjes die buiten op de gevel te lezen zouden zijn. Elke dag een andere teerlingworp die de juiste is.
    Ik zou deze werken graag voorstellen voor Brugge, zonder de uiteindelijke uitwerking te kunnen voorspellen. Ik probeer mij een werk op lange termijn voor te stellen, waarbij op het terras van een beroemd café de helft van de ronde tafels elk jaar gerestaureerd zou worden en de andere helft niet. Maar dat zou geen zin hebben, de tafels zouden niets anders aantonen dan het aantal verstreken jaren. We zouden kunnen stellen dat de helft van de ronde tafels elke keer opnieuw geschilderd wordt als er alleen maar vrouwen op het terras zitten of als het regent terwijl de zon schijnt.


8. Hier een gat om in de diepte te kijken

Alle inwoners en bezoekers van de stad, wetenschappers, dichters en mecaniciens, worden door middel van aangeplakte affiches uitgenodigd gaten van verschillende grootte in de muren te boren of te kappen.
    De oorspronkelijke poster van ‘Ici un trou’ wordt op verschillende groottes afgedrukt, ook heel groot, zodat we ons een voorstel tot het kappen van een horizontaal mangat in de muren van het Belfort kunnen voorstellen. We kunnen ons de gaten inbeelden als ronde vensters die ons nieuwe, normaal onzichtbare of verborgen dingen openbaren, of als nieuwe kaders om de oude zaken te bekijken. Tegelijk biedt het voorstel een nieuwe archeologische dimensie aan het Brugse toerisme. In 1990 boorde Joëlle Tuerlinckx in een kunstencentrum in het Franse Labège een snoer van gaten dat zich op gelijke hoogte rond een ruimte wikkelde. Op de grond onder elke gat toonde het neergevallen boorgruis wat er zich eigenlijk achter het witte oppervlak bevond. (Onder andere een wand van spaanderplaat die een nooduitgang verstopte.)


9. Balken van glas

Op verschillende plaatsen in de stad worden balken van glas in gevels verwerkt die op de tegenoverliggende gevels lichtvlekken tekenen zoals wateroppervlakken lichtkringen weerkaatsen. Soms valt het weerkaatste licht niet op een gevel, maar op een boom, die ’s winters als het nat is het licht anders terugsmijt dan ’s zomers of in de herfst met zijn blaren. Soms valt het weerkaatste licht niet op een gevel of een boom, maar op een voorbijrijdend voertuig of iemand die voorbij wandelt.


10. Vijftien parallellepipedums

Op een tiental publieke plaatsen in de stad wordt op een tafel, schraag of sokkel een vijftiental kilo witte bloem toevertrouwd aan de hoede van een vrijwilliger die de bloem elke ochtend opnieuw in een geometrische vorm (een parallellepipedum) duwt met de handen, zonder enig mechanisch hulpmiddel. In de buurt van de bloemsculptuur is een tekening aan de muur gespeld waarop een andere, perspectivisch verkeerd getekende geometrische vorm te zien is die vermoedelijk als voorbeeld fungeerde.
    Tijdens de dag zullen verschillende mensen de sculptuur aanraken. De vrijwilliger zorgt ervoor dat zijn sculptuur min of meer in vorm blijft. Als bewijs van zijn of haar activiteit maakt de vrijwilliger elke keer als hij of zij een politiesirene hoort een foto van de sculptuur. Het aantal foto’s geeft ons een idee van de politionele bedrijvigheid in de wijk in kwestie.


Montagne de Miel, 2 augustus 2002