Hans Theys est un philosophe du XXe siècle, agissant comme critique d’art et commissaire d'exposition pour apprendre plus sur la pratique artistique. Il a écrit des dizaines de livres sur l'art contemporain et a publié des centaines d’essais, d’interviews et de critiques dans des livres, des catalogues et des magazines. Toutes ses publications sont basées sur des collaborations et des conversations avec les artistes en question.

Cette plateforme a été créée par Evi Bert (Centrum Kunstarchieven Vlaanderen) en collaboration avec l'Académie royale des Beaux-Arts à Anvers (Groupe de Recherche ArchiVolt), M HKA, Anvers et Koen Van der Auwera. Nous remercions vivement Idris Sevenans (HOR) et Marc Ruyters (Hart Magazine).

ESSAYS, INTERVIEWS & REVIEWS

Joƫlle Tuerlinckx - 2002 - Zelf een tentoonstelling bouwen [NL, essay],
Texte , 2 p.




__________

Hans Theys


Zelf een tentoonstelling bouwen
Omtrent het werk van Joëlle Tuerlinckx



In 1999 hield ik een reeks van acht lezingen over acht verschillende kunstenaars in het Museum Dhondt-Dhaenens. Een van die kunstenaars was Joëlle Tuerlinckx (°1958). Voor elke lezing bracht ik enkele kunstwerken van de kunstenaar in kwestie mee, opdat de mensen mijn woorden zouden kunnen vergelijken met de werken. Toen ik Tuerlinckx vroeg of ze mij enkele werken wilde meegeven, overtuigde ze mij een echte tentoonstelling op te bouwen. Op een uur tijd leerde ze mij hoe ik een dertigtal werken kon opbouwen, hielp ze me mijn bescheiden gezinswagen vol te stouwen met tientallen voorwerpen: een pak wit kneedgips, een oranje en een wit touw, lappen stof, gekleurde, papieren carnavalballetjes, metalen en plexiglazen ribstructuren, etc. en vervaardigde ze een certificaat dat mij het recht verleende die avond, voor de duur van de lezing, werken van haar voor authentiek te verklaren.
    Op dat ogenblik had ze nog nooit eerder iemand anders werken van haar laten maken of opstellen. Toch gaf ze alles uit handen. In plaats van mij twee of drie duidelijk afgebakende werken mee te geven, stuurde ze mij op pad met een grote voorraad materiaal en een aantal instructies en regels. Zo begreep ik hoe haar werk ontstaat door een samengaan van grote vrijheid en precieze regels.
    Ik boorde een gat met een diameter van 1 centimeter in de muur en liet het boorsel op de plint en de grond liggen. Achterin het museum stond een verplaatsbare wand op wieltjes die maanden eerder, voor een groepstentoonstelling, met krijt doorstreept door Tuerlinckx. Ik keerde de gearceerde wand naar het publiek. Ik plaatste een sterke lamp waarvan het licht tijdens de hele lezing langzaamaan en uit ging, zodat de geprojecteerde dia’s constant minder of meer zichtbaar werden. Ik kleefde een stukje rode tape op een episcoop en projecteerde die vlek in de buurt van de aan- en uitgaande lamp. Op een witte sokkel legde ik een aantal rijtjes papieren cirkeltjes die ik uit de perforator van de secretaresse van het museum had gehaald. De ‘cotillons’ wierp ik tegen een plint, zoals bij het spelletje met geldstukken. Met het kneedgips probeerde ik zo klein mogelijke kneepjes te maken. Ik bakende een grote rechthoek af met het samengeknoopte, oranje touw en plaatste daarin een metalen ribstructuur in de vorm van een kubus. Etc. Etc.
    Terwijl ik die zaken over de vloer verspreidde, arriveerden de eerste verzamelaars en verzamelaarsters, die ieder op hun beurt een werk verpletterden of door elkaar schopten. Ik vroeg twee dames om de nieuwkomers aan de ingang te vragen naar de vloer te kijken als ze het museum betraden. Het werkte. Er werden maar twee of drie werken meer stuk getrapt. Ik voelde hoe moeilijk het was zo snel zo’n precieze sfeer te scheppen. Ik voelde hoe het werk in het niets dreigde te kantelen. Het zweet brak mij uit. Ik tapte een kop koffie uit mijn thermos, werd weer kalm, en verwijderde alles wat niet strikt noodzakelijk was om een beeld op te roep van het werk van Tuerlinckx. Ik begreep dat ik misschien alles moest opruimen, behalve de aan- en uitgaande lamp, het gat in de muur en de elf papieren rondjes op de sokkel. En eigenlijk klopte dat. De sokkel stond in de buurt van de bar. Tijdens de pauze had ik alle tijd om te kijken hoe de honderd verzamelaars omgingen met de tentoonstelling. Eerst gingen ze allemaal een drankje halen en dromden ze samen rond de anderhalve meter hoge sokkel. Daarna verspreidden ze zich over de ruimte. De meeste mensen liepen op hun tenen rond, knielden af en toe of probeerden een werk voorzichtig te betasten. Maar niemand merkte het sculptuurtje op de sokkel op. Toen ik het werk maakte had ik geaarzeld, omdat ik vermoedde dat Tuerlinckx zo’n werk nooit op een sokkel zou leggen. Maar toen ik zag dat niemand er ook maar de minste aandacht aan besteedde, vond ik het mijn beste Tuerlinckx.


Montagne de Miel, 2 augustus 2002