Hans Theys is een twintigste-eeuws filosoof en kunsthistoricus. Hij schreef en ontwierp tientallen boeken over het werk van hedendaagse kunstenaars en publiceerde honderden essays, interviews en recensies in boeken, catalogi en tijdschriften. Al deze publicaties zijn gebaseerd op samenwerkingen of gesprekken met de kunstenaars in kwestie.

Dit platform werd samengesteld door Evi Bert (Centrum Kunstarchieven Vlaanderen). Het kwam tot stand in samenwerking met de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen (Onderzoeksgroep ArchiVolt), M HKA, Antwerpen en Koen Van der Auwera. Met dank aan Idris Sevenans (HOR) en Marc Ruyters (Hart Magazine).

ESSAYS, INTERVIEWS & REVIEWS

Kasper Bosmans - 2012 - Altijd raak [NL, interview],
, 5 p.

 



__________

Hans Theys


Altijd raak
Over het werk van Kasper Bosmans



Een van de eerste werken die ik heb gezien van Kasper Bosmans (°1990), was een koperen plaatje van ongeveer 15 centimeter hoog en 25 centimeter breed, rustend in een glazen recipiënt dat leek op een smal aquarium van ongeveer dertig bij twintig bij vijf centimeter. Het onderste gedeelte van dit recipiënt was gevuld met een vloeistof, waardoor het koperen plaatje geleidelijk oxideerde en verkleurde. Een zichzelf schilderende, altijd veranderende dégradé was het, op zich misschien niet meer dan een gezochte poging een alternatief schilderij te bedenken, ware het niet dat dit werkje zich bevond op een aan de muur bevestigd plankje waarop nog andere maaksels te zien waren. Door de samenkomst van deze voorwerpen begreep je dat het koperen plaatje geen geïsoleerde, onhandige poging behelsde een oorspronkelijk voorwerp te maken, maar gewoon een van de vele vruchten was van een onafgebroken oefenende omgang met de dingen.

Een ander voorwerp dat zich op het plankje bevond, was een marmeren tegeltje waarop met minuscule plakbandjes tientallen vogelveertjes bevestigd waren, op rijen. De veertjes waren zowel wit als oranje en altijd anders. Een derde voorwerp was een fluo-oranje doek met horizontale barsten die je verkrijgt als je een doek oprolt en platdrukt. Zo is het doek ook gemaakt: eerst is het geschilderd, na het drogen is het opgerold en platgedrukt en ten slotte is het opgespannen over een plankje. De barsten in het doek zien er van dichtbij uit als heel fijne incisies op de top van opwellende heuvelruggen en maken van het doek een prachtige, omgekeerde Fontana. De barsten maken zacht golvende bewegingen van links naar rechts, soms stijgend, soms dalend, en roepen zo het beeld op van een kabbelend wateroppervlak, maar doen ook denken aan de golvende oxidatie van het koperen plaatje in het aquarium. Het oranje van het doek keert terug in de pluimpjes. Kijkend naar deze voorwerpen, begrijp je dat hun overeenkomsten niet het gevolg zijn van een esthetische strategie, maar voortvloeien uit het vermogen van de kunstenaar trouw te blijven aan bepaalde verlangens. De verschillende voorwerpen op het plankje doen zich voor als delen van een oeuvre, omdat ze voortkomen uit de bezigheden van iemand die naar zichzelf en naar de dingen durft te luisteren, niet als uitwerkingen van een of andere theorie.

De hierboven beschreven ontmoeting met het plankje vond meer dan twee jaar geleden plaats. Intussen heeft de bedrijvigheid die heeft geleid tot het marmeren tegeltje met de wit-oranje pluimpjes, tientallen nieuwe voorwerpen, acties of schilderijen voortgebracht. Zo ontdekte B. dat als hij veertjes rangschikt volgens vorm en grootte, er vaak een soort van dégradé ontstaat, omdat die veertjes naargelang van hun bestemming een andere vorm hebben en naargelang van hun positie op het vogellichaam een ander formaat en een andere kleur hebben. Daarnaast heeft B. in mei 2011 een schilderij gemaakt dat uitsluitend bestaat uit kleine, veelkleurige verftoetsen, die aangebracht werden in een met potlood aangegeven raster. Voor het Herman Teirlinckhuis in Beersel maakte hij een vier millimeter dikke horizonlijn die bestond uit minieme vlekjes van verschillende kleuren en voor een komende tentoonstelling in Welle beschilderde hij loodjes voor een luchtbuks met twee of drie verschillende kleuren. Deze dingen maakte hij, maar ook prachtige, nieuwe schilderijen, die ik hier niet ga beschrijven om dit verhaal niet helemaal onleesbaar te maken. Want wat ik wilde zeggen was alleen maar dit: als B. een schilderij aan ons toont, dan voel je dat dit niet louter tot stand kwam als gevolg van een poging een schilderij te maken, maar wel als gevolg van een bepaalde manier van zijn en handelen, die hier tot schilderijen en andere vreemde artefacten leidt, maar bij iemand anders zou resulteren in een reeks schijnbaar onsamenhangende uitvindingen of wetenschappelijke ontdekkingen, een dichtbundel, een exuberante roman, een tuinontwerp, een modelijn of een parfum-imperium. Het uitgangspunt is een open manier van nieuwsgierig handelen. De vruchten zijn kunstwerken die ons verrassen door hun esprit, hun lichtvoetigheid en hun verborgen samenhang, die voortvloeien uit de bijzondere persoonlijkheid van de kunstenaar.

En nu kan ik u vertellen over mijn ontroering bij het zien van een dégradé, nu twee weken geleden. B. had mij verteld dat hij met zijn vader een rookkamer met een schuin afdakje wilde bouwen om tekeningen te roken. Door het schuine afdakje, vermoedde B., zou er vanzelf een dégradé ontstaan. En enkele weken later vertelde hij dat het gelukt was, en dat de werken bovendien lekker roken! Maar toen ik uiteindelijk een werk zag, niet op papier, maar op dun linnen, sloeg de ontroering toe. Zo dun en zacht! Het doek was zelf als mist, die geleidelijk verkleurde! Het was alsof de drager verdween! En tegelijk herinnerde ik mij de eerste dégradé die ik van B. had gezien (het koperen plaatje) én de dégradé’s die hij had gemaakt met vogelveertjes. Zo ontstaat een oeuvre, weet ik, zo trekt het zich traag in de wereld, onafhankelijk van de maker, die immers niet gelooft in wat hij of zij doet, en bijna komedie moet spelen om zich elke dag weer op gang te trekken, maar die toch trouw tracht te blijven aan neigingen en vermoedens die zich blijvend aan hem of haar onttrekken, maar alle dingen die gemaakt worden, doordringen als een watermerk.

Op een dag brengt B. mij naar de Macke-zaal in de Antwerpse Academie voor Schone kunsten en toont mij gipsen afgietsels van de Elgin Marbles en van het doopvont uit de Luikse Bartholomeuskerk, dat hij als kind en als jongeman ging bewonderen met zijn moeder als ze in Luik waren. Hij vertelt over de rood-zwarte zigzaglijnen in Turkmeense tapijten die volgens David Attenborough water voorstellen. Hij vertelt mij over de 236 verschillende huisjes die hij nu al op zijn gsm heeft getekend en over de modeltekeningen die hij op dezelfde manier vervaardigt en dan laat plotten op groot formaat papier, dat wordt gevouwen als plannen. Dit alles verloopt rustig, geamuseerd, niet overhaast of gespannen; zachtjes belerend, omdat hij weet dat ik graag nieuwe dingen verneem en veel belang hecht aan concrete prutsdetails. De vertelde wetenswaardigheden maken geen deel uit van een waarheid die hij wenst uit te dragen of waarvan hij mij tracht te overtuigen, ze worden gewoon in kleine pakjes rondgestrooid, erop vertrouwend dat er wel een reden zal zijn waarom ze zijn eigen belangstelling hebben geoogst.

Toen ik B. nog wekelijks mocht begroeten als docent (oh, gouden jaren van mijn jeugd!), bracht hij op een dag een tekstje mee over een ingenieur die, verwonderd over het feit dat er in alle ingenieurshandboeken maar één manier om beton te maken werd beschreven, jarenlang betonstalen van tientallen culturen had onderzocht en tot de bevinding was gekomen dat de mensheid honderd keer het beton heeft uitgevonden, zij het altijd een ander soort beton: de Egyptenaren draaiden er kamelenmelk door om het waterbestendig te maken en de Engelsen oude Cheddar. Zo’n voorbeeld is koren op mijn molen. Toen ik, hongerend naar meer, vroeg uit welk boek de tekst afkomstig was, vertelde B. dat hij de passage had aangetroffen in een boek over typografie, waarin ze enkel voorkwam als voorwendsel om verschillende lettertypen te demonstreren.


Gesprek

- Zou je nog iets willen vertellen over de lijn die je deze zomer hebt geschilderd in het Herman Teirlinckhuis? Het was de bedoeling dat die vier millimeter breed zou zijn en uit gekleurde stippen zou bestaan, maar dat ze grijs zou lijken. Is dat gelukt?

Bosmans: (Lacht.) Neen. Dat is niet gelukt. Je bleef de kleuren zien.

- De lijn doorsneed alle vertrekken van het museum. Op welke hoogte bevond ze zich?

Bosmans: Tussen 162,6 centimeter en 163 centimeter, dat was het gemiddelde tussen de ooghoogte van Kris Vanhemelrijck (kunstenaar en voormalig conservator van het Teirlinckhuis) en die van mij. Eén vertrek ligt hoger en één vertrek lager dan de inkomhal. Daardoor leek de lijn hier lager en daar hoger, terwijl het om één ononderbroken lijn ging. De stipjes waren gezet met waterverf, zodat ik ze nadien kon wegwassen. Omdat alle hoeken van de vertrekken gevoegd waren met siliconen, waar waterverf niet op hecht, heb ik er kleine strookjes schildersplakband van vier millimeter breed over gekleefd. Die strookjes heb ik geprepareerd met krijtlijm en nadien beschilderd. Achteraf heb ik die strookjes gerecupereerd. Mag ik u er een schenken?

- Wil je iets vertellen over je laatste schilderij?

Bosmans: Ik heb mijn penseel opnieuw ‘vuil’ gemaakt, deze keer door allerlei kleuren die mij aanstaan te mengen. Ik duwde het penseel zachtjes tegen het doek en draaide het, zodat niet alleen de punt het doek raakte, maar ook de haartjes aan de zijkant, waar nog klompjes zuivere kleur aan hingen. Zo heb ik wormachtige vormen geschilderd, die aan de randen uit gemengde kleuren bestaan, maar in het midden klompjes zuivere kleuren bevatten. Ik schilderde op een doek dat ik opgerold in de linkerhand hield en geleidelijk openrolde, zodat ik de compositie niet kon overzien en mezelf kon verrassen.

- Begin dit jaar heb je getracht te omschrijven wat een goed schilderij zou kunnen zijn. Ik zou graag een paar woorden aanhalen: ‘Het is mijn bedoeling beeld, onderwerp en verf te laten samenvallen, zonder de geologie van het schilderij als onderwerp te nemen. Ik bied alleen materiaal aan, zonder onderwerp. Dit komt dicht bij decoratie, maar dat is niet het opzet. Een schilderij is een huls, een leeg kistje dat wacht op een inhoud.’

Bosmans: Ja, een goed schilderij, dat is decoratie waar je intelligent van wordt.

- Vorige week heb je beschilderde loodjes in de tuin van Galerie EL in Welle geschoten. Ik heb daar een filmpje over gemaakt. Pas toen ik vogelgeluiden bij de beelden plaatste, begreep ik het verband met de vogelveertjes.

Bosmans: Vroeger betrok ik dode vogels bij een hobbykweker met stofjas op de dierenmarkt van Mol. Maar toen ik op een dag ging kijken of er nieuwe dode vogels waren, kreeg ik een kooi met drie gehandicapte parkieten mee naar huis. De kweker wilde ze niet zelf doodmaken, omdat hij eerder die dag door een kind betrapt was toen hij net een vogel de nek had omgedraaid. Nu bezit ik een grasparkiet die niet kan vliegen, eentje met een ontbrekende poot en eentje met een verlamd voetje.

- Er wordt bij jullie thuis veel geschoten?

Bosmans: Mijn moeder is de beste schutter. Ze schiet schijnbaar achteloos, maar het is altijd raak.


Montagne de Miel, 1 januari 2012