Hans Theys is een twintigste-eeuws filosoof en kunsthistoricus. Hij schreef en ontwierp tientallen boeken over het werk van hedendaagse kunstenaars en publiceerde honderden essays, interviews en recensies in boeken, catalogi en tijdschriften. Al deze publicaties zijn gebaseerd op samenwerkingen of gesprekken met de kunstenaars in kwestie.

Dit platform werd samengesteld door Evi Bert (Centrum Kunstarchieven Vlaanderen). Het kwam tot stand in samenwerking met de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen (Onderzoeksgroep ArchiVolt), M HKA, Antwerpen en Koen Van der Auwera. Met dank aan Idris Sevenans (HOR) en Marc Ruyters (Hart Magazine).

ESSAYS, INTERVIEWS & REVIEWS

Kasper Bosmans - 2014 - Onderweg zijn zonder te willen arriveren [NL, review],
, 2 p.




__________

Hans Theys


Onderweg zijn zonder te willen arriveren
Over een tentoonstelling van Rein Dufait, Kasper Bosmans en Stefanie De Vos



Rein Dufait (°1990) toont tientallen prachtige sculpturen op één lang, blauwgrijs, metalen rek dat vrijstaat in de ruimte. De sculpturen hebben titels als Taraluna, Tut, Kiwatima en Kiv. Kiwatima is een wier die boven en onderaan eindigt in een spies en die werd vrijgemaakt uit de harde plank van een beddenbodem. Het sculptuurtje zweeft als een propeller, in het midden verbonden met een plexiglazen staandertje. Andere sculpturen bestaan gedeeltelijk uit spons en gedeeltelijk uit cement, of uit de opeengestapelde, kleurige bodems van verfpotten, of uit een soort van gipsen, schijnbaar door de natuur gevormd kommetje, te nat gedroogd, waarin een klein piepschuimen sculptuurtje van Hans Arp of Henry Moore ligt: golvend van vorm en doorboord. Misschien kan je het werk van Dufait in een tekst alleen aanschouwelijk maken door een lange opsomming die de diversiteit ervan zichtbaar maakt. Niet genoeg plaats hier. Over hun wezen als kunstwerk zou je kunnen zeggen dat ze niet zijn gemaakt, maar dat ze zijn ontstaan: dat Dufait omstandigheden schept waarin zijn sculpturen het bestaan in tuimelen en er op een nederige manier een plaats voor zichzelf opeisen. ‘Alle sculpturen zijn zodanig opgesteld dat ze aan één zijde van het rek een soort van voorkant tonen en aan de andere zijde een soort van achterkant,’ vertelt Dufait. ‘Damien De Lepeleire heeft mij eens een boek geschonken over Henry Moore en het British Museum, waarin Moore vertelt dat niet elke sculptuur voortreffelijk kan of moet zijn op alle mogelijke vlakken, dat een silhouet bijvoorbeeld ook fantastisch kan zijn, zoals hier.’ (Hij toont Kiwatima, een werk met in klei geplante, groen geschilderde, grote, verbrande, gekromde lucifers.)

Kasper Bosmans (°1990) toont een vijftal prachtige werken, waarvan er drie uit een reeks bestaan. Een van deze reeksen bevat 21 met rook geschilderde schilderijen, telkens op basis van een ander brandend materiaal, waardoor de kleuren lichtjes verschillen. De eerste keren dat hij dit soort werken maakte, een tweetal jaar geleden, ging de speciaal gebouwde rookkamer zelf in de vlammen op. De rookkamer heeft een schuin dak, opdat één zijde van het schilderij meer rook zou opvangen, zodat een ‘dégradé’ ontstaat. En terwijl deze werken ons doen denken aan de manier waarop de Chinezen hun beroemde inkt maakten met rookkamers, kijken we naar een elegante variant van deze werken: een ongeveer twee en een halve meter lang, één meter breed en 8 cm diep houten recipiënt dat is gevuld met melk en door de hellende, zwarte bodem een blauwzwarte ‘dégradé’ laat verschijnen. ‘Ik heb dit werk voor het eerst gezien toen ik mosselpotten aan het afwassen was in een restaurant waar ik werkte,’ vertelt Bosmans. ‘Blauw is een moeilijk te verkrijgen of dure kleur. Rubens gebruikte lampzwart, oker en loodwit om blauw te maken. Indigo is plantaardig blauw en is niet lichtecht. Er bestond vroeger ook smalt, een neppigment gemaakt van blauw glas, maar op de duur wordt dat grijs. Het is een mooi kobaltblauw, het heeft iets paarsigs, maar ook iets stoffigs dat het vergrijzen al aankondigt. Ik heb er onlangs besteld. Ik zou er iets mee willen doen.’

Tot slot zien we een vijftal grote schilderijen van Stefanie De Vos (°1984). ‘Kunstenaars die mij hebben gevoed? Ik voel mij eclectisch,’ zegt ze. ‘Ik ben minder geïnspireerd door beelden of werken, maar door de manier waarop kunstenaars met hun tijd omgaan en bijvoorbeeld een schilderij laag voor laag opbouwen. Al gebruik ik soms wel details uit reproducties van werken van Brueghel en Cézanne, die ik hier en daar op mijn doeken kleef. Wat zou ik nog over mijn werken kunnen vertellen? Ik denk dat ze ontstaan uit foutjes en twijfels: je doet iets, maar net voor het einde aarzel je en zet je een stap terug. Verder probeer ik nooit het laatste teken te plaatsen, in een poging ruimte te geven aan de leegte. En dan is er wat Bacon het trillen van het materiaal noemt, bij mij is dat verbonden met muziek en poëzie, bijvoorbeeld partita’s van Bach die eigenlijk structuren zijn waarbinnen je je eigen liedjes kan zingen. Als besluit zou ik zeggen dat ik mijn werk zie als een onderweg zijn, waarbij je bepaalde momenten hebt die intenser zijn, waar je wil bij stilstaan, zonder ergens te willen arriveren.’


Montagne de Miel, 15 februari 2014