Hans Theys is een twintigste-eeuws filosoof en kunsthistoricus. Hij schreef en ontwierp tientallen boeken over het werk van hedendaagse kunstenaars en publiceerde honderden essays, interviews en recensies in boeken, catalogi en tijdschriften. Al deze publicaties zijn gebaseerd op samenwerkingen of gesprekken met de kunstenaars in kwestie.

Dit platform werd samengesteld door Evi Bert (Centrum Kunstarchieven Vlaanderen). Het kwam tot stand in samenwerking met de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen (Onderzoeksgroep ArchiVolt), M HKA, Antwerpen en Koen Van der Auwera. Met dank aan Idris Sevenans (HOR) en Marc Ruyters (Hart Magazine).

ESSAYS, INTERVIEWS & REVIEWS

Klaus Pobizer - 2007 - Het dunne dorp [NL, review],
, 2 p.




__________

Hans Theys


Het dunne dorp
Een ontmoeting met Klaus Pobitzer


In een Antwerpse galerie zijn momenteel enkele kleinoden te zien van een merkwaardig, boeiend kunstenaar die luistert naar de naam Klaus Pobitzer. Zijn werk is erg verscheiden, maar hij is vooral bekend omwille van heel grote, zelf met de computer getekende en ingekleurde menselijke figuren, die hij toevoegt aan het stadsbeeld. De grootste figuur tot nog toe was een 70 meter hoge huwelijksfoto van een Deens prinsenpaar dat hij installeerde in het befaamde Italiaanse stadje Corleone. Minder bekend zijn werken zoals het filmpje Abwasch, waarop je kan zien hoe hij een douche neemt in een vaatwasser of een performance waarbij hij voor de woning van een vermeende pedofiel tien poppen van baby’s op tien verschillende manieren verkracht en vermoordt.

De grote, aan de stedelijke omgeving toegevoegde prints worden afgedrukt op polyesterpapier of getoond met reusachtige lichtbakken. Hun kwaliteit is uitzonderlijk.
     ‘Ik sta nu zo ver met deze techniek,’ vertelt de kunstenaar, ‘dat ik met een gps-systeem een koers kan uitstippelen voor strooivliegtuigen. Ik zou graag een portret van mijn moeder van 50 bij 50 km laten uitstrooien op het ijs van de bevroren Beringzee. Ik zou natuurlijke kleurstoffen gebruiken.’
     ‘Waarom een portret van je moeder?’, vraag ik hem.
     ‘Omdat ze voor mij het belangrijkste is op deze planeet,’ antwoordt hij, ‘ze verdient het.’

Wat zal ik over deze tentoonstelling schrijven? De kunstenaar schrijft er in een begeleidend tekstje zelf over dat hij ons een spiegel wil voorhouden, omdat onze wereld meer lijkt op een zwijnenwereld dan op een wereld van mensen. Pover schrijfwerk, vrees ik, want wat zou er mis zijn met de wereld van de zwijnen, als die al zou bestaan? Gelukkig moet een visueel kunstenaar niet schrijven, maar beelden maken. Ongelooflijk, wat deze man doet met lijnen. De witte boordjes van zijn grote poppen! De manier waarop zijn lijn aanvankelijk stuntelig en hortend was en nu Jugendstil-allures krijgt. Hij toonde mij op zijn computer honderd keer uitvergrote lijnen waarvan hij de contouren onzichtbaar laat glooien… De manier waarop hij vlakken invult of in een schaamstreek kleine witte vlekjes ongekleurd laat, als een nieuwe vorm van fonkel…

Wat de begeleidende tekst verbergt, maar op een onhandige manier tracht op te roepen, is het verlangen aan de dingen te sleuren en de wereld in zijn haak te trekken. Zo liet de kunstenaar deze zomer een aantal met apenmaskers uitgeruste personen op gezette tijden een toeristisch boottochtje maken over de Gentse reien. Een andere groep als apen uitgedoste figuranten reisde per bus naar een Oostenrijkse provincie waar een groot deel van de Sloveense bevolking het recht opeist tweetalige plaatsnaamborden te mogen plaatsen. De apen plaatsten een bord waarop de naam van de provincie te lezen stond in een zelf uitgevonden bananenschrift.

In de galerie treffen we ook twee sculpturen aan. Eén ervan bestaat voornamelijk uit een bamboefluit, een rammelaar en een met zalf gevuld kuiltje. De sculptuur is een instrument dat door de kunstenaar aangewend kan worden om onvruchtbare vrouwen dankzij een magisch ritueel alsnog een conceptie te bezorgen… De andere sculptuur stelt een ‘God van de kleinigheden’ voor. Onder een oosters ogend, golvend afdakje, bevindt zich een aandoenlijk afgodsbeeldje, ‘want eigenlijk hebben wij nieuwe goden nodig’, aldus de kunstenaar. Wat hierover te zeggen? De man is teder, schrander en warm, maar ook een beetje hulpeloos. Hij vertelt mij dat hij acht oudere zussen heeft, dat zijn vader 93 is en dat zijn moeder negenenveertig was toen hij geboren werd. En dat ze heel ziek is nu, en dat hij bij haar wil zijn. En tegelijk zijn er problemen met de nieuwe prints, zodat hij zich niet kan concentreren op de voorbereiding van de geplande performance… Laat deze man toch naar huis gaan, dacht ik, en een mens of een varken zijn zoals iedereen. Het beeld van door de windhoos van de markt opgetilde jonge mensen laat mij sinds mijn bezoek aan Wim Delvoye niet meer los. Mijn God, wat een hondenbestaan, denk ik. Is dit echt nodig?

De kunstenaar vertelt mij dat hij op zijn computer 1700 getekende portretten heeft opgeslagen. Zijn solitaire figuren waren te zien in tientallen steden.

Aldus besprong mij eergisteren een gedachte, die ik hier voor u uiteenleg. Het is het volgende: dat de mensen honderd jaar geleden nooit hun dorp verlieten. En dat wij dat vandaag nog altijd niet doen, ook al bereizen we de hele wereld. Niemand heeft meer dan twee of drie goede vrienden. Iedereen weet van een twintigtal mensen welke kwaaltjes ze hebben, hoe het met hun knieschijven gesteld is en met hun eksterogen of aambeien. En ten slotte kent iedereen wel een honderdtal mensen waarvan hij of zij zich tegelijk het gezicht én de naam kan herinneren. We wonen allemaal nog in een dorp, bedoel ik. Dat kan geen kwaad, want meer dan een dorp heeft niemand nodig. Maar liever niet dit kunstdorp, bedoel ik, dat zo dun bevolkt is en zo lawaaierig en zo koud tegelijk.


Montagne de Miel, 25 oktober 2007