Hans Theys is een twintigste-eeuws filosoof en kunsthistoricus. Hij schreef en ontwierp tientallen boeken over het werk van hedendaagse kunstenaars en publiceerde honderden essays, interviews en recensies in boeken, catalogi en tijdschriften. Al deze publicaties zijn gebaseerd op samenwerkingen of gesprekken met de kunstenaars in kwestie.

Dit platform werd samengesteld door Evi Bert (Centrum Kunstarchieven Vlaanderen). Het kwam tot stand in samenwerking met de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen (Onderzoeksgroep ArchiVolt), M HKA, Antwerpen en Koen Van der Auwera. Met dank aan Idris Sevenans (HOR) en Marc Ruyters (Hart Magazine).

ESSAYS, INTERVIEWS & REVIEWS

Koen Deprez - 2012 - Uit het witte marmer de gedachte [NL, essay],
Tekst , 2 p.




__________

Hans Theys


Uit het witte marmer de gedachte
Enkele woorden over het werk van Koen Deprez


Zoals Karl Popper schreef, brengen onze blinde driften ons in beweging, waardoor we botsen met de materie en haar noodwendigheden. Uit deze botsingen zijn nieuwe levensvormen voortgekomen, nieuwe eigenschappen, nieuwe poten, vinnen en vleugels, maar ook onze gevoelens, onze verhalen, onze dromen, onze kennis en onze spirituele inzichten. Al onze gedachten komen voort uit botsingen met zwijgende voorwerpen. Hoe eentoniger en koppiger het voorwerp, hoe helderder de afkomst van de gedachte. Kijkend naar een zwarte monoliet voelen we God geboren worden uit onze eenzaamheid. We beseffen dit wanneer we voorwerpen schijnbaar verdubbelen, omdat de uniciteit van het voorwerp verloren is gegaan, terwijl onze gedachten hardnekkig doorgaan met hun bestaan.

Koen Deprez (°1961) is kunstenaar en interieurarchitect. Zoals de architect Luc Deleu volumes door elkaar duwt, zo duwt Deprez sinds enkele jaren, op steeds wisselende manieren, literaire werken door volumes. Zo creëerde hij een juwelierszaak op basis van de roman Een heilige van de horlogerie van Willem Frederik Hermans en woonomgevingen op basis van De God Denkbaar Denkbaar De God van Willem Frederik Hermans en de novelle Woeff woeff of Wie vermoordde Richard Wagner? van Stefan Themerson.
Toen een echtpaar hem in 2007 vroeg een nieuw huis voor hen te bouwen en hij ontdekte dat ze woonden in een huis dat hij als kind had bewonderd, stelde hij voor een roman te schrijven over hun oude huis, opdat ze dit als nieuw zouden ervaren. Zo geschiedde. In 2010 benaderden de kinderen van een zeventigjarige dame hem om als verrassing voor hun moeders verjaardag haar interieur te vernieuwen. Deprez verving alle voorwerpen in het appartement van deze dame door exacte kopieën die hij tweedehands verwierf. Het was hem opgevallen dat zijn dochtertje Lune een onderscheid maakte tussen haar oude, verbleekte Teigetje en een feller exemplaar dat ze later had gekregen. En ineens had hij zich herinnerd dat zijn oma, zittend in haar stoel, met beide duimen onafgebroken over de uiteinden van de leuningen had gewreven. De nieuwe meubelstukken van de jarige dame onderscheidden zich van haar oude meubels uitsluitend door de manier waarop ze in het zonlicht waren verschoten, door hun krassen en hun beduimelde vlekken: door de manier waarop ze door tientallen andere mensen in tientallen andere huizen waren gebruikt. Omdat ze door Deprez op net dezelfde plaats werden neergezet als hun voorgangers, deden ze de wereld van de oudere dame wentelen.
In het essay Homage to Marcus Aurelius beschrijft Joseph Brodsky enkele indrukken tijdens een bezoek aan het museum van het Kapitool in Rome, waar zich een groot aantal bustes van Romeinse keizers bevindt. ‘Die marmeren koppen zijn moeilijk te lezen,’ schrijft hij, ‘omdat marmer zo befaamd wit is. (…) Het is letterlijk monochroom. Bijvoorbeeld maakt het iedereen blond. (…) Toch voelen we dankbaarheid jegens het marmer wegens dit gebrek aan pigmentatie, net zoals we dankbaar zijn jegens zwart-wit foto’s, omdat ze onze fantasie en intuïtie de vrije loop laten, zodat kijken een vorm van mededaderschap wordt: zoals lezen.’
Brodsky geeft ook een voorbeeld van dit soort lezen: ‘Op een dag,’ schrijft hij, ‘turend naar het witte gezichtje van een vroeg Romeins meisje, hief ik mijn hand, vermoedelijk om mijn haar glad te strijken, en belemmerde ik zo de enige lichtbron die haar van bovenuit belichtte. Plots veranderde haar gelaatsuitdrukking. Ik bewoog mijn hand een beetje opzij: haar gelaat veranderde opnieuw.’
Een ander voorbeeld van het dichterlijke vermogen dingen te zien die er niet zijn, vinden we in het gedicht Old Furniture van Thomas Hardy, waarin we lezen: ‘Ik weet niet hoe het gaat bij anderen / Die omringd worden door relieken van het huiselijk leven  /  Stammend uit de tijd van hun moeders’ moeders, / Maar ik weet hoe het gaat bij mij / Zonder verwijl. // Ik zie de handen van generaties. / Die de bezitters waren van elk glimmend ding / Spelend op de knoppen (…) Handen achter handen, bleker en bleker wordend, / Als een kaarsvlam in een spiegel (…) Op de slome wijzer van de klok een wazige vinger (…) Op deze oude viool dansen ook vingers (…) En ik zie een gezicht bij de tondeldoos, / Opgloeiend in het duister, / En weer vervagend, zoals de lampkous / rood opgloeit door de vuurspaan, / of snel uitdooft. // Wel, wel. Flink zijn en dingen doen, daar gaat het om / De wereld van vandaag geeft geen baat bij iemand / Die zo naar de dingen kijkt – geen goed voorbeeld! / Hij zou er beter niet mee doorgaan, / Maar vergaan.’
Ongeveer twee jaar geleden trof Deprez zijn vader dood aan in diens keuken, in foetushouding liggend op de vloer, met in zijn handen, voor zijn ogen, een foto van Deprez’ grootmoeder. Als grafsteen voor zijn vader maakte Deprez een exacte kopie van de grafsteen van deze grootmoeder, die nu op twee plaatsen begraven ligt en haar zoon eindelijk voorgoed en veilig in zich opneemt, alsof hij nooit heeft bestaan.


Montagne de Miel, 3 februari 2012