Hans Theys is een twintigste-eeuws filosoof en kunsthistoricus. Hij schreef en ontwierp tientallen boeken over het werk van hedendaagse kunstenaars en publiceerde honderden essays, interviews en recensies in boeken, catalogi en tijdschriften. Al deze publicaties zijn gebaseerd op samenwerkingen of gesprekken met de kunstenaars in kwestie.

Dit platform werd samengesteld door Evi Bert (Centrum Kunstarchieven Vlaanderen). Het kwam tot stand in samenwerking met de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen (Onderzoeksgroep ArchiVolt), M HKA, Antwerpen en Koen Van der Auwera. Met dank aan Idris Sevenans (HOR) en Marc Ruyters (Hart Magazine).

ESSAYS, INTERVIEWS & REVIEWS

Leo Copers - 1999 - Love, Roses and Blood [EN, essay],
Tekst , 3 p.




__________

Hans Theys


De liefde, de rozen en het bloed
Enkele woorden over het werk van Leo Copers


‘Het tentoonstellingsproject voor 1001 Nacht is uitgesteld tot volgend jaar,’ vertelt Leo Copers, ‘nu ga ik een tapijt van Cleopatra maken. Ik heb ergens gelezen of gehoord dat toen Cleopatra haar toekomstige minnaar Antonius ontving, ze een tapijt van rozenblaadjes had laten maken dat 40 cm dik was. Ik zou zes fragmenten van dat tapijt willen tonen, zes blokken met een oppervlakte van een vierkante meter en een hoogte van 40 cm. Elke blok zou een van de zes hoofdkleuren van rozen hebben: wit, roze, rood, geel, oranje of paars. Eerst wilde ik die rozenblaadjes tonen in glazen kisten, maar nu ben ik van plan met rozen gevulde kisten zonder bodem voorzichtig op te heffen, zodat je zes ingestorte hopen krijgt. Dat levert tegelijk een vleugje verval of aftakeling op…’
     We spreken over een werk dat bestaat uit een monumentale tafel die bedekt is met een laag stof waarin het woord ‘Yromlice’ staat geschreven.
     ‘Veel van mijn werken zijn gebaseerd op het vanitas-motief,’ vertelt Leo Copers, ‘bestaat er een mooier motief? Ik heb nog nooit getracht zelf een nieuw beeldmotief te bedenken. Volgens mij is dat trouwens onmogelijk. Al kan je de bestaande motieven wel op een nieuwe of andere manier in beeld brengen.’

     Voor een tentoonstelling in Oslo die binnenkort van start gaat werden drie werken samengebracht.
     Spintafel II is een mensenhoge, vergulde tafel met acht verschillend gesculpteerde poten. Onder het tafelblad hangen zeer sterke lampen waarvan de lichtsterkte geleidelijk af- en toeneemt, zodat de schaduwen van de poten en daardoor ook de tafel zelf lijken te bewegen.
     Het tweede werk is een houten kist van ongeveer 40 bij 50 centimeter met het opschrift ‘6609’, waarin zich een paar doorzichtige plastic zakken en een skelet bevinden. Uit de kist klinkt de stem van Marcel Duchamp op, die spreekt over het belang van de erotiek in zijn werk.
     ‘Het heeft iets dierlijks,’ zegt Duchamp, ‘dat even aangenaam is als spuiten met een tube verf.’
     Het derde werk heeft geen titel. Het bestaat uit zes lichtjes gekleurde, maar doorzichtige vazen van geslepen glas, die gevuld zijn met een mengsel van menselijk en dierlijk bloed en die op halshoogte zijn opgehangen aan stroppen. In de vazen zit respectievelijk een witte, een roze, een rode, een gele, een oranje en een paarse roos en van elke vaas vertrekt een fijn draadje dat verbonden is met een op de vloer liggend jachtmes. Dit werk heeft een pendant waarin iets fijner afgewerkte vazen opgehangen zijn aan gouden stroppen, maar verbonden zijn met uitbeenmessen waar nog wat vet en vuil aanhangt.
     In de vazen is het gemengde bloed bruin geworden, net zoals in de vergulde dozen met binnenin afdrukken van een echt hart. De vazen doen ook denken aan het werk Koppel, dat bestaat uit gekleurde karaffen met een witte, elegante, vrouwelijke wijn die vergiftigd werd met belladonna, en doorzichtige karaffen met een kloeke, rode wijn die vergiftigd werd met mandragora.
     Leo Copers is een dichter van de liefde. De liefde wordt opvat als een bedrieglijk sprookje. Het is een sprookje over rozen en gestileerde hartjes, maar ook over stalen vleeshaken en uitgesneden harten in fijn geciseleerde kistjes; over zwevende tafels, glazen kooien en een in helder ijs bevroren zwaard. Het sprookje van de liefde spreekt over valsspelen, liegen en kwetsen. Je ontwaakt uit je droom en het mes waarover je droomde ligt bebloed naast je op het hoofdkussen. Het bed van bloemblaadjes waarop je sliep is verwelkt en verkeert al traag in bruine rottenis.
     Leo Copers is ook een man van materialen, stoffen, technieken en precieze afwerking. In heel zijn werk voel je een bedachtzaam en monkelend spel met wat je denkt te zien en wat er werkelijk is. Of het nu gaat om een lijn van vuur over een rivierarm, een ketting van schijnende neonlampen op de bodem van een kanaal of een snel ronddraaiende witte doek die aan de opwaaiende rok van Marilyn Monroe doet denken en ons tegelijk beangstigt door het dreigende geluid van de plots aanslaande motor, telkens weer hebben we te maken met fraaie omkeringen die indrukken van echtheid en valsheid als kamerschermen voor elkaar schuiven.
     De grote glazen kooien zijn van echt glas gemaakt, maar de uit bloemen bestaande vaas, een werk uit 1987, is samengesteld uit zijden bloemen die verzameld werden op een kerkhof. Sommige bloemen zien er nog nieuw uit, maar andere zijn verbleekt of vervuild, waardoor het geheel zo echt lijkt, dat de echtgenote van een befaamd Belgisch museumdirecteur ooit vroeg hoe vaak de bloemen ververst dienden te worden.
     Het werk De nachtegaal en de egelantier, dat ontstond in 1980, toont ons een rozenstruik die lijkt op een eglantier, terwijl uit het binnenste van de struik door een zigeuner gespeelde vioolmuziek opklinkt die de zang van een nachtegaal nabootst.
     Sinds 1991 werkt Leo Copers aan een omvangrijk werk dat 1001 Nacht werd genoemd. Het bestaat uit 1001 inmaakbokalen die stuk voor stuk gevuld werden met rozen en formol. Elke bokaal bevat rozen van een andere variëteit. De kunstenaar kwam op het idee rozen op te leggen toen eigenaars van een beroemde, Belgische kristalproducent hem vroegen of hij een editie voor hen wilde maken. Copers, die al een beiaard met kristallen klokken met hen had gemaakt, stelde voor kristallen inmaakpotten met zilveren sluithengsels te maken en er een mooie roos in op te leggen.
     ‘Op het randje van de kitsch,’ vertelt Copers, ‘maar niet ontdaan van een weinig ironie, door de inmaakpot.’
     Later is hieruit de wens voortgekomen duizend verschillende rozenvariëteiten in te maken. Het verzamelen van voldoende rozen van al deze variëteiten vergde jaren zoekwerk in de grootste kwekerijen van België, Frankrijk en Duitsland.
     Wie delen van dit fabelachtige en tegelijk huishoudkundige werk tenslotte onder ogen krijgt, zou geschokt kunnen zijn door het uitzicht ervan. Vrijwel alle rozen hebben hun oorspronkelijke kleuren verloren en zijn bruin geworden. Eigenlijk zien ze eruit als opgelegde uien. Pas in tweede instantie went ons oog opnieuw aan de talloze variëteiten van deze bruine kleuren en gaan we hier en daar restanten bespeuren van de oorspronkelijke kleur en vorm van de bloemen. Het wordt een delicate esthetica van het verderf.
     ‘Tout casse, tout passe,’ luidt het op een gravure van Félicien Rops. Ik herinner me een foto uit 1992 waarop een presentatie van de eerste zeventig met rozen gevulde bokalen te zien is in een rijkelijk versierde ruimte met fraaie houten vloer, lambrisering, betegelde schoorsteen, een prachtig tapijt, een tafel met dikke, gesculpteerde poten, en een zwaar tafelkleed. Alles ademt duurzaamheid op deze foto, met in het midden het ingesloten verwelken.


Montagne de Miel, 1 juni 1999