Hans Theys is een twintigste-eeuws filosoof en kunsthistoricus. Hij schreef en ontwierp tientallen boeken over het werk van hedendaagse kunstenaars en publiceerde honderden essays, interviews en recensies in boeken, catalogi en tijdschriften. Al deze publicaties zijn gebaseerd op samenwerkingen of gesprekken met de kunstenaars in kwestie.

Dit platform werd samengesteld door Evi Bert (Centrum Kunstarchieven Vlaanderen). Het kwam tot stand in samenwerking met de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen (Onderzoeksgroep ArchiVolt), M HKA, Antwerpen en Koen Van der Auwera. Met dank aan Idris Sevenans (HOR) en Marc Ruyters (Hart Magazine).

ESSAYS, INTERVIEWS & REVIEWS

Manor Grunewald - 2011 - Du bruit raté [FR, interview],
Tekst , 2 p.




__________

Hans Theys


Mislukte ruis
Over het werk van Manor Grunewald



Op de schoorsteenmantel in het huidige atelier van Manor Grunewald (°1985) treffen we voorwerpen aan als een Christushoofdje, een Jeff Koons-achtig glanzende purperen kabouter (die we niet meer kunnen zien zonder aan Paul McCarthy te denken), een hand, een bierpul die versierd is met de afbeelding van een skelet, een opgezette marter, in verf gedrenkte of plastieken vogels, een mensenschedel, een zwart poppetje van een superheld, andere hoofdjes, een zittend Michelin-mannetje, een blauw geschilderd heiligenbeeldje en de antieke, kartonnen verpakking met cellofaan-venstertje van een stropdas. Op de vloer vinden we een stapel afbeeldingen die afkomstig zijn uit kranten en tijdschriften, maar ook van verpakkingen, boekomslagen of stripverhalen: een oude zwart-wit reclame voor een matrassenmerk met een wakker wordend figuurtje met een matrassenlijf, een portret van Picasso, een illustratie uit een biologiecursus, een reproductie van Matisse en een getekende evocatie van een geknield meisje.

Manor Grunewald maakt boeiende schilderijen: tegelijk complexe en heldere artefacten die in een beeldend, grafisch en texturaal gesprek treden met elkaar en met het werk van andere schilders. Wie dit gesprek tracht te volgen, herinnert zich dat een schilder als Sigmar Polke het voertuig van het kapitalistisch realisme diende uit te vinden om te mogen maken wat hij wilde en dat jonge Amerikaanse schilders in het begin van de jaren tachtig het postmodernistische begrip ‘appropriatie’ moesten dulden om bestaande beelden te mogen combineren in nieuwe schilderijen. Vandaag heb je gelukkig geen verwijzingen meer nodig naar het werk van Jacques Derrida of naar het werk van voorgangers om schilderijen te mogen maken die voortvloeien uit een eclectische, collage-achtige manier van kijken of werken. Wat ik het boeiendst vind aan deze nieuwe situatie, is dat jonge kunstenaars kunnen voortbouwen op verworvenheden zonder zich bewust te zijn van het moeizame ontstaan ervan. Allicht is dit altijd zo geweest, maar ik kan dit pas nu waarnemen. Terwijl een schilder als Walter Swennen nog elke dag probeert gestalte te geven aan een eigen vorm, ervaren jonge kunstenaars deze vorm als een reële mogelijkheid binnen een zich als vanzelfsprekend voordoende wereld. Alle bestaande kunst, alle filosofie en literatuur, elke beeldtaal, alle voorwerpen, houdingen en ideeën: de hele wereld wordt onafgebroken gerecycleerd; uiteengenomen en geassembleerd tot nieuwe ervaringen, attitudes, beelden en vormen. Bij het kijken naar kunstwerken gaan we daarom niet op zoek naar wat ze gemeenschappelijk hebben, maar naar die elementen waarin ze van elkaar verschillen: naar het specifieke.

Walter Swennen gebruikt door anderen gemaakte tekeningen als onderdeel van zijn schilderijen, omdat tekeningen met bijvoorbeeld een fout perspectief, in een andere context geplaatst, kunnen fungeren als reflecties op de tweedimensionale aard van het schilderij. De grafische toevoegingen aan het werk van Manor Grunewald hebben een andere functie, die ik nog niet precies kan omschrijven, maar die vermoedelijk meer te maken heeft met de wens een bepaalde sfeer op te roepen of een bepaalde toon te zetten, dan met de wens een bepaalde kunstfilosofische overtuiging om te zetten in schilderijen. Zijn werken dragen een stemming. Tezelfdertijd weerspiegelen ze de manier waarop hij de wereld visueel of ritmisch ervaart. Dit blijkt onder meer uit zijn voorstel voor de Prijs Jonge Schilderkunst om een installatie te maken met zijn schilderijen, waarbij ze elkaar gedeeltelijk zouden overlappen en op die manier elkaar in vraag stellen, aanvullen of versterken. Het beeld dat hij daarbij voor ogen heeft, is de zichzelf organiserende constellatie van elkaar gedeeltelijk overlappende beelden die we kennen van computerschermen.

Grunewald: Tegenwoordig werk ik aan verschillende schilderijen tegelijk. Vroeger niet, maar daardoor had ik de neiging telkens een ‘echt’ werk te willen maken en teveel door te werken. Nu komen de doeken op een meer onbewuste manier tot stand. Het lijkt alsof je er minder bij nadenkt en dat ze meer een uitvloeisel zijn van dingen die je hebt gedaan in plaats van dingen die je hebt besloten. In dit schilderij heb ik bijvoorbeeld geprobeerd ruis te schilderen, maar het is mislukt. Ineens moest ik echter denken aan een reproductie van een schilderij van Jackson Pollock, die mij deed denken aan het valse graniet van de keukenbladen die tegenwoordig in de mode zijn. Ik hou ook van zwart-wit contrasten, ze doen mij denken aan de zwart-wit reproducties in de boeken van Artis-Historia. In dit schilderij komen al deze referenties samen. Het schilderij dat je daar ziet, heb ik al tentoongesteld in Frankfurt, maar toen ik het na zijn terugkeer bekeek, heb ik er een paar dingen aan veranderd. De witte cirkel heb ik een beetje vervaagd met white spirit. Linksboven heb ik er een beetje grijs aan toegevoegd en rechts onderaan een beetje oker. Daardoor lijkt er een bolle vorm op te doemen die doet denken aan een planeet. Ik heb er ook een wit vlak en een figuratief element aan toegevoegd, dat ik later weer vager heb gemaakt. Compositorisch was dat witte vlak zeker nodig. Het figuurtje is de afbeelding van een boom, afkomstig van een krabfolie die ik heb geprojecteerd, maar mensen zien er ook andere dingen in. Ik ben blij dat het iets heel suggestiefs geworden is. Ooit heb ik een volledige stock krabfolies opgekocht.

- Welke schilders bewonder je?

Grunewald: Picabia, omdat hij een kunstenaar is die denkt vanuit het proces, vanuit de ontwikkeling van een oeuvre. Daarom lijkt zijn oeuvre op het eerste gezicht nogal verbrokkeld en werd de samenhang ervan pas later duidelijk. Andere kunstenaars die zo werkten of werken zijn Martin Kippenberger en Mike Kelley. Ik hou ook van het werk van Max Beckman. Maar ik ben beïnvloed door zeer uiteenlopende dingen. Ik verwijs in mijn werk naar andere schilders, maar ik ben ook geboeid door grafische vormgeving en door de mogelijkheden van programma’s als Illustrator en Photoshop, onder meer door de manier waarop je beelden en fragmenten van beelden over elkaar kan plaatsen en met elkaar kan combineren. Je steekt daar veel van op, bijvoorbeeld over kleurgebruik of over hoe beelden samen functioneren. Maar wat betreft de andere schilders: Philip Guston heeft eens gezegd dat als je binnenkomt in je atelier je hoofd volzit met de hele kunstgeschiedenis. Je hoofd zit vol, maar zodra je bezig bent, verlies je dat allemaal en in het beste geval ook jezelf.

- Je maakt ook tekeningen en collages.

Grunewald: Ik heb heel veel getekend, bijvoorbeeld met rotring-pennen. Ik hou van etsen, gravures en fijnmazige tekeningen.

- Hier heb je geschilderd op plastic?

Grunewald: Ja, als je op dat soort plasticfolie schildert met olieverf wordt het slap, maar daarna gaat het weer strak staan. Daarnaast hangt een schilderij dat ik op metaalfolie heb geschilderd.

- Voor de Prijs Jonge Schilderkunst ga je een installatie maken met je schilderijen?

Grunewald: Volgende maand doe ik een test op de Arco-beurs in Madrid. Ik zou alle schilderijen tegen één wand willen plaatsen en zelfs opstapelen. De toeschouwers krijgen een index, waarop ze kleine zwart-wit reproducties zien. Ze kunnen dan proberen de werken die in de index voorkomen te herkennen in de installatie. Ik hou ervan een soort van nieuwsgierigheid of kijklust op te wekken of de toeschouwer uit te nodigen tot een voyeuristische relatie met de werken. Ik zou ook elke dag wijzigingen kunnen aanbrengen, zodat de installatie zich blijft ontwikkelen. Ik vind het niet erg dat er dingen zijn die de mensen niet kunnen zien. Vanaf mijn twaalfde heb ik graffiti gespoten. Je went dan snel aan het idee dat je werk de volgende dag al overschilderd kan zijn of dat niemand het ooit zal zien. Anderzijds gaat een tekening die iemand aanbrengt op een trein ook meteen op reis en kan die door iedereen toevallig waargenomen worden. Zo kunnen je beelden overal opduiken, soms als fragment, voor toevallige toeschouwers. Zo’n schijnbaar toevallige ontmoetingen wil ik met deze installaties oproepen.


Montagne de Miel, 20 januari 2011