Hans Theys is een twintigste-eeuws filosoof en kunsthistoricus. Hij schreef en ontwierp tientallen boeken over het werk van hedendaagse kunstenaars en publiceerde honderden essays, interviews en recensies in boeken, catalogi en tijdschriften. Al deze publicaties zijn gebaseerd op samenwerkingen of gesprekken met de kunstenaars in kwestie.

Dit platform werd samengesteld door Evi Bert (Centrum Kunstarchieven Vlaanderen). Het kwam tot stand in samenwerking met de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen (Onderzoeksgroep ArchiVolt), M HKA, Antwerpen en Koen Van der Auwera. Met dank aan Idris Sevenans (HOR) en Marc Ruyters (Hart Magazine).

ESSAYS, INTERVIEWS & REVIEWS

Manor Grunewald - 2011 - Een nieuwe blondheid [NL, essay],
Tekst , 2 p.




__________

Hans Theys


Een nieuwe blondheid
Over het werk van Manor Grunewald



De tentoonstelling

Enkele maanden geleden schreef ik hoe wonderlijk het was te zien hoe een jong kunstenaar als Manor Grunewald vandaag de ‘appropriatie’ uit de jaren tachtig opnieuw uitvindt en er vermoedelijk op een versnelde manier mee tot nieuwe schilderijen zou komen. De voorbije weken bracht ik twee keer een bezoek aan de solotentoonstelling van Manor Grunewald in de galerie van Ischa Tallieu en ik was verrast door de nieuwe lichtheid van de schilderijen. Het leek alsof de stencil-achtige, zwart-wit tekeningen zich een beetje hadden teruggetrokken uit zijn werk en dat andere vormelijke thema’s aan belang hadden gewonnen. Het was een succulente tentoonstelling, met kantelende werken die fijne draden doorheen de ruimte sponnen.

Wat was er te zien? Een paar schilderijen, asymmetrisch door de ruimte gestrooid, twee reeksen met collages en enkele sculpturale toevoegingen, gemaakt met materiaal dat afkomstig was van een pas ontmanteld atelier. Grunewald maakt schilderijen aan de hand van enkele elementen die telkens op een verschillende manier terugkeren. Een bovenop geschilderde witte passe-partout omlijst soms een heel schilderij, soms vind je alleen beneden een boord, als een vensterbank. Soms is deze passe-partout het meest dichte element, soms is er nog een gele druppel op gevallen op werd er een woord op gestencild. Andere elementen zijn bladeren van planten of bomen die zich als penseelstreken gaan gedragen, de kleur geel, confetti, cirkels en schijven. Wat mij in deze tentoonstelling het meest opviel, was het gewijzigde gebruik van sjablonen, dat steeds vaker neerkomt op het maken van restvormen, zoals het aureool dat achterblijft op de vloer of de muur als je een schijf met lakverf hebt bespoten, of de horizontale en verticale strepen die op de muur achterblijven na het schilderen van de boord van een schilderij en die daarom het beeld van ontbrekende vlakken of verdwenen schilderijen oproepen. Allicht versterkten deze elementen de schijnbare terugtrekking van de zwart-wit beelden. Het was alsof we naar lege frames keken, naar weggeknipte beelden, naar schilderijen met een minimale, lichtvoetige textuur.

Het mooie aan de tentoonstelling was ook dat Grunewald de leesbaarheid van zijn werken verhoogde door het tonen van de poëtisch/documentaire elementen die afkomstig zijn van zijn atelier, zoals een groot stuk uitgezaagde plankenvloer, dat een tiental centimeter boven de galerievloer zweeft, of een soort van kast, die lijkt op de primitieve kopie van een wasmachine. Naast deze sculptuur zien we een prachtig, schilderij met een Richter-achtig gewiste bruine achtergrond die voorgrond wordt en zich toont zich als sublieme Platonische Vorm van de wormstekige plank die werd gebruikt in de sculptuur.


Het boek

Het bijzondere aan de collages van Manor Grunewald is dat ze zijn opgebouwd als schilderijen. Het zijn schilderijen van papier. Vrijwel elke toevoeging creëert een nieuw picturaal vlak, dat zich op een andere denkbeeldige diepte schijnt te bevinden. Samen vormen ze een trap in een denkbeeldige ruimte. De westerse schilderkunst (in tegenstelling met bijvoorbeeld de Chinese schilderkunst) was bijna altijd een poging voorwerpen in een denkbeeldige ruimte te plaatsen door te tonen hoe hun botsing met het licht hun volume voor ons schetste. Het bijzondere aan Rubens was, aldus Roger Fry, dat hij elk afzonderlijk voorwerp in zijn schilderijen met een eigen couleur locale in de ruimte kon plaatsten zonder dat zijn schilderijen (die zich bijvoorbeeld op twaalf verschillende dieptes afspelen) uit elkaar vielen.

Kijkend naar de zwart-wit reproducties die u nu aantreft in dit boek, was ik eerst bevreemd of zelfs geschokt door hun vlakheid, vooral gezien in contrast met het schilderkunstige karakter en de bijzondere picturale diepte van de collages. Maar vermoedelijk toont Grunewald vlakke reproducties van zijn collages, omdat hij het fijn vindt de schijnbare diepte van hun textuur te laten opdoemen uit de grijswaarden. De beelden hebben iets machtigs voor hem, denk ik, omdat ze een diepte in zich dragen die niet meteen leesbaar is. En allicht geldt dat ook voor sommige van zijn schilderijen: hoe langer je ernaar lijkt, hoe rijker en dieper ze kunnen worden. Een schilder als Manor zou dan iemand zijn die ervan houdt diepte uit vlakheid te zien opdoemen.

Nu ik dit bedenk, heb ik meteen zin opnieuw naar Olympia en Le Balcon van Manet te gaan kijken, om te zien of de plat geschilderde (volume-loze) zwarte kat en de plat geschilderde spijlen van het balkon niet alsnog uit de diepte opduiken, zoals de ongeschilderde volumes in Chinese figuren. En dan herinner ik me hoe wonderlijk het is dat deze negentiende-eeuwse, blonde schilder klare schilderijen maakte die door zijn vrienden ‘blond’ genoemd werden, alsof zijn voorkomen hen de juiste verwoording influisterde voor de nieuwe kleurtemperatuur. Hoe mooi de rol van het geel in deze tentoonstelling van Manor Grunewald! De gele neonlampen onder de zwevende vloer, de gele vlekjes, de gele confetti, de gele schijven, de gele papierstroken! Een blonde schijn doorstraalt de werken en de tentoonstelling. Blonde draden verbinden de werken. Een nieuwe blondheid en klaarte is geboren, en een nieuw grijs boek weigert daarover te berichten, maar probeert zelf iets te zijn, als een bundeling van mistige schaduwen die ruimte baren.


Montagne de Miel, 12 december 2011