Hans Theys is een twintigste-eeuws filosoof en kunsthistoricus. Hij schreef en ontwierp tientallen boeken over het werk van hedendaagse kunstenaars en publiceerde honderden essays, interviews en recensies in boeken, catalogi en tijdschriften. Al deze publicaties zijn gebaseerd op samenwerkingen of gesprekken met de kunstenaars in kwestie.

Dit platform werd samengesteld door Evi Bert (Centrum Kunstarchieven Vlaanderen). Het kwam tot stand in samenwerking met de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen (Onderzoeksgroep ArchiVolt), M HKA, Antwerpen en Koen Van der Auwera. Met dank aan Idris Sevenans (HOR) en Marc Ruyters (Hart Magazine).

ESSAYS, INTERVIEWS & REVIEWS

Marthe Wéry - 2007 - Het onvoltooide oeuvre [NL, interview],
Tekst , 3 p.




__________

Hans Theys


Het onvoltooide oeuvre
Enkele woorden over het werk van Marthe Wéry



In galerie Micheline Szwajcer is momenteel een poëtische en heldere tentoonstelling te zien met werk van Marthe Wéry. De uit Frankrijk afkomstige curator, publicist en docent, Éric de Chassey, werd door de galerie uitgenodigd een volledig vrije tentoonstelling te maken met werk dat afkomstig is uit het atelier van de kunstenaar.

De Chassey zag voor het eerst een werk van Marthe Wéry in 1988, in Lyon. Het ging om een triptiek die nu in de tentoonstelling te zien is. In 2000 nam hij contact op met de kunstenaar omdat hij dezelfde triptiek wilde tonen in een groepstentoonstelling. Vanaf dat moment hebben ze verschillende keren samengewerkt, onder meer voor de grote tentoonstelling in Doornik, waarvoor de Chassey een tekst verzorgde en hielp bij de opbouw.
In de begeleidende tekst bij de huidige tentoonstelling benadrukt hij het essentieel onvoltooide karakter van Wérys werk in die zin dat de presentatie ervan door de kunstenaar altijd werd aangepast aan de tentoonstellingsruimte. Het thema van deze tentoonstelling bestaat dan ook in de vraag of het oeuvre van een kunstenaar als Marthe Wéry na het overlijden van de kunstenaar bewaard moet blijven in een bevroren toestand of mag blijven bewegen. Het antwoord van de Chassey is gelijkluidend met de aanpak van Barthold Kuijken, die elders in deze Hart beschreven wordt: de curator moet zich zoveel mogelijk baseren op historische bronnen, maar moet uiteindelijk duidelijk herkenbare beslissingen nemen die zijn aangepast aan de ruimte en de toeschouwer. De Chassey noemt dat ‘des décisions d’engagement’.
Hoe boeiend te spreken met een man die zowel kunsthistorisch beslagen is (zijn werk wordt gepubliceerd door Gallimard) als de nederigheid opbrengt samen te werken met kunstenaars om beter te begrijpen waar ze mee bezig zijn en wat hen bezielt.

In de loop van ons gesprek verwijs ik naar een tentoonstelling van Christopher Wool in dezelfde galerie, omdat ik een paar formele overeenkomsten zie met de Chassey’s huidige ophanging.

De Chassey: Ik heb die tentoonstelling samen met Marthe Wéry gezien.

- En wat vond ze ervan?

De Chassey: Ze stelde zich vooral vragen over de mogelijkheid werk te maken met mechanische hulpmiddelen, omdat ze daar op dat moment zelf mee bezig was. Twee gezeefdrukte werken die ze toen heeft gemaakt maken deel uit van deze ophanging.
Los van het feit dat ik deze tentoonstelling zie als een onderzoek naar de mogelijkheid van een open en veranderlijke behandeling van een zich niet meer ontwikkelend oeuvre, heb ik er vooral naar gestreefd het oeuvre van Marthe Wéry zichtbaar te maken voor mensen die het nog niet kennen. Vooral in het buitenland kennen de meeste mensen maar een klein gedeelte van haar werk.
Ik wist meteen dat ik een rustige, enigszins monumentale zaal wilde maken en een iets drukkere, gekleurde zaal. Het grootste probleem is niet alleen dat Marthe de constellatie van haar schilderijen telkens aanpaste aan de ruimte, waardoor een slaafse reconstructie eigenlijk niet aangewezen is, maar ook dat haar werk heel slecht gedocumenteerd is. Het eerste obstakel voor de historicus is de catalogus die werd uitgegeven door Cera en Ludion en die ten onrechte de indruk geeft een catalogue raisonné te zijn. Zeker de helft van de werken die je nu in de galerie kan zien worden er niet in beschreven. Het tweede obstakel is de losse manier waarop de kunstenaar zelf haar oeuvre documenteerde. Zo heb ik in de tentoonstelling een vijfdelige reeks opgenomen waarvan ik niet weet hoe ik ze moet ophangen. Op de achterzijde van twee schilderijtjes bevindt zich een plannetje van de opstelling met een kruisje op de plek van het schilderij in kwestie, maar beide schilderijtjes dragen op dezelfde plek een kruis!

- Eén schilderijtje is duidelijk groter dan de andere vier.

De Chassey: Alle schilderijen hebben verschillende formaten. Er zijn er geen twee gelijk.

- Heb je nog andere voorbeelden van beslissingen die je hebt moeten nemen?

De Chassey: Voor de twee diptieken was het niet duidelijk hoe breed de spleet tussen beide werken moest zijn. Ik kon dat wel nameten op foto’s, maar de exacte reconstructies zagen er niet goed uit, waarschijnlijk omdat de muren een andere omvang hebben.

- Je vertelde mij dat je het werk van Marthe Wéry op een meer volledige manier wil zichtbaar maken. Kan je dat even toelichten?

De Chassey: Ik vind dat er bij de laatste grote tentoonstellingen van Wérys werk een te grote nadruk werd gelegd op de rode monochromen op een aluminium drager. Daarom toon ik nu ook grijze werken, werken op hout, werken waarbij schilderijen met multiplex platen gecombineerd worden, werken met een meer transparante laag en werken die gezeefdrukt werden. De uiteindelijke keuze van de werken heeft te maken met de materiële manier waarop ze hun onvoltooid zijn of openheid tot uitdrukking brengen. Bij de triptiek die ik voor het eerst heb gezien in 1988 en al heb tentoongesteld in 2000 voel je dat in de bovenzijde, die niet afgesloten is met een boord van MDF. Het schilderij stroomt aan de bovenzijde over in de ruimte. Als ik kan zichtbaar maken dat de kunstenaar telkens weer nieuwe vormen heeft gezocht om deze openheid gestalte te geven, ben ik geslaagd in mijn opzet.


Montagne de Miel, 7 december 2007