Hans Theys is een twintigste-eeuws filosoof en kunsthistoricus. Hij schreef en ontwierp tientallen boeken over het werk van hedendaagse kunstenaars en publiceerde honderden essays, interviews en recensies in boeken, catalogi en tijdschriften. Al deze publicaties zijn gebaseerd op samenwerkingen of gesprekken met de kunstenaars in kwestie.

Dit platform werd samengesteld door Evi Bert (Centrum Kunstarchieven Vlaanderen). Het kwam tot stand in samenwerking met de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen (Onderzoeksgroep ArchiVolt), M HKA, Antwerpen en Koen Van der Auwera. Met dank aan Idris Sevenans (HOR) en Marc Ruyters (Hart Magazine).

ESSAYS, INTERVIEWS & REVIEWS

Matthias Beckman - 2007 - Zich verliezen in krulletjes [NL, essay],
Tekst , 3 p.




__________

Hans Theys


Zich verliezen in krulletjes
Over een boek van Matthias Beckman



Onlangs publiceerde het S.M.A.K. een boek met tekeningen van de Duitse kunstenaar Matthias Beckmann (°1965). Het is een prachtig boek geworden, dat door de aanpak van de vormgeefster Marleen Deceuckelier model kan staan voor museum-edities. Het toont hoe een boek dienstbaar kan zijn aan een oeuvre en zelfs een experimentele plek kan worden waarbinnen een oeuvre zich verder kan ontwikkelen.

Matthias Beckmann studeerde aan de Kunstakademie Düsseldorf en de Staatliche Akademie der Bildende Künste in Stuttgart. Hij woont in Berlijn. Sinds enkele jaren bezoekt hij kunstruimtes en maakt hij ter plaatse tekeningen. Voor de huidige tentoonstelling in het S.M.A.K. verbleef hij in de lente van 2006 een tijd in het museum. De oogst bestaat uit een honderdtal potloodtekeningen op tekenpapier van het formaat A4.

Deze tekeningen treffen ons door hun trefzekerheid, die wonderlijk genoeg gepaard gaat met een bijna onbevangen lijnvoering. Er wordt niet gecorrigeerd of geretoucheerd. De tekeningen vallen door hun doorlopende lijnen uiteen in verschillende puzzelstukken, waarbij grafische elementen zoals opschriften op kledingstukken evenwaardig worden aan plooien, hengsels van emmers of glimmende weerkaatsingen op plastieken flessen. Architecturale elementen worden grafisch, speels en teder. Menselijke contouren scheppen transparante volumes die verdrinken in een samenspel van lijnen. Schaduwen waarvan enkel de omtrekken worden geschetst, worden even aanwezig als de voorwerpen waar ze uit gevallen zijn. Het museum valt uiteen in honderden verschillende hoekjes, aanzichten, taferelen, gebeurtenissen en composities. Het komt tot leven in de aandachtige beschouwing van iemand die niet meeloopt met de stroom of zo snel mogelijk ‘informatie’ vergaart, maar de tijd neemt om op een kruispunt te kijken naar het voorbijgaande verkeer. Net zoals in de film ‘Smoke’ voel je dat elk moment op elke plek een moment van schoonheid kan opleveren. Soms vouwt de ruimte open, soms slipt ze toe. Het geheel is doordrongen van een sensualiteit die we ook kennen van de tekeningen van Andy Warhol, waarin kronkelige lijntjes de wereld omvormen tot een samenspel van dubbelzinnige klodders.

Matthias Beckmann vertelde mij dat hij niet houdt van Warhols werk, maar dat hij blij is dat ik in zijn werk enige sensualiteit bespeur. Voor hem vertellen zijn tekeningen iets over de waarde die aan kunstwerken gehecht wordt en hoe die waarde ondermeer tot stand komt door het engagement van een museum. Daarom probeert hij in zijn tekeningen een gelijke waarde te geven aan kunstwerken, kunstenaars, bezoekers en deurknoppen of brandblusapparaten. Tekenend neemt hij zo snel mogelijk beslissingen over wàt hij met zijn potloodlijnen zal aangeven: het voorwerp of de schaduw, de haarlok of de weerkaatsing van het licht, de contouren van een hemd of de vouwen ervan. Voorgrond versmelt met achtergrond, het afwezige wordt aanwezig, het voorwerp verbrokkelt, de tekening wordt een vlak waarop al wat waargenomen wordt gelijkwaardig kan worden.

‘Het leukst vind ik het wanneer het decoratief wordt,’ vertelt de kunstenaar, ‘wanneer ik mij kan verliezen in krulletjes die niets meer hoeven te betekenen, maar waardevol worden als onderdeel van de tekening, bijvoorbeeld in de tekening van de transportkist van een werk van Bruce Naumann.’

Het tekstgedeelte van dit boek bleef beperkt tot een door Phillippe van Cauteren (de directeur van het S.M.A.K) geschreven brief, die als een los blad aan het boek werd toegevoegd. Dit is een elegante, nederige oplossing, die het boek volledig laat bestaan als schetsboek, als een bundeling reproducties van tekeningen. Als auteur trekt Philippe Van Cauteren zich terug om plaats te maken voor de beelden en de fysieke integriteit van een kunstenaarsboek. Deze houding versterkt de grafische aanpak.

Door deze houding wordt Marleen Deceuckeliere ook de ware auteur van dit boek, zodat we hier met recht even kunnen uitweiden over haar werk.

Marleen Deceuckelier is vormgeefster van tal van mooie boeken, waaronder het eerste boekje over het werk van Michaël Borremans, de prachtige Mwana Kitoko catalogus naar aanleiding van de gelijknamige bijdrage van Luc Tuymans aan de 49ste Biënnale van Venetië en de catalogus uit 1999 over de tekeningen van Thierry De Cordier. Al deze boeken blinken uit door een voortreffelijke, functionele papierkeuze en een aangepaste typografie en bladspiegel. Het geniete boekje over Borremans is een soepel, mooi openvallend voorwerp dat aangenaam zwaar in de hand ligt. Het bevat een prachtige taalwissel, die de continuïteit van het boek niet verstoort en de tekstpartij haar onopvallende, visueel bescheiden rol van grafische ruggengraat laat spelen. Het matte papier van de Tuymans-catalogus versterkt het nauwelijks opdoemen van de beelden in zijn schilderijen. Het glanzende papier van de Cordier-catalogus geeft een noodzakelijk, museaal cachet aan zijn verzamelde tekeningen, die worden voorgesteld als documenten. De vormgeving van Marleen Deceuckelier is terughoudend en dienstbaar, zonder in te boeten aan sensualiteit. De teksten worden helder en leesbaar gezet. De beelden ademen. Het is allicht niet toevallig dat deze levende boeken altijd tot stand komen in nauwe samenwerking met de kunstenaars.

Het boek dat nu voor ons ligt zet deze bewonderenswaardige traditie verder. Elk grafisch onderdeel maakte deel uit van een verzameling voorstellen die werden geformuleerd door Marleen Deceuckelier en goedgekeurd werden door de kunstenaar. Dat voel je. De afgebeelde kunstwerken kunnen zich maximaal ontplooien. Ze worden niet gehinderd door grafische ingrepen die aan het boek toegevoegd hadden kunnen worden om het een extra, niet uit het afgebeelde oeuvre voortgevloeide identiteit te bezorgen. Het boek werd opgevat als een waarachtige ruimte of textuur die, naar analogie met een tentoonstellingsruimte, maximaal wordt benut om het werk te dienen en zichtbaar te maken. Het formaat van het boek stemt overeen met dat van de tekeningen, waardoor die op ware grootte en aflopend afgedrukt konden worden. De papierkeuze is gebaseerd op de wens het originele tekenpapier zo dicht mogelijk te benaderen. Het is niet te wit, te geel, te glad of te poreus. De kaft roep het beeld op van een luxueus ingebonden schetsboek, zonder dit model slaafs na te volgen. In plaats van de gangbare, vaak donkere kleuren, werd gekozen voor een levendige, boeiende mosterdkleur voor de kaft en een prachtig, donkergroen voor de linnen rug.

‘De afbeelding op de voorkaft toont een tekening van een scheefgezakte stapel stoelen,’ vertelt Marleen Deceuckelier. ‘Ik heb die tekening uitgekozen omdat ze iets gewrongens heeft, iets tegendraads, net zoals Beckmann het gedoe in het museum van op de zijlijn lijkt te bekijken. Tegelijk is het een soort van stoelendans, die het levendige en dansante aspect van zijn werk tot uitdrukking brengt.’

Deze opmerking sluit aan bij wat Philippe Van Cauteren in zijn begeleidende brief opmerkt over Beckmanns werk: dat het methodes gebruikt (zoals inzoomen, asymmetrisch kadreren of het kijken vanuit schuine invalshoeken) die we vooral kennen van de fotografie en de film.

Het boek werd gedrukt met een stochastisch raster, waardoor de potloodlijnen van Beckmanns tekeningen zowel hun trefzekerheid als hun zachtheid behouden. De lijnen brokkelen niet uiteen door zichtbare rasterpunten, waardoor ze fris en stevig blijven, en tegelijk lijken ze gedrukt in een warm grijs, dat nauw aanleunt bij de kleurtemperatuur van potloodtekeningen. ‘We hebben zes verschillende rasters uitgetest,’ vertelt Marleen Deceuckelier. ‘Het kwam erop aan een evenwicht te vinden tussen de stevigheid van de lijn en de zachtheid van het potlood.’

Het is een prachtig boek geworden, een mooie plek voor prachtige tekeningen.


Montagne De Miel, 2 februari 2007