Hans Theys is een twintigste-eeuws filosoof en kunsthistoricus. Hij schreef en ontwierp tientallen boeken over het werk van hedendaagse kunstenaars en publiceerde honderden essays, interviews en recensies in boeken, catalogi en tijdschriften. Al deze publicaties zijn gebaseerd op samenwerkingen of gesprekken met de kunstenaars in kwestie.

Dit platform werd samengesteld door Evi Bert (Centrum Kunstarchieven Vlaanderen). Het kwam tot stand in samenwerking met de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen (Onderzoeksgroep ArchiVolt), M HKA, Antwerpen en Koen Van der Auwera. Met dank aan Idris Sevenans (HOR) en Marc Ruyters (Hart Magazine).

ESSAYS, INTERVIEWS & REVIEWS

Carole Vanderlinden - 2017 - Mon seul d├ęsir [NL, essay],
Tekst , 2 p.




__________

Hans Theys
 

Mon seul désir
(Over de tekeningen van Carole Vanderlinden)

 

Ik werd wakker door een knisperend geluidje. Naast mij zat een lange, magere man een sigaret te rollen. Het was Jack Palance, die in het nieuwe album van Lucky Luke opnieuw de gedaante van Phil IJzerdraad had aangenomen, doodgraver was geworden en in zijn vrije tijd silhouetten uitknipte. Ik wilde rechtop gaan zitten, maar zijn dunne linkerhand duwde mij bedaard maar krachtig weer in het kussen.
            ‘Iemand vertelde mij eens,’ sprak hij met lage, zachte stem, ‘dat het oeuvre van een schilder uiteindelijk op hem of haar gaat gelijken, zoals twee echtelieden die al een halve eeuw samen zijn… Over mijn werk wordt gezegd dat het er nogal simpel uitziet, maar heel ingewikkeld is… Ik vraag mij af wat dat over mij zegt.’ Hij schraapte de keel, stak de pas gerolde sigaret in zijn mond en streek een lucifer aan. Spookachtig licht vlamde over zijn gelaat. Toen zoog hij een rode punt aan de sigaret. 
            ‘Ik heb je teksten over het werk van Carole gelezen,’ vervolgde hij. ‘Je schrijft ergens dat haar schilderijen ons meteen raken en dat ze direct, compact, krachtig en grappig zijn.’ Het is vreemd, maar zo zie ik haar ook: direct, compact, krachtig en grappig. En je tekst heet: ‘Twee voeten in de lucht en twee op de grond’. Heel terecht, want zo zie ik haar ook. Ze heeft iets compacts dat overal tegelijk is. Als ik eerlijk ben, moet ik toegeven dat haar werk mij ruimtelijker heeft gemaakt. Het is alsof ik op meer punten in de ruimte tegelijk aanwezig ben. Ik blijk een bovenkant en een onderkant te hebben, en zelfs een voorkant en een achterkant…’ 
            Hij zweeg en trok opnieuw aan zijn sigaret. Toen zag ik dat zijn hand dun was als papier, als een silhouet.
            ‘Je was een soort van geestverschijning,’ zei ik, ‘maar nu heb je een lichaam.’
            ‘Inderdaad,’ zei hij, ‘zo zou je het zeker kunnen stellen. Ik heb een soort van dikte gekregen, een soort van aanwezigheid…’
            ‘Je bedoelt dat je niet meer alleen bestaat als beeld, maar ook als ding…’
            ‘Als tastbaar ding, ja, maar vooral als iets zichtbaars. Vroeger was ik onzichtbaar, geloof ik. Ik was doorzichtig…’
            ‘Ik denk dat ik begrijp wat je bedoelt,’ sprak ik. Ik probeerde opnieuw overeind te komen, maar even krachtig duwde hij mij met zijn papieren linkerhand opnieuw naar beneden. ‘Zo dun en zoveel kracht,’ dacht ik.
            ‘Vertel mij over Parijs,’ zei hij.
            ‘Parijs?’
            ‘Je schrijft ergens dat je met haar een dag hebt doorgebracht in Parijs. Hoe was dat? Wat deden jullie daar?’
            ‘Dat wilde ik je net vertellen,’ zei ik, ‘maar je hield mij tegen.’
            ‘Ik wil dat je plat blijft liggen.’
            ‘In orde. Ik heb het begrepen. Ik mag niet bewegen.’
            ‘Dat bedoel ik. Geen beweging. Plat blijven.’
            ‘We hebben het museum van de middeleeuwen bezocht, waar we naar ‘De dame met de eenhoorn’ zijn gaan kijken.’
            ‘Mon seul désir…’
            ‘Een prachtig schilderij… Het toont een dame die naar voren schrijdt uit een tent waarvan de frontale opening bestaat uit twee zachte flappen die opengehouden worden door twee rechtop zittende dieren, een leeuw en een eenhoorn die, gezien de structuur van hun knieën, eigenlijk knielen. Met opgeheven hoorn en staart biedt de eenhoorn zich aan in eeuwige dienstbaarheid. En zoals de tent open plooit, zo valt ook het bovenkleed van de dame open. En haar wijd afhangende rechtermouw, zoals in de Chinese schilderkunst, vormt een kuise tunnel.’
            ‘Er zijn ook twee honden, een pluizig keffertje en een windhond: de zogenaamde symbolen voor lust en huwelijkstrouw.’
            ‘Ooit vroeg ik aan een vooraanstaand kunsthistoricus, die niet gelooft in vaststaande symbolen in de middeleeuwse schilderkunst, of hij deze contradictie voor mij wilde verklaren. Zonder aarzelen antwoordde hij dat er geen tegenspraak is tussen lust en huwelijkstrouw.’
            ‘Dus jullie waren daar samen, Carole en jij, in die nachtelijke presentatie van een middeleeuwse lusthof, en wat dan? Wat is er dan gebeurd?’
            ‘We hebben minstens een uur naar de verschillende wandtapijten gekeken, ook al had zij ze al vaak gezien. Hoe wonderlijk plooit die gezwollen tent zich open, ook al bestaat ze alleen uit garen op een plat stuk doek! Wonderlijk hoe ruimtelijk… met verschillende kleuren rood om het bollende korset van de dame weer te geven. De tent lijkt zich voor een rood wandtapijt te bevinden, versierd met honderden figuurtjes die zich allemaal op dezelfde diepte bevinden. Maar boven de tent vliegen twee vogels, die dezelfde rode achtergrond als een diepe ruimte benutten.’
            ‘Mmm.’
            ‘Carole gebruikt motieven die ze heeft aangetroffen in de oude kunst om gestalte te geven aan een wereld zonder perspectief, een wereld van eindeloze opsommingen die nog niet samengevat en onderworpen is door de mens. Een wereld waarin de mens nog op zijn plaats staat, als een blad aan een boom.’
            ‘De wereld als een plat curiositeitenkabinet.’
            ‘Zoiets. En dan neemt ze zo’n motief, een afbeelding van een dier of een plant, een zigzagmotief of een opeenvolging van kleurvlakken, en ze isoleert het in een tekening, ze speelt ermee, ze maakt het zelfstandig. En als ze schildert, maakt ze dat motief dikker. Ze maakt het stroever en weerbarstiger. Ondoorzichtiger. Steviger. Ze geeft het bestaansrecht. Ze verleent het een zwaarte, een aanwezigheid.’
            ‘Een binnenkant, bedoel je?’
            ‘Dat zou ik niet durven beweren.’
           ‘Toch voelt het zo aan.’
            Ik zweeg.
            ‘Toch voelt het zo aan…’
 

Montagne de Miel, 6 juli 2017