Hans Theys is een twintigste-eeuws filosoof en kunsthistoricus. Hij schreef en ontwierp tientallen boeken over het werk van hedendaagse kunstenaars en publiceerde honderden essays, interviews en recensies in boeken, catalogi en tijdschriften. Al deze publicaties zijn gebaseerd op samenwerkingen of gesprekken met de kunstenaars in kwestie.

Dit platform werd samengesteld door Evi Bert (Centrum Kunstarchieven Vlaanderen). Het kwam tot stand in samenwerking met de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen (Onderzoeksgroep ArchiVolt), M HKA, Antwerpen en Koen Van der Auwera. Met dank aan Idris Sevenans (HOR) en Marc Ruyters (Hart Magazine).

ESSAYS, INTERVIEWS & REVIEWS

Orla Barry - 1999 - Kopstand in een emmer ijs en door het ijs gezakte keien [NL, essay],
Tekst , 5 p.




__________

Hans Theys


Kopstand in een emmer ijs en door het ijs gezakte keien
Enkele woorden over het werk van Orla Barry



I. Inleiding

Donderdag, 19 augustus 1999. We zitten in de keuken van Orla Barry, op de derde verdieping van een oud Brussels huis. Buiten jagen vervaarlijke, veelkleurige wolken voorbij. Het is zo’n dag waarop duistere stormvlagen afgewisseld worden met prachtige, blauwe opklaringen en met in alle richtingen, allemaal op dezelfde hoogte, mijlenver achter elkaar drijvende witte wolkjes, die de hemel een bijna meetbare diepte bezorgen en door hun uiteindelijke verdwijnen achter de horizon bewijzen dat de aarde rond is.
    ‘Prachtig weer,’ zegt Orla, ‘op dagen als deze denk je dat de zee vlakbij is.’
    ‘Heb je vroeger aan de zee gewoond?’ vraag ik.
    ‘Ja,’ antwoordt ze.
    Orla Barry is in 1969 geboren in het Ierse Wexford. Haar moeder was lerares huishoudkunde en haar vader was een boer en veehouder, die gerst en aalbessen verbouwde. Ze woonde op twee kilometer van de zee. Haar beide grootmoeders leefden vlakbij. Van 1991 tot 1993 woonde ze in Amsterdam, waar ze als student verbonden was aan De Ateliers. Daar raakte ze bevriend met Joëlle Tuerlinckx, die ze vaak in Brussel kwam bezoeken. In 1993 is ze dan in Brussel komen wonen, waar ze nu nog steeds woont. Ze werkt al tien jaar in cafés.
    In het midden van het appartement bevindt zich een zwarte schoorsteenmantel die is ingericht als een altaar voor Samuel Beckett. Er staan een paar foto’s op en er liggen een paar voorwerpen. Boven de foto’s hangt een oude, ingelijste affiche van een duivenmelkersvereniging. Er staat ook een boekenkastje waarop een opgezette vogel en een lemen sculptuur van Els Dietvorst prijken.
    ‘Onlangs heb ik twee zinnen gelezen die nauw aansluiten bij mijn werk,’ vertelt Barry. ‘De eerste heb ik gevonden in een boek over Chantal Akerman en de tweede in een boek over John Cassavetes. Ik hou meer van boeken en films dan van plastische kunst. “Ik heb nooit gestreefd naar een compromis tussen mijzelf en de anderen,” zegt Chantal Akerman, “ik heb altijd gedacht dat mijn werk algemener werd naarmate het persoonlijker werd.” Volgens mij is dat juist. Ik probeer zelf ook nooit rekening te houden met anderen. Ik probeer zo dicht mogelijk bij mijn eigen ervaringen te blijven. Waarschijnlijk blijven ze juist daarom zo toegankelijk voor zoveel mensen. Toch is mijn werk niet exhibitionistisch. Sommige mensen hadden dat gevoel bij de eerste tentoonstelling van ‘A Barmaid’s Notebook’ in De Dolle Mol. Er stonden twee tafels waarop het geheel nogal koud gepresenteerd werd. De mensen voelden zich ongemakkelijk omdat de tentoongestelde voorwerpen hun zo persoonlijk leken. Toch toon ik lang niet alles. Er is altijd afstand. Ik kan diep gaan, maar er moet altijd een armlengte tussen mijn leven en de mensen blijven. Er zit ook iets mystieks in mijn werk, in de zin dat ik niet in staat ben echt te vatten wat er in mijn leven gebeurt.
    De tweede zin is een uitspraak van Cassavetes. “Mijn films vormen de uitdrukking van een cultuur die een materieel welzijn heeft bereikt, maar tegelijk niet in staat is om de mensen een ongecompliceerd bestaan te gunnen. Ze hebben ons een partij goederen verpatst als een vervangmiddel voor ons leven… Op emotioneel vlak sterven de mensen in dit land op hun eenentwintigste, misschien zelfs jonger. Het is mijn verantwoordelijkheid als kunstenaar om hen voorbij hun eenentwintigste te helpen.”
    Mijn werk lijkt steeds meer te gaan over de manier waarop het leven, de dingen en de mensen ons ontglippen. Ik probeer kleine pakketjes te maken die opnieuw binnen ons bereik liggen, ook al geeft elke toeschouwer er een andere betekenis aan. Ik ben geboeid door mensen. De laatste twee jaar maak ik foto’s van broers en zussen van hetzelfde geslacht. Ik weet niet waarom. Ik ben niet geïnteresseerd in de gay-cultuur, maar wel in die paar broers en zussen die ik ken.’

- Onlangs heb je ook foto’s getoond van reusachtige keien…

Barry: Ja, ze deden mij denken aan fatsoenlijke burgers, zoals ze daar rechtstaan in de branding. In het Duits worden ze ‘Findlinge’ genoemd. Eigenlijk zijn het rotsblokken die voortgesleept en afgerond zijn door gletschers. Uiteindelijk zijn ze door de bodem van zo’n gletscher gezakt en blijven liggen. Ik heb ze gewoon in helder licht gefotografeerd. Alle kracht komt voort uit de rotsblokken zelf, niet uit de manier waarop ik ze heb gefotografeerd.

De ‘Findlinge’ doen mij denken aan Barry’s teksten en foto’s, die ook als eieren uit een stroom zijn gedonderd. De terugkerende data in het werk van Barry doen sommige mensen denken aan het werk van de kunstenaar On Kawara, wiens werk ze wel apprecieert, maar met wie ze verder weinig gemeen heeft. In haar werk hebben de data de functie van de afronding van een moment. Ze maken het de lezer mogelijk zich een beeld te vormen van een bepaald tijdstip met bijbehorende gebeurtenis. Tegelijk roept dit ook een soort van verbrokkelde tijd op.
    ‘You only have to choose a moment,’ schreef ze in 1994 op briefjes die ze overal achterliet of in de jaszak van vrienden of voorbijgangers stopte.
    Eigenlijk verhindert Barry haar lezers en lezeressen op te gaan in de persoonlijke stroom van gebeurtenissen die deze zinnen en beelden als wrakhout op de oever heeft geworpen. De toeschouwer krijgt enkel de snippers te zien, die met opzet afgesneden en geïsoleerd worden, zodat ze voor elke toeschouwer aanleiding geven tot een ander verhaal en zo een andere betekenis krijgen.


II. A Barmaid’s Notebook en de Blue Volumes

Tot nog toe omvat het werk van Orla Barry twee grote gehelen: A Barmaid’s Notebook en de Blue Volumes. Beide werken zijn nog volop in ontwikkeling en worden regelmatig aangevuld met nieuwe hoofdstukken.
    Orla Barry is begonnen te schrijven in 1991. Meestal gaat het om uit hun context gerukte momentopnames die gevat worden in enkele woorden of zinnen. Soms worden deze momentopnames samengevoegd tot langere monologen of dialogen. Barry is deze zinnen beginnen schrijven, omdat ze dingen zag of aanvoelde die ze niet kon vatten in tekeningen. Ze noemt deze zinnen geschreven polaroids.
    ‘Ik ben polaroids beginnen schrijven toen ik 22 was. Ze vervangen nog altijd tekeningen. Ik kon het psychologische gedeelte niet vatten in een tekening. Ik krijg er alleen greep op als ik schrijf.’
    Sommige van deze geschreven polaroids worden gebundeld in de ‘Blue Volumes’. Ze worden in chronologische volgorde telkens apart in het midden van een wit blad afgedrukt en voorzien van een datum. Op dit ogenblik zijn er al negen blauwe boeken.
    ‘Ik wil ze heel mijn leven verderzetten,’ vertelt Barry, ‘maar alleen op een natuurlijke manier. Als het stopt, dan stopt het.’
    A Barmaid’s Notebook bestaat uit een verzameling knipsels, zelfgeschreven of gevonden zinnen, elastiekjes, bierviltjes, foto’s en andere gevonden voorwerpen of afbeeldingen, die in een zwerm aan de muur geprikt of rustend op een aan de muur geschroefde lat worden getoond. Telkens gaat het om een andere groep knipsels, die zich bij haar thuis langzaam rond elkaar hebben gegroepeerd en op een bepaald ogenblik van de muur verwijderd worden en samen bewaard.
    A Barmaid’s Notebook werd drie keer tentoongesteld. In een zaaltje boven het Brusselse café De Dolle Mol (Barrys eerste individuele tentoonstelling, in 1995), in Montpellier (1998) en in het Londense Gasworks (1999).
    A Barmaid’s Notebook wordt altijd samen getoond met de Blue Volumes, die ter inzage op een tafel worden gelegd.


III. Peggy Babcock – Bitter Peacock, A Tear for a Glass of Water, The Scavenger’s Daughter

    Soms worden Barry’s teksten samengevoegd tot langere monologen of dialogen die ofwel verschijnen in boekvorm, ofwel worden gebruikt als uitgangspunt voor CD’s of video’s, waarbij de teksten worden gebracht door acteurs of actrices.
    Peggy Babcock – Bitter Peacock is een op CD opgenomen lectuur van het in 1998 door Uitgeverij Imschoot gepubliceerde, ‘epische prozagedicht’ Bitter Peacock:
    ‘De tekst glipt van de ene lezer naar de andere, van de ene sfeer naar de andere,’ schrijft Barry hierover, ‘wervelende woorden, uitgesponnen tijd, mistige herinneringen aan mistige momenten, stem verwarmend rijm. De tekst glijdt voortdurend van het geconcentreerde naar het verbrokkelde. Zware, lome beelden die gekruist worden door korte, vette zinnen.’
    In de video A Tear for a Glass of Water (1997-1999) wordt een tekst vertolkt door een actrice die gefilmd wordt door een statische camera. ‘De monoloog is merkwaardig helder maar onsamenhangend,’ schrijft iemand over dit werk, ‘alsof het brein van de verteller verkeerd ineengestoken is.’
    The Scavenger’s Daughter (1998-1999) ontstond uit een aantal bijdragen voor de nieuwsbrief van het Brusselse Etablissement d’en Face. Het is een nog steeds groeiende tekst waarvan het eerste hoofdstuk herwerkt is tot een soort van luisterspel. We horen twee zussen die op een trein zitten en met elkaar spreken, maar eigenlijk spreken ze naast elkaar.
    ‘Ze zitten opgesloten in een bel en spreken hun gedachten uit,’ aldus Barry, ‘soms lijkt het een echt gesprek te worden, maar dan worden het weer monologen. Deze opeenstapeling van woorden geeft de luisteraar weinig gelegenheid tot denken en gunt hem daardoor een bepaalde vrijheid. Het is zoals het op en neer lopen van een eindeloze trap of een kinderrijmpje dat eindeloos herhaald wordt, ergens in ons verste geheugen.’
    Ik vraag Barry waar de titel van het werk vandaan komt.
    ‘Een ‘scavenger’ is een aasvogel,’ vertelt ze, ‘en in afgeleide betekenis ook iemand die in vuilnisbakken rommelt. De tekst ontstaat door een soort van roofbouw op mijn eigen brein. Ik scharrel rond en pik hier en daar een beeld uit. Soms pluk ik ook teksten uit bestaande boeken zoals woordenboeken of leerboeken Engels.’


IV. Enkele tentoonstellingen

    Vanaf 1991 neemt Orla Barry deel aan verschillende groepstentoonstellingen.
    Tijdens de zomer van 1994 plaatst De Morgen elke dag zinnetjes van Orla Barry zonder enige nadere verklaring. De lezer stuit op deze zinnetjes zoals anderen een briefje van Orla Barry in hun jaszak vinden.
    In 1995 volgt haar eerste individuele tentoonstelling, A Barmaid’s Notebook 1991-95.
    In datzelfde jaar, in de synagoge van het Franse Delme, toont ze het boek Judith, vergezeld van op een tafel liggende foto’s van Judith en Marion.
    In de Brusselse Gulden Vliesgalerij kunnen de toeschouwers luisteren naar de CD Peggy Babcock - Bitter Peacock, terwijl ze door het etalageraam de mensen kunnen gadeslaan die het winkelcentrum betreden of verlaten. Tijdens een tentoonstelling in het Felix Happark kunnen de toeschouwers het werk beluisteren met een walkman.
    In 1996 toont ze in Box, een door Richard Venlet gebouwde kijkdoos achter een vitrine, twee grote kleurfoto’s van een man en een vrouw.
    Bij Paolo Vitolo in Milaan toont ze dezelfde foto’s, vergezeld van twee peren en de volgende zin van Samuel Beckett: ‘They’ve buggered us into existence. After all, when you are in the last bloody ditch there is nothing left to do but sing.’
    In 1997 toont ze in Galerie Micheline Szwajcer een reeks grote foto’s van vrienden of kennissen. De foto’s rusten op aan de muur bevestigde houten schabben. Op een enkele uitzondering na, die het ritme van de reeks moet verbreken, hebben alle foto’s dezelfde kadrering. Het zijn stillevens. Barry geeft er de voorkeur aan dat de personages steeds dezelfde houding aannemen. Vaak gaan ze vergezeld van attributen zoals katten, tulpen, ladders of dode zonnebloemen die voor een bepaalde gemoedstoestand staan. De gelaatsuitdrukking van de gefotografeerde mensen is vaak strak, hard of uitdrukkingsloos. Het resultaat is een harde reeks koppige beelden van individuen. Barry probeert elk van hen te fotograferen op een ongemakkelijk moment.
    ‘Ik hou ervan hen te fotograferen als ze verveeld zitten te wachten tot ik klaar ben met mijn voorbereidingen,’ vertelt ze, ‘ik hou van de lege uitdrukking die ze dan hebben. They have those waiting faces. They’re dead in the face. They’re never smiling and always quite cold.’
    In een tweede ruimte zijn kleinere foto’s te zien. In het midden van de ruimte staat een tafel op schragen, waarop de Blue Volumes ter inzage liggen. Verder vindt de toeschouwer er een CD-speler met koptelefoon waarop Peggy Babcock - Bitter Peacock te beluisteren valt.
    In 1999, tijdens een gezamenlijke tentoonstelling met Els Dietvorst in het Antwerpse HAL, kunnen de toeschouwers vanop een soort van podium luisteren naar The Scavenger’s Daughter.
    In 1999, ter gelegenheid van de uitreiking van de Glen Dimplex Artist’s Award, waarvoor Barry met vier andere kunstenaars werd genomineerd, kunnen de toeschouwers, leunend op een soort van toonbankje, kijken naar een reeks dia’s van in het zand geschreven of met stenen op het zand gevormde woorden. Er staan ook drie blauw geschilderde kisten waar de mensen op kunnen gaan zitten als ze naar The Scavenger’s Daughter willen luisteren. Verder zijn er de elf grote foto’s van Findlinge te zien en is er een tafel met de Blue Volumes.


Montagne de Miel, 13 september 1999