Hans Theys is een twintigste-eeuws filosoof en kunsthistoricus. Hij schreef en ontwierp tientallen boeken over het werk van hedendaagse kunstenaars en publiceerde honderden essays, interviews en recensies in boeken, catalogi en tijdschriften. Al deze publicaties zijn gebaseerd op samenwerkingen of gesprekken met de kunstenaars in kwestie.

Dit platform werd samengesteld door Evi Bert (M HKA / Centrum Kunstarchieven Vlaanderen). Het kwam tot stand in samenwerking met de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen (Onderzoeksgroep ArchiVolt), M HKA, Antwerpen en Koen Van der Auwera. Met dank aan Idris Sevenans (HOR) en Marc Ruyters (Hart Magazine).

ESSAYS, INTERVIEWS & REVIEWS

Patrick Corillon - 2009 - Le récit incarné [FR, interview]
, 6 p.




__________

Hans Theys


Het belichaamde verhaal
Gesprek met Patrick Corillon over ‘Le diable abandonné’



Patrick Corillon: Ik ben in de wereld van het theater beland door verhalen te vertellen. In de wereld van de plastische kunst wordt het verhaal beschouwd als een middel, maar voor mij is het verhaal het hart. En dat hart heeft een lichaam nodig. Daarom heb ik besloten mijn verhalen maximaal te ontwikkelen, zodat niemand er nog naast kan kijken. Een van de vruchten van dat streven is een theaterstuk in drie delen, waarvan de eerste twee delen geregeld opgevoerd worden in Frankrijk en België. Op dit moment leg ik de laatste hand aan het derde deel dat in september 2009 in première zal gaan in Luik. Het project is van start gegaan in januari 2005. Op de avond van de eerste opvoering, na de voorstelling, kwam de directrice van het Théâtre de la Cité Universitaire in Parijs mij vertellen dat ze er een hekel aan had dat haar verhalen verteld werden. Opeens bevond ik mij niet meer in de wereld van het onbegrip, maar in de wereld van het verzet. Dat heeft mij goed gedaan. Wat ik tot dan toe had beschouwd als een misverstand in de wereld van de plastische kunst, bleek niet terug te voeren tot een voorkeur voor het praten over werkwijzen, maar tot een algemeen hedendaags taboe rond het verhaal. Vandaag is het moeilijk te beweren dat je van verhalen houdt als je niet tegelijk bekent gelovig te zijn. De ontmanteling van de Grote Verhalen is een gemeenplaats geworden. De afstandelijkheid tegenover de dingen die mogelijk gemaakt is door die ontmanteling of deconstructie is de ruggengraat geworden van een nieuw academisme. Ik denk dat die deconstructie heel mooie uitdrukkingsvormen heeft mogelijk gemaakt zoals het nieuwe Vlaamse theater en de Vlaamse dans in de vroege jaren tachtig, maar ik wil niet dat mijn tijdelijke verblijf op deze aarde gekenmerkt wordt door een afstandelijke relatie met de wereld.

Le diable abandonné is wellicht het project waarin ik mij het verst waag in de belichaming van een verhaal. Als plastisch kunstenaar heb ik dat altijd willen doen: verhalen belichamen en een plaats geven op plekken waar geleefd wordt, bijvoorbeeld in parken als het ging om publieke opdrachten. Dan is er een periode gekomen waarin ik een leegte heb ervaren, die een leegte van het lichaam was, waardoor ik de behoefte voelde mijn lichaam in te zetten en een plaats te geven ten opzichte van het verhaal. Zo is de volgende vraag gerezen: hoe kan ik fysiek gelezen worden? De theatervoorstelling is een antwoord op deze vraag.

De trilogie Le diable abandonné is een verhaal dat gedeeltelijk verteld wordt door mijn echtgenote Dominique Roodthooft. Ze speelt in de drie delen. De voorstelling is ontstaan op de eerste dag van het jaar 2005, tijdens het improviserend verzinnen van een verhaal voor enkele vrienden die mij vroegen wat mijn volgende project was. Oorspronkelijk was het een productie van Scène nationale in het Franse Belfort, maar de première vond plaats in het Théâtre de la place in Luik. Vandaag bestaat er een Nederlandstalige versie van het eerste deel, dat werd geproduceerd door Lod in Gent. Het is een heel beweeglijk project. Ik verken alle mogelijkheden om het tot leven te brengen. Ik heb er al mijn plastisch en filosofisch onderzoek voor gebruikt, dat je zou kunnen samenvatten als een zoektocht naar identiteit. De trilogie is een zoektocht naar een poëtische identiteit in een metaforische wereld. Ze stelt de diepste vragen die ik kan formuleren en raakt aan mijn wezen en aan de gemeenschap. Nergens maak ik een onderscheid tussen vragen over het wezen en vragen over de vorm. De kwestie van de gemeenschap, bijvoorbeeld, is formeel aanwezig in de voorstelling, doordat de toeschouwers uitgenodigd worden teksten luidop voor te lezen. Doorgaans lezen we een verhaal op ons eentje, omdat onze cultuur er een individuele daad van heeft gemaakt. Hier worden de mensen niet geïsoleerd ten opzichte van het verhaal. Verder wil het project ook een status questionis opmaken van de culturele identiteit van onze gemeenschap.

Het verhaal begint aan het eind van de eerste wereldoorlog. Het gaat om een belangrijk tijdperk dat zich afspeelt na de Verlichting en na de Romantiek. Het is een intens moment, waarop we beginnen te beseffen dat we ons niet kunnen behoeden voor een catastrofe zoals de eerste wereldoorlog. De mensen worden geconfronteerd met de vraag naar de zin. Die vraag keert telkens terug in deze trilogie, die het innerlijke en het uiterlijke landschap van de mens probeert te schetsen. Het verhaal doorkruist de cultuur van de 20ste eeuw op een formele, visuele, thematische en muzikale manier. Toch gaat het niet om een didactisch verhaal, de toeschouwer is zich er zelfs niet van bewust. Ik herneem alleen dingen die mij gevoed hebben, bijvoorbeeld ogenblikken in de geschiedenis van de literatuur, de filosofie en de typografie, die zichtbaar wordt in de manier waarop de teksten getoond worden. Het stuk bestaat uit verschillende lagen, verschillende draden die verweven worden. De vraag naar de zin duikt voortdurend op in de volgende vorm: is het de natuur die mij tekens geeft of ben ik het die betekenis ziet waar er eigenlijk geen is, bijvoorbeeld door mijn cultureel erfgoed? Het centrale idee gaat om het erfgoed, d.w.z. de paradox dat we een wereldbeeld overnemen dat al bestond voor we geboren werden, terwijl ik elke dag mijn eigen wereld creëer. Die paradox doet zich ook voor in de taal: de woorden die ik gebruik om zo intiem mogelijk uit te drukken wie ik ben, worden tegelijk gebruikt door alle mensen die dezelfde taal spreken.

-   De bezoedelde taal van Malarmé…

Corillon: Mallarmé is erg aanwezig in dit project. Maar voor mij behoort hij niet tot de wereld van de paradox, maar tot de hegeliaanse dialectiek. Door te spreken over het wit van de pagina heeft Mallarmé een plastische vorm gevonden om te ontsnappen aan de paradox. Le diable abandonné is ook een antwoord op Broodthaers. Ik wil Mallarmé om vergiffenis vragen voor wat Broodthaers hem heeft aangedaan. Mallarmé ontwikkelt echt een poëtische ruimte, een belichaming van de poëtische ruimte op een pagina. De pagina ontspringt aan het maagdelijke wit dat tegengesproken wordt door het zwart van de tekst. Het zwart gaat het wit besmeuren, tegenspreken, en de poëtische ruimte bevindt zich onderaan de pagina, waar het wit opgeladen is met alle tegenstellingen. Mallarmé stelt werkelijk plastische vragen rond het woord, de pagina en het belichaamde voorwerp en tegelijkertijd is hij niet bang van de vraag naar de zin en gaat hij het duistere en oplichtende aspect van de woorden niet uit de weg.

- Vind je niet dat Broodthaers, door de verzen van Mallarmé te verbergen achter zwarte stroken of door assemblages met eierschalen te maken, de constellatie of de teerlingworp, die ter sprake komen in het beroemde gedicht, belichaamt of zichtbaar maakt?

Corillon: Als Broodthaers zijn versie maakt van het gedicht Un coup de dés jamais n’abolira le hasard door de woorden van Mallarmé zwart te maken, dan geeft hij blijk van alles wat mij bitter stemt in de wereld van de hedendaagse kunst. Ik zeg niet dat die wereld beperkt blijft tot dit soort ondernemingen, maar wel dat ik tegen dit soort ondernemingen gekant ben. Het enige wat Broodthaers doet, is de poëtische kracht van Mallarmé inperken. Ik zie de rol van een kunstenaar anders.

- Voor Broodthaers gaat het om de vaststelling van een persoonlijke nederlaag, een onvermogen, een grens.

Corillon: Dat klopt. Met Broodthaers betreden we de wereld van het cynisme en de afstand. De aanvaarding van een nederlaag. Ik wil de nederlaag niet aanvaarden. Broodthaers maakt de constellatie niet zichtbaar, hij vermoordt het ritme van de zin, hij neemt de spanning weg van het wit onderaan de pagina. Het is zoiets als het verschil tussen een film van Truffaut en Le Fabuleux Destin d’Amélie Poulain.

- Hoe probeer jij het woord te belichamen in de voorstelling?

Corillon: Zoals je ziet, is het voornaamste voorwerp op de scène een kasteeltje. De oppervlakte van de voorgevel is tien keer zo groot als een A4. In die gevel bevinden zich spleten en openingen waarlangs ik voorwerpen, tekeningen en letters toon. Vaak rol ik banderollen met tekst uit. Het zijn heel fysieke, geritmeerde handelingen die overeenstemmen met de punctuatie door de muziek en de cadans van het verhaal dat wordt verteld door de actrice. Er is een gelijkenis met het spijkerschrift waarin de oudste verhalen vastgelegd zijn over de manier waarop de mens geschapen werd op basis van klei en speeksel, terwijl de lettertekens zelf gegrift zijn in kleitabletten met spijkers die bevochtigd werden met speeksel. De vorm van het verhaal stemt overeen met het onderwerp, de drager wordt het wezen. Ik streef naar een evenwicht tussen mijn diepste identiteit en een vorm om haar uit te drukken.

Een van de belangrijkste ontmoetingen in mijn leven was met de architect Renzo Piano. Hij hield een heel technisch betoog, bijvoorbeeld over het belang van lijm in zijn architectuur, maar tegelijk sprak hij over de manier waarop hij hoopte dat de mensen in zijn gebouwen zouden leven. Hij sprak over het voorplein van Beaubourg, dat hol is zoals de pleinen in Italië, die de mensen uitnodigen een arm over elkaars schouder te leggen. Hij vertelde dat de pleinen in Frankrijk bol zijn en een machtsverhouding creëren, waarbij nooit een standbeeld ontbreekt van de koning, Breton, Buren, Boulez of Jean Nouvel. Die man sprak met zoveel menselijkheid over de kwaliteit van de ontmoetingen die hij wilde mogelijk maken door zijn architectuur, dat ik een volmaakt evenwicht ervoer tussen een filosofisch streven en zijn meest praktische gedaante, een evenwicht tussen het diepste wezen en de vorm. Klei die spreekt over mensen die getrokken zijn uit klei. Een belichaamd verhaal dat het mogelijk maakt dat de mens zowel zijn paradoxen omarmt als het witte blad. Wat ik zo boeiend vind aan de pagina is dat het een eindige wereld is met een precies formaat en dat je daarbinnen een oneindigheid kan creëren. Dat is juist wat Broodthaers beangstigde. Hij heeft alles eindig gemaakt, hij heeft de oneindigheid uit de pagina van Mallarmé gesneden.

- Je bent een modernist.

Corillon: Ja. In het nieuwe Vlaamse theater, nu bijna dertig jaar geleden, was de acteur iemand zoals wij die ons een tekst aanbood die gezegd kon worden of niet gezegd, op deze manier of een andere. Er werd niets gedaan om ons in de personages te doen geloven.

- Zoals in het theater van Brecht?

Corillon: Neen. Brecht zocht een vervreemding, een opvoedend element. Hij geloofde dat het verhaal, als het op een intelligente manier werd voorgesteld en bekeken, ons kon vormen. De deconstructie vertrekt echter van het idee dat het verhaal geen vat op ons heeft. Uiteindelijk leidt dat tot een verheerlijking van de vorm.

- Zou je ons een voorbeeld kunnen geven?

Corillon : Wim Vandekeybus en Wim Delvoye.

- Voel je je verwant met Baudelaire?

Corilon : Ik sta dichter bij Engelse en Duitse romantici zoals Novalis. Bij Baudelaire wordt alles opgebouwd vanuit de breuk. Voor Baudelaire is de albatros, die prachtig is in het zwerk maar miserabel op de grond, een beeld voor een moderniteit die wordt aangevoeld als een breuk, als een wonde, als een messteek. Als je Baudelaire doordenkt, kom je uit bij Artaud… Novalis is vertrokken van de vraag: ‘Hoe kan een poëtisch wereldbeeld geworteld zijn in de wiskunde’? Zijn werk vloeit voort uit de Verlichting. De vroege Duitse romantiek voert de mens naar het hogere, niet naar de breuk. Als je mij vraagt met wie ik mij het meest verwant voel, dan noem ik Maeterlinck, omdat hij het woord tot zijn hoogste vorm van stilte brengt en omdat zijn stilte niet aanvoelt als een breuk.

- Dan neem ik aan dat je erg gesteld bent op Kafka’s werk?

Corillon: Ik hou ontzettend veel van zijn werk…

- Vertel ons iets over het theaterstuk.

Corillon: In het hedendaagse theater behoort het tot de geplogenheden iets te tonen dat zich zich afspeelt en tegelijk het tegenovergestelde te zeggen. In Le diable abandonné zegt de actrice altijd wat er zich gaat afspelen in het kasteeltje. En als er iets gebeurt in het kasteeltje, dan wordt het gezegd door de actrice. Er is geen verschuiving. De hele enscenering streeft naar verzoening. Het doel is de verzoening van het geschreven en het gesproken woord of de belichaming van het woord in een fysiek betoog.

- Zou je ons een voorbeeld kunnen geven?

Corillon: Er is pas een Vlaamse versie in première gegaan in Gent. Voor de Franstalige versie heb ik gewerkt rond de geschiedenis van de muziek, maar voor de Vlaamse versie is de muziek gecreëerd door de jonge componist Thomas Smetryns. Voor mij was het bijzonder om in Gent te werken, omdat het de stad is van Rodenbach en Maeterlinck. Het maakte deel uit van mijn eeuwige zoektocht naar een identiteit. Tijdens mijn jeugd ben ik gevoed door Vlaamse literatuur die in het Frans geschreven was. Ineens bevond ik mij voor jonge mensen die niet vertrouwd waren met de literatuurgeschiedenis, die niet op de hoogte waren van de zo belangrijke verhouding van het woord tot de stilte in het werk van Maeterlinck. We spraken Engels met elkaar… Le diable abandonné gaat over het verhaal, de taal en de letter, maar toen we de Nederlandstalige versie speelden, heb ik geen enkel woord moeten leren om de rekwisieten tijdig in te zetten. Ik moet nochtans voortdurend ingrijpen op heel precieze ogenblikken. Zo ben ik gaan beseffen dat ik de muziek van het Vlaams ken, ik weet voortdurend waar we ons in het verhaal bevinden. In het Nederlands baseer ik mijn interventies niet op de betekenis van de woorden, maar op de muziek van de taal. In het Frans is dat niet zo, omdat de betekenis primeert op de muziek. Gedurende de hele voorstelling bevind ik mij in het kasteeltje waar ik elk moment een voorwerp doe verschijnen, projecties in gang zet enzovoort. Ik ben de hele tijd bezig. Ik doe dingen bewegen met mijn voeten, mijn armen, mijn knieën en mijn mond. Vanaf een bepaald moment bevindt het verhaal zich niet meer in mijn hoofd, maar in mijn handen, in mijn lichaam. Ik kan de dingen alleen beheersen als het verhaal mijn hoofd verlaten heeft en in mijn handen gevloeid is. Het verhaal moet in mijn handen zakken. Zo wordt het geschreven woord belichaamd: het is uit mijn hand gevloeid en keert ernaar terug.

- Dat doet mij denken aan veel dingen, maar ook aan Octavio Paz, die zegt dat alles ritme is.

Corillon: Ja. Of een andere auteur van wie ik mij nu de naam niet herinner en die zegt dat alles cadans is. Het is al jaren geleden dat ik nog gewerkt heb rond een onderwerp dat niet terug te voeren is tot een ritme. Misschien had ik behoefte aan een andere tijdservaring. Tijdens een tentoonstelling kon je de dingen twee of drie maanden zien. Nu zijn ze maar twee of drie seconden te zien. Eigenlijk heeft de muziek mij ertoe gebracht verhalen samen te stellen: de stilte bij John Cage en Morton Feldman. De stilte is als het wit onderaan de pagina van Mallarmé: de noot kleurt de stilte die volgt. Sinds Morton Feldman kunnen we niet meer naar de noten luisteren omwille van zichzelf, we weten dat ze een gesprek voeren met de stiltes… Misschien voel ik mij meer verwant met de wereld van het boek dan met de wereld van de plastische kunst, omdat je een boek op elk moment kan dichtklappen. Ik zou graag dezelfde vragen behandelen met mijn voorwerpen, maar hoe kan je ze dichtklappen? De sculptuur zal nooit verdwijnen, zelfs als je haar opplooit. Ik hou van de opmerking van Brancusi dat hij een sculptuur heeft gemaakt van een zittende vrouw die één meter zeventig groot zou zijn als ze rechtstond… Andere plastische kunstenaars die mij geïnspireerd hebben voor deze trilogie zijn Georges Vantongerloo, Oscar Schlemmer en Josef Albers. Van wiens werk hou jij?

- Bernd Lohaus.

Corillon: Lohaus! Werk met een krachtige, vloeibare poëzie en tegelijk sterk verankerd… Werk met plaats voor het woord en het gebaar, de geest en de aarde. Weet je van wie ik ook hou? Mohammed Ali. Ik hou van zijn relatie met het woord. In de film When We Were Kings zie je dat zijn succes gebaseerd is op het woord. Zijn lichaam droeg het woord. Van bij het begin van de wedstrijd zei hij tegen Foreman: ‘Je kan mij geen pijn doen. Je kan mij geen pijn doen.’ Op een dag, aan een Amerikaanse universiteit, geven de studenten luid te kennen dat ze hem iets willen horen zeggen. Met één blik brengt hij hen tot stilte en dan zegt hij: ‘Jullie. Ik. Wij.’ Dat is Bernd Lohaus, neen?


Montagne de Miel, 30 april 2009