Hans Theys is een twintigste-eeuws filosoof en kunsthistoricus. Hij schreef en ontwierp tientallen boeken over het werk van hedendaagse kunstenaars en publiceerde honderden essays, interviews en recensies in boeken, catalogi en tijdschriften. Al deze publicaties zijn gebaseerd op samenwerkingen of gesprekken met de kunstenaars in kwestie.

Dit platform werd samengesteld door Evi Bert (Centrum Kunstarchieven Vlaanderen). Het kwam tot stand in samenwerking met de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen (Onderzoeksgroep ArchiVolt), M HKA, Antwerpen en Koen Van der Auwera. Met dank aan Idris Sevenans (HOR) en Marc Ruyters (Hart Magazine).

ESSAYS, INTERVIEWS & REVIEWS

Richard Venlet - 1999 - Een opsomming [NL, essay],
Tekst , 3 p.




__________

Hans Theys


Een opsomming
Beschrijving van enkele werken van Richard Venlet



In het Museum Dhondt-Dhaenens wordt in 1990 een wit vlak op de glazen gevel en ingangsdeuren geschilderd. Dit witte vlak wordt geschilderd met gewone latexverf, aangebracht in zoveel lagen dat je een ondoorzichtig muur-effect krijgt.
    In datzelfde jaar wordt voor ‘Bruges la morte’, in een soort gang of tussenruimte die normaal gesproken niet voor tentoonstellingen wordt gebruikt, een gedeelte van de witte muur beschilderd met hoogglanslak. Dit oplichtende vlak, dat zich tegenover een deuropening bevindt, vormt zo een verbinding met de nabijgelegen ruimte.
    In Barcelona wordt in 1992 een muur met drie rondbogen een paar meter verder op zo’n overtuigende manier nagebouwd dat de eigenaar van het gebouw, die de dag voor de opening tegenover de galeriehouder zijn bezorgdheid kwam uitspreken over het ontbreken van enig kunstwerk, de nieuwe muur niet opmerkt. Volgens Richard Venlet is dit werk, door het letterlijk overnemen van een architecturaal motief, misschien minder sterk dan de meer abstracte herhaling in de Ado Galerie.
    Voor de tentoonstelling ‘Critical Distance’ in 1993 worden in de Antwerpse Ado Galerie twee wanden in gyproc gebouwd die samen een hoek vormen en uitsparingen vertonen die overeenstemmen met de architecturale elementen van de inkomsthal van de galerie. Ondanks de verwijzing naar de bestaande ruimte heeft deze opzet niets theatraals. Het werk is als een neutrale, abstracte herhaling van een aantal vlakken.

    In 1993 in het Musée des Beaux-Arts in Duinkerke worden toonkasten leeggemaakt. Op de grote vensters met uitzicht op een binnenkoer wordt telkens een ondoorzichtig, wit vlak geschilderd ter grootte van het zijvlak van deze toonkasten, dat parallel loopt aan het grote raam.
    In 1993 wordt in Chisenhale, samen met Ann Veronica Janssens, besloten alle kunstlicht te verwijderen en een raam vrij te maken dat samen met tal van andere ramen schuilgaat achter valse muren. De deur die leidt naar het bureau van de galeriehouder wordt ruw verwijderd en tegen twee muren worden extra voorzetwanden van gyproc geplaatst die zelf glad gemaakt waren, maar waarvan de randen onafgewerkt zijn gebleven, zodat je kon zien hoe de wanden met kleefgips bevestigd waren op de achterliggende wanden. Het door het raam binnenvallende licht tekende mooie, scherpe schaduwen af langs de randen van de nieuwe wanden.
    In 1995 krijgt Richard Venlet het voorstel een vorm te verzinnen waardoor het grote raam op de gelijkvloerse verdieping van een leegstaand gebouw in het centrum van Brussel zou kunnen fungeren als toonkast voor hedendaagse kunst. Venlet laat alle ramen van de eerste twee verdiepingen ondoorzichtig wit schilderen en plaatst een grote gyprock ‘doos’ in de etalage. Vanuit het midden van het plafond van deze ‘box’ komt een sterke lamp naar beneden. Onder deze lamp wordt een witgeschilderde doos geplaatst die bovenaan een rond gat vertoont, waar de lamp net in zou kunnen verdwijnen. Verder wordt het geprojecteerde oppervlak van de open zijde van deze grote kijkdoos uitgespaard in de witte beschildering van het etalageraam.
    In een vrij grote, industriële ruimte in Kopenhagen (1997) blijken talloze ramen verborgen te zijn achter valse wanden, die het mogelijk moeten maken meer schilderijen te presenteren. In een doorzichtige toonkast plaatst Venlet een monitor waarop afwisselend de beelden te zien zijn van vijf videocamera’s die de bijna één meter brede gang tussen deze valse wanden en de ramen filmt. De beelden op de monitor geven een idee van het wisselende licht achter de wanden en van de tijdelijke manier waarop die wanden aan de achterzijde vastgehecht werden aan elkaar.
    Voor een groepstentoonstelling in een galerie in Otegem wordt een van de vaak gebruikte mobiele wanden gewoon in de ruimte geplaatst, tegen een muur. Voor deze wand wordt op de vloer een witte streep geschilderd waarvan één zijde afgelijnd is, terwijl de andere zijde de penseelstreek toont. Dezelfde streep wordt op andere plaatsen herhaald, vaak in combinatie met andere kunstwerken zoals werken van Christoph Fink en Joëlle Tuerlinckx.
    In Tielt worden voor een bakstenen tuinmuur drie op zichzelf staande muren van verschillende hoogte en lengte gemetseld en bepleisterd. De muren zijn reproducties op ware schaal van drie muren uit verschillende galerieën.
    In een Brusselse galerie worden in 1995 witgeschilderde kartonnen dozen getoond die opgesloten zitten in doorzichtige, plexiglazen omhulsels die een paar centimeter groter zijn.
    In Galeria Antoni Estrany in Barcelona worden in 1996 zeven grote ribstructuren getoond, als skeletten van balken of kubussen. Het zijn eigenlijk schaalvergrotingen van de in 1995 getoonde witgeschilderde kartonnen dozen. In het midden van elke structuur hangt een sterke lamp.
    Voortaan worden de witgeschilderde dozen meestal gebruikt als ‘modellen’ voor andere structuren of ingrepen, omdat ze anders door het publiek te veel als objecten worden opgevat.
    In de Sint-Lukasgalerij wordt in 1996 in drie vertrekken een verblindend sterke lamp opgehangen. De hoeken van de ruimtes (de plaats waar de muren en het plafond elkaar raken) zijn ingeschilderd met zwarte verf, als een schijnbare aanzet om de hele ruimte zwart te schilderen. Het is een uitnodiging voor de toeschouwer om zich de ruimte zwart in te beelden.
    In de ronde zaal van het Museum van Gent wordt in datzelfde jaar een grote installatie getoond waarin verschillende werken met elkaar gecombineerd worden. Er staat een witgeschilderde kartonnen doos in een plexiglazen omhulsel en diezelfde vorm wordt uitvergroot herhaald in een ribstructuur zoals al getoond werd in Barcelona in 1995. Aan de binnenkant zijn deze ribstructuren ingeschilderd met wit, zoals de aanzet tot het schilderen van de drie vertrekken in Sint-Lukas.
    Verder stond er een vitrine waarin zich een plan bevond waarop een foto van een toonkast in Duinkerken was gekleefd, een foto van de leeggemaakte, ronde zaal waarop een foto van een witte kartonnen doos was gelegd en een grote foto van de toonkast zoals die door Broodthaers ooit is gebruikt, waarover een foto van ‘Box’ werd gelegd. Tenslotte werd op de vloer een aan één kant afgelijnde witte streep geschilderd die het grondvlak van zowel de kartonnen doos als de ribstructuur nogmaals vergroot om zo aan de monumentaliteit van de ruimte te raken.
    Voor een tentoonstelling in het MACBA in Barcelona (1996), een gebouw dat werd bedacht door de architect Richard Meier, laat Venlet in een van de zalen alle kunstige spleten en gaten in de muren dichten met plexiglazen panelen. Perfect in het midden van deze witte doos hing een lamp van 500 watt. In een van de met plexiglas ‘dichtgemaakte’ openingen werd een eveneens plexiglazen ingangsdeur geplaatst. Achter een van de andere plexi wanden bevond zich een ontoegankelijke, maar zichtbare ruimte, waar een op straat gevonden en witgeschilderde doos werd opgesteld, als een handelbare maquette van die reusachtige, papieren maquette die dat museum lijkt te zijn als je erdoor wandelt. In de hoeken had Venlet de ruimte ook ingeschilderd in het wit, wat je door witte muren enkel kon zien op plaatsen waar de plexiglazen wanden een hoek met een muur vormden.
    In 1997 toont Venlet in Brussel een video met een tiental opnames van situaties in galerieën en musea. Bij de aanvang van elk beeld staat de camera ingezoomd op een witte muur. Dan begint de camera uit te zoomen. Op het ogenblik dat er een herkenbaar architecturaal element zoals een plint of een deurpost in beeld komt, verspringt het beeld en volgt een nieuwe opname. Deze tien aaneengelaste beelden werden in een lus gemonteerd en getoond op een kleine zwart-wit monitor.


Montagne de Miel, 3 september 1999