Hans Theys is een twintigste-eeuws filosoof en kunsthistoricus. Hij schreef en ontwierp tientallen boeken over het werk van hedendaagse kunstenaars en publiceerde honderden essays, interviews en recensies in boeken, catalogi en tijdschriften. Al deze publicaties zijn gebaseerd op samenwerkingen of gesprekken met de kunstenaars in kwestie.

Dit platform werd samengesteld door Evi Bert (Centrum Kunstarchieven Vlaanderen). Het kwam tot stand in samenwerking met de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen (Onderzoeksgroep ArchiVolt), M HKA, Antwerpen en Koen Van der Auwera. Met dank aan Idris Sevenans (HOR) en Marc Ruyters (Hart Magazine).

ESSAYS, INTERVIEWS & REVIEWS

Richard Venlet - 2001 - Sprookje [NL, essay],
Tekst , 1 p.




__________

Hans Theys


Sprookje
Over het werk van Richard Venlet



Richard Venlet voegt aan gebouwen valse muren toe die een architecturaal motief herhalen, zodat het lijkt alsof we in onze dromen rondwandelen en telkens weer bij dezelfde muur uitkomen. Soms plaatst hij bewakingscamera’s achter valse wanden en toont hij op een monitor die zelf in een glazen kastje zit de verborgen cinema van licht en duisternis die zich achter deze wanden afspeelt. Hij trekt muren los uit hun kamer en plant ze in een tuin. Hij ziet ze als de wanden van een grote doos en plaatst die doos in het klein voor onze neus. In een groot museum worden alle kieren afgedicht met plexiglas. Een op straat gevonden doos wordt opgesloten in een doorzichtig hokje dat zo ontstaan is.
    De doos lijkt een voorwerp, maar eigenlijk is het een idee, een voorstel. Zoiets als wanneer Venlet de hoeken van een ruimte inschildert en zo de bezoeker uitnodigt zich de hele ruimte in een andere kleur voor te stellen. We worden omringd door zwarte, rode of witte muren, maar we zien ze niet. We stellen het ons voor. En dan beginnen de mensen die witgeschilderde, kartonnen dozen als voorwerpen te beschouwen. Venlet vergroot ze en bouwt ribstructuren, kubussen of balken waarvan de ribben bestaan uit aan elkaar geschroefde houten latten. We kunnen door de doos wandelen. De doos is doorzichtig. Soms worden ook de hoeken van deze ribstructuren ingeschilderd. We kunnen ze ons voorstellen in een andere kleur. Maar zelfs deze ribstructuren zijn nog te veel voorwerp, zodat Venlet met kleefband op de grond begint te werken. Hij bakent oppervlaktes af met kleefband. De doos wordt nog abstracter. We zien alleen nog platte strepen op de vloer. De doos is helemaal doorzichtig geworden. Soms is ze niet meer dan een lijn, aan één kant scherp afgelijnd, aan de andere kant rafelig. Het voorwerp is bijna onzichtbaar geworden. Er is veel licht en lucht in de ruimte. Maar het idee blijft staan.
    Ondertussen zijn we echter helemaal omsingeld. Het kunstwerk is platgedrukt en weggeblazen, maar het hangt geruisloos en onzichtbaar in de lucht van het museum. We weten we niet meer waar het kunstwerk ophoudt. We ademen het in. Het zit overal. We zitten opgesloten. Alle lucht is kunst geworden en het licht omspant ons als een strak vlies dat alle vuil moet buiten houden. We willen geen vuil. We willen geen voorwerpen, maar we zijn helemaal omsingeld. We zijn zelf voorwerpen geworden. We zijn de binnenkant van de doos.


Montagne de Miel, 19 juni 2001