Hans Theys is een twintigste-eeuws filosoof en kunsthistoricus. Hij schreef en ontwierp tientallen boeken over het werk van hedendaagse kunstenaars en publiceerde honderden essays, interviews en recensies in boeken, catalogi en tijdschriften. Al deze publicaties zijn gebaseerd op samenwerkingen of gesprekken met de kunstenaars in kwestie.

Dit platform werd samengesteld door Evi Bert (Centrum Kunstarchieven Vlaanderen). Het kwam tot stand in samenwerking met de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen (Onderzoeksgroep ArchiVolt), M HKA, Antwerpen en Koen Van der Auwera. Met dank aan Idris Sevenans (HOR) en Marc Ruyters (Hart Magazine).

ESSAYS, INTERVIEWS & REVIEWS

Alessandra Michelangelo - 2010 - Ogen in de nacht [NL, essay],
Tekst , 4 p.




__________

Hans Theys


Ogen in de nacht
Over de tekeningen van Alessandra Michelangelo



Niemand weet wat kunst is. Alle oude vragen blijven open. We kijken naar de tekeningen van Alessandra Michelangelo en opnieuw verwonderen we ons over de gevoelens, gedachten, beelden en verhalen die in ons worden oproepen door deze ontmoeting, waarbij we niet weten of we eerst worden getroffen door de zogenaamde inhoud van de tekeningen en dan door hun vorm of juist omgekeerd, of altijd anders, of echt door inhoud en vorm tegelijk, of door iets dat lijkt op een rondtollende munt of een ring van Möbius, waarbij we onmogelijk een onderscheid kunnen maken tussen een inhoud en een vorm en tussen de dingen die worden aangedragen door het werk zelf en de dingen die we er gratis aan toevoegen, onbewust puttend uit ons warrige brein of uit het geheugen van ons lichaam.

Deze aangename verwarring wordt het duidelijkst als we kijken naar de tekeningen die gezichten voorstellen. Vaak lijken die woedende personen voor te stellen. Althans, mij doen ze denken aan een woedend gezicht dat ik in 1986 gezien heb in een nachtmerrie die uitsluitend bestond uit het vreselijk beangstigende, in één enkel ogenblik uit het zwart opdoemen van dit gezicht. (Later zag ik een vergelijkbaar beeld in de film Lost Highway van David Lynch.) Kijkend naar de tekeningen beseffen we dat deze woedende verschijningen berusten op enkele clichématig aangebrachte trekken en niet op de realistische constructie van een echte kop, maar dat deert niet. We beseffen dat iemand deze kwade koppen heeft getekend, telkens weer, en we gaan gissen naar de motieven van de tekenaar. Stellen deze woedende koppen iemand voor? Misschien niet. Misschien zijn het gewoon tekeningen van boze gezichten. Misschien wel. Maar wie dan? De tekenaar zelf? De geliefde of de moeder van de tekenaar? Nurse Ratchet? Grace Poole? Een spook?

In haar boek The Spiral Staircase (2004) vertelt de auteur van prachtige boeken over godsdienst Karen Armstrong dat ze als jonge vrouw jarenlang last had van onvoorspelbare toevallen, waarbij de werkelijkheid 'vormeloos, betekenisloos, blind, banaal, treurig en lelijk' werd en het leek of er rechts van haar iemand stond die de duivelse vorm aannam van een oud, seniel masker met lege ogen. Als gevolg van deze toevallen leefde ze permanent in een wereld waarin het onmogelijk was een onderscheid te maken tussen wat echt en onecht was. De cineast Ingmar Bergman vertelt hetzelfde over zijn jeugd. Veel kunstenaars kennen tijdens hun jeugd en hun volwassenheid ogenblikken waarop de werkelijkheid zich voordoet als betekenisloos of vormeloos. Deze ervaringen zijn bedreigend, maar ze kunnen ook bevrijdend zijn, omdat ze tonen hoe je aan de gangbare benaderingen van de werkelijkheid kan ontsnappen. Sommige mensen bezwijken onder deze ervaringen (bijvoorbeeld de broer van de neuroloog Oliver Sacks, die zelf ook migraineaanvallen en hallucinaties kende als kind), anderen, zoals sommige kunstenaars, leren ermee omgaan, bijvoorbeeld door plastisch werk te maken dat voortkomt uit of vormgeeft aan hun ervaringen van een onbestendige , onbestemde werkelijkheid.

Toen mijn zoon Maurice zes maand oud was en in mijn armen lag, zag ik hoe zijn oogjes heel rustig maar wel zonder oponthoud van links naar rechts keken, alsof hij mijn gezicht las, regel per regel.

In 1947 publiceert de vrouwelijke dichter Vasalis de bundel De vogel Phoenix. Hierin komt een titelloos gedicht voor waarin ze beschrijft hoe een kindje, zittend in haar armen, huilt in zijn slaap, verstrikt in een bange droom. 'Tot hij ontwaakt en luistert naar mijn zingen / en mijn gezicht bekijkt en plots herkent / en glimlacht, lichtend door de tranen, die er hingen / en met zijn hele ziel mij open toegewend.'

Omstreeks diezelfde tijd begint de filosoof Levinas gedachten te vormen die vertrekken van de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog en hij formuleert een ethiek die gebaseerd is op een aan alle ethiek voorafgaand, dwingende gebod tot goedheid dat uitgaat van het gezicht van de ander. De erkenning van het bestaan en het verschillend-zijn van de ander noopt ons tot goedheid, tot een verzaken aan ons eigenbelang. Nooit zullen we de ander vermoorden, ook niet door hem of haar te negeren, te kwetsen of in de steek te laten. Natuurlijk gaat het hier niet om het eigenlijke gezicht, maar om de eigenheid, de specificiteit van de ander, waarover Levinas spreekt door het beeld van het gelaat te gebruiken. We begrijpen waarom, want welk ander lichaamsdeel zou hier dienst kunnen doen als bruikbaar beeld?

Hoe griezelig zijn de gezichten die we ontmoeten in het werk van Alessandra Michelangelo! Hoe verschrikkelijk de ogen! Hoe vreemd de houding van deze kunstenaar, die zich telkens weer oog in oog bracht met deze griezelige maskers… Nog vreemder wordt het wanneer het thema van het gezicht gecombineerd wordt met het masker van Toetanchamon, dat de kunstenaar allicht onder ogen kreeg, of met het thema van de koning of de koningin, al dan niet voorzien van een kroon. Het wordt vreemder, omdat de dreiging en de intensiteit niet alleen bewaard blijven, maar zelfs versterkt worden door de nieuwe elementen. De vrouwelijke duivel wordt een boze koningin of stiefmoeder. Het gezicht wordt nog meer masker, nog meer speelkaart, nog vlakker, nog doodser.

Aan zulke dingen denk ik, wanneer ik naar deze getekende gezichten kijk, en al deze gevoelens, beelden, verhalen en gedachten ontmoeten elkaar in een tijdspanne van enkele minuten, terwijl ik tekening na tekening voorbij laat glijden. Maar tegelijk kijk ik naar de manier waarop ze zijn gemaakt.

Het eerste wat opvalt in deze tekeningen, vind ik, zijn de vaste lijnen waarmee de vlakken vaak worden afgebakend. Soms zie je de resten van een eerste dunne potloodlijn. Maar met zeer vaste hand wordt uiteindelijk de vaak mooi golvende, vette, definitieve lijn geplaatst. Daardoor ontstaan vlakken, die meer lijken te zijn dan vlakken en zich gaan gedragen als tweedimensionale vormen. Die vormen worden vaak hardnekkig ingekleurd. Soms worden de kleuren benoemd door woorden, alsof de kleuren pas nadien zijn gekomen, ter reproductie van een mentaal beeld. Vaak worden vlakken met verschillende kleuren ingevuld, allicht omdat een potlood bot is geraakt. Soms loopt de kleur van een gezicht naadloos over in de achtergrond. Soms krijgen bepaalde vormen een autonoom bestaan, los van hun oorsprong.

Een terugkerend onderwerp, bijvoorbeeld, is de grot, die ook inktvis wordt genoemd. De wand van de grot wordt zelden ingekleurd, maar de deuropening wel, want binnenin de grot heerst een gekleurd licht. Daardoor krijgt de deuropening echter ook een meer massieve verschijning, waardoor de tekening vrouwelijke en mannelijke elementen in zich lijkt te verenigen (dit zou je de inhoudelijke benadering kunnen noemen), maar waardoor ook een boeiende tekening ontstaat, omdat leegte vol wordt voorgesteld.

De tanden van de portretten doen denken aan tralies. Die tralies lijken terug te keren in het masker van Toetanchamon. De structuur van de wand van de grotten keert terug in het lichaam van de spinnenman en in het kapsel van een vrouwenportret. Zo gaan tekeningen met elkaar praten. Zo worden ze autonoom en verhalen ze niet zozeer over onderwerpen, maar over manieren van tekenen, manieren om lijnen te plaatsen, manieren om het oppervlak van het blad op te breken en tot leven te brengen met illusoire diepte, met ritmes, met beslissingen.

Graag zou ik hier een aantal tekeningen afzonderlijk bespreken, maar er zijn teveel tekeningen die mij aangrijpen. Het zwakst lijken ze, wanneer de kunstenaar pas reproducties van werk van Picasso, Klee of Malevitch onder ogen heeft gehad. Niemand kan leren tekenen zonder voorbeelden te imiteren, maar doorgaans worden deze eerste oefeningen niet tentoongesteld. Misschien zou dat hier beter ook niet gebeuren. Sterker worden deze tekeningen wanneer de verschillende invloeden of motieven samenkomen, zoals in de tekening waarin het masker van Toetanchamon ineens een kroon krijgt of de tekening waarin dit masker is verwerkt in een kubistisch damesportret. De mooiste tekeningen zijn voor mij de werken waarin met enkele verschillend gekleurde vlakjes en lijntjes een schijnbare aanzet tot een tekening tot leven komt en op een broze manier mag blijven bestaan. Het meest geboeid ben ik door de manier waarop de kunstenaar er telkens weer op een andere manier in slaagt dreigende gezichten op te roepen.

Telkens weer nemen de ogen en de monden andere gedaanten aan. In één tekening blijven de mond en de ogen heel zwart, in een bijna zwart gelaat. Soms worden ze uitsluitend opgeroepen door lichte omtrekken in een zwarte omgeving. Soms worden ze omrand door dichte arceringen met zwart potlood, soms worden er strepen door getrokken, soms verdubbelen hun contouren, soms verdubbelen ze zelf, soms worden ze bollen, soms worden het gaten. In één tekening zijn de ogen leeg, zoals in de herinneringen van Karen Armstrong, en zien we door de lege gaten een gele achtergrond, die we ook tussen de tralies van de tanden zien en in de achtergrond naast het gelaat. De ogen en de mond gaan vaak samen. Soms is er maar één oog, om deze samenhang nog duidelijker te maken. Soms zweven de ogen in een ijle omgeving van kringelende lijntjes, alsof we zo nog beter kunnen voelen dat het niet gaat om een portret of om een masker, maar om een verschijning: Il Demono di Amstredan (met zijn twee bijna ovaalvormige, zwarte rechterogen en zijn twee linkerogen: één lichtblauw en één gedeeltelijk roos ingekleurd) of Spettro nella notte (een met rood potlood ingekleurde buste met één groot gekanteld grijs oog).

Ik vind deze tekeningen beklemmend en onroerend. Het zijn sporen zijn van een volgehouden aandacht, die zich uit in de talloze varianten van de gebruikte vormen en onderwerpen. Ze grijpen mij aan, omdat ze tonen hoe wij vormen gebruiken om vat te krijgen op de werkelijkheid of om anderen iets duidelijk te maken. Twee of drie keer meen ik een aanzet tot een lange neus te herkennen, alsof de kunstenaar zelf ging geloven dat ze nooit spoken had gezien. En dan denk ik aan de twee dunnetjes getekende, schedelachtige spoken met wollen muts op roze papier en ik herinner mij de tekeningen van de kunstenaar Elly Strik, waarin ook vaak roze achtergronden, schedels en wollen mutsen voorkomen, en ik wens dan dat Alessandra die tekeningen had gezien, om te kunnen thuiskomen in het werk van iemand anders, zoals wij kunnen thuiskomen in haar tekeningen.


Montagne de Miel, 26 augustus 2010