Hans Theys is een twintigste-eeuws filosoof en kunsthistoricus. Hij schreef en ontwierp tientallen boeken over het werk van hedendaagse kunstenaars en publiceerde honderden essays, interviews en recensies in boeken, catalogi en tijdschriften. Al deze publicaties zijn gebaseerd op samenwerkingen of gesprekken met de kunstenaars in kwestie.

Dit platform werd samengesteld door Evi Bert (Centrum Kunstarchieven Vlaanderen). Het kwam tot stand in samenwerking met de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen (Onderzoeksgroep ArchiVolt), M HKA, Antwerpen en Koen Van der Auwera. Met dank aan Idris Sevenans (HOR) en Marc Ruyters (Hart Magazine).

ESSAYS, INTERVIEWS & REVIEWS

Thomas Bogaert - 2001 - De maan heeft geen schaduw [NL, essay],
Tekst , 5 p.




__________

Hans Theys


De maan heeft geen schaduw
Enkele woorden over het werk van Thomas Bogaert


Inleiding

Vrijdag, 7 december 2001, vier uur ’s middags. Ik zoef in mijn bescheiden gezinswagen van Gent naar Brussel en laat mij zoveel mogelijk afleiden door de flikkerende cinema rond mij. De hemel is helderblauw. De zon gaat onder en werpt duizenden langwerpige schaduwen die als onberekenbare projecties ronddansen in oranje kleurvlakken. Links, op de betonnen jersey-ruiters die de middenberm van de autosnelweg afbakenen, glijden donkergekleurde schaduwen van de voor mij rijdende auto’s. Soms herken je in deze schaduwen ook de gesluierde vlakken van de ramen, soms zelfs het silhouet van de bestuurders. Op de achterkant van witte vrachtwagens slaat de ondergaande zon een wisselend spel van licht en schaduw, soms in de vorm van voorbijglijdende schaduwen van een rij populieren, soms als onherkenbare, diagonale, zwarte strepen, soms als heen en weer dansende lichtvlekken, soms als een blikkerend oplichten. Op drie opeenvolgende vrachtwagens zie ik drie keer hetzelfde fragment van een eindeloze film. Op elk voertuig treft het beeld een verschillende achtergrond.

Thuisgekomen tref ik mijn achtjarige zoon Cyriel nog in warme kledij, want hij is ook pas gearriveerd. Ik stel hem voor zijn Samoerai-zwaard te halen en in de tuin naar beneden vallende suikerbieten te doorklieven. Hij zet zich schrap, ik lanceer de bieten. Het geheim van een gelukte slag is dat een biet zich heel traag voortbeweegt, frame per frame. Als je rustig genoeg bent en in gedachten stapvoets meereist met de biet, kan je hem doorklieven waar je wil. Cyriel is in goede vorm. De stukken biet vliegen in het rond.

Wij denken de maan heeft geen schaduw, maar haar schaduw hangt aan haar rug als een kille matras. Zo hangt aan de rug van elk beeld een natte lap verdwenen licht die soms vanachter tegen onze schedelkop plakt en koud naar beneden kruipt onder ons vel.

Enkele uren geleden wandel ik met Thomas Bogaert naar zijn atelier in Gent. Na enkele stappen wijst hij mij op de schaduw van een schouw op de gevel van een belendend huis. ‘Dat is mooi,’ zegt hij, ‘die scheefgetrokken lichtgaten die onder het dakje van de schouw doorkijken.’ Hij bukt zich en raapt een verroeste speld op die hij een paar meter verder tussen de spijlen van een rioolrooster laat vallen.


Verrekijkers

Bogaert heeft jarenlang gewerkt met verrekijkers. Een van de eerste vruchten van deze bezigheid is een schilderij waarop zwarte lijnen de wisselende slagschaduwen van een naar de toeschouwer gerichte verrekijker schetsen. De toeschouwer kijkt recht in de lens, die wordt voorgesteld door een cirkel. De verschillende lichtinval voor elke schets toont ons telkens andere schaduwen, waar je soms heel duidelijk de vorm van de verrekijker in kan herkennen.

Een verrekijker toont altijd een fragment. De voyeur zoekt het fragment. Bogaert probeert werken te maken met fragmenten. Niet zozeer omdat het stukjes uit grotere beelden zijn, maar wel omdat ze een soort van tijdseenheid vormen. Elk fragment bevat een brokje tijd. Eigenlijk is hij constant op zoek naar manieren om een kort tijdsverloop in beeld te brengen.

Voor een tentoonstelling in Brussel projecteert Bogaert vier verschillende filmlussen van binnenuit op een neerliggende, met zijn bovenkant naar de toeschouwer gerichte parasol. Elke lus toont een kort tafereel dat zich heeft afgespeeld op een strand, in de buurt van een parasol. Het onderste beeld toont een man die staat te dralen. In het begin van het filmpje zie je hoe hij de hand boven de ogen houdt om de zon af te schermen.

Voor een andere tentoonstelling gebruikt Bogaert sommige beelden uit dit filmpje om er cirkelvormige foto-objecten mee te maken. Hij hangt de cirkelvormige beelden naast elkaar in een onderbroken reeks, waarbij de lege plekken een bepaald tijdsverloop oproepen. De cirkelvorm herinnert aan de verrekijker en benadrukt dat de beelden werden gemaakt met een super-8 camera met telelens.

Voor een andere tentoonstelling maakt hij een werk met een drie minuten durend filmpje van schaatsers op een bevroren vijver in Central Park. Door een defect aan de camera is het filmpje wazig en ziet het er fantastisch uit. Er is eigenlijk maar één scherp figuurtje: een in het rood geklede schaatser die een pirouette maakt. Op een twaalf meter lange muur laat Bogaert cirkelvormige uitsneden van dit filmpje het parcours van de rode danser uitstippelen. Tegelijk is er ook een monitor waarop je het filmpje ziet, waarbij enkel bij het verschijnen van de rode schaatser synchrone geluiden van krassende schaatsen te horen zijn, zodat de aandacht van de kijker op de rode danser gevestigd wordt.


Beweging binnen een beeld

Momenteel loopt in de galerie van Jan Colle een tentoonstelling die op een soortgelijke manier is voortgekomen uit enkele filmbeelden. Het uitgangspunt wordt gevormd door een aantal korte super-8 filmpjes van rijdende Matchbox-autootjes. In de tentoonstelling zijn drie verschillende werken te zien.

Het belangrijkste werk is een reeks foto-schilderijen of foto-objecten waarop stills van de rijdende autootjes te zien zijn. De stills worden afgedrukt op dun papier en vervolgens op een geschilderde ondergrond geplakt door er polyester over te gieten. Door de toevoeging van het polyester worden de lichte partijen van de kopieën transparant, waardoor de verfstreken van de ondergrond zichtbaar worden. De laklaag creëert een soort afstand ten opzichte van het beeld en maakt het geheel ook af als voorwerp. Verder zijn er ook drie affiches te zien die schijnbaar niets meer tonen dan de droog gefotografeerde onderkant van drie autootjes. In werkelijkheid heeft Bogaert echter nieuwe woordjes toegevoegd aan de inscripties in reliëf op de onderkant van de autootjes. Ten slotte is er ook een projectie te zien van alle gebruikte super-8 filmpjes, die werden samengevoegd tot een filmlus van een dertigtal seconden. De beelden worden zodanig geprojecteerd op de plastic wand van de galerie dat de Matchbox-autootjes op ware grootte te zien zijn.

 In dit werk vinden we twee terugkerende elementen uit het werk van Bogaert terug: het vertragen, opblazen en tot voorwerp maken van een klein aantal beelden en de poging beweging te vatten in een of twee beelden.

Een andere reeks werken waarin deze elementen aan bod komen vertrekt van twee filmpjes van een kabelbaan. Voor een eerste filmpje heeft hij een téléférique met een rode cabine gefilmd in Barcelona. Voor een tweede filmpje heeft hij in Oostenrijk de schaduw gefilmd van een cabine waar hij zelf in zit. Voor een tentoonstelling in Antwerpen heeft hij de filmlus van de rode kabelbaancabine geprojecteerd op verschillende ondergronden: een foto van de Mont Blanc, een zeepschaaltje met de afbeelding van een bergtop, een reclamebord van Kodak en een zwart-wit schilderij van een berglandschap. ‘De projectie met het geschilderde berglandschap werkt het beste’, vertelt Bogaert, ‘wie lang genoeg kijkt en zich genoeg kan ontspannen kan zich laten meevoeren door de cabine. Ineens komen de bergen tot leven en ervaar je de beweging'.

Voor een komende tentoonstelling in Hasselt heeft Bogaert een aantal lenticular prints gemaakt van het filmpje met de stijgende kabelbaan in Barcelona. Wie voorbij zo’n print loopt ziet de cabine in drie opeenvolgende stappen stijgen. Hier is het gelukt een tijdsverloop en een beweging in één beeld te vatten. Soms probeert Bogaert dit door een groot deel van het beeld te laten verdwijnen, omdat hij hoopt dat de kijker dan een deel van het beeld zal missen of het fragment als een losgerukt stuk tijd zal ervaren, soms probeert hij verschillende beelden te combineren, zoals met twee foto-schilderijtjes van een naderend Matchbox-autootje, of zoals met de over het muurvlak dansende ronde foto-schilderijtjes van de rode schaatser. Waarschijnlijk probeert hij ook iets soortgelijks te bereiken met de projecties van de rode cabine, alsof het de bedoeling is door de toevoeging van een bewegend beeld ook de achtergrond in beweging te brengen.


De dag dat alles wegglipte in een beeld

De dag is zo helder vandaag, dat ik begrijp dat je niet naar het werk van Thomas Bogaert kan kijken zonder je te onttrekken aan de schaduwen. De schaduw rond de parasol, de schaduwen van de verrekijker, de schaduw van het skizitje met passagier, de schaduwen van de Matchbox-autootjes, enzovoort. Overal duiken schaduwen op die ons meer proberen te tonen dan het beeld op het eerste zicht wil prijsgeven. De schaduw toont ons de onzichtbare zijkant, achterkant of onderkant van het beeld. De schaduw vertelt mij dat Bogaert iemand is die voortdurend bezig is met kijken. Zijn werk gaat in de eerste plaats over kijken, daarna over voelen. Bogaert voelt met zijn ogen.

Ik hou van de manier waarop hij twee of drie beelden uit de omgeving plukt, isoleert en uit hun tent probeert te lokken. Ik hou van de zachte manier waarop hij over zijn werk praat. Ik kijk naar het uitgesneden fotootje van zijn zus en ik voel de schaduw van mijn jeugd als een dode frak op mijn rug hangen. De glanzende polyesterlaag op zijn foto-schilderijen doen mij denken aan de Romeinse villa die Ann Veronica Janssens aan de binnenzijde met glazen platen heeft bekleed om het gebouw op te lossen. Ik denk ook aan de films van Marcel Broodthaers, die op een hopeloze en toch grappige manier proberen vol te houden dat een bewegend beeld niet bestaat en ik denk aan de zeefdrukken van Warhol die met hun slechts schijnbaar repetitieve beelden een siddering door een vlak kunnen trekken. Ik herinner mij hoe ik als veertienjarige zelf generieken met voorbijrijdende, botsende en in brand vliegende Matchbox-autootjes animeerde met een super-8 camera en met mijn duim heen en weer wrijvend over de onderkant van een denkbeeldig autootje in mijn broekzak kijk ik toe hoe Bogaert uit gelijkaardige ervaringen nu nog geldende, sterke beelden probeert te trekken.

Ik denk dat ik voel wat Bogaert wil zeggen als hij vertelt dat hij graag autorijdt. ‘Een autocar is een rijdende camera waar ge in kunt zitten,’ heb ik eens geschreven. Wie voor zich kijkt in een rijdende auto reist mee in een voortdurende zoombeweging. Soms zouden we uit onze hoofden willen zeilen in een zwevende cabine en langzaam zachtjes pijnloos weggegomd worden tussen de korrels van het rond ons verglijdende beeld. Soms zouden we die wens willen vastleggen in beelden die naar ons kijken vanachter vensters. Soms dromen we dat we zelf een venster zijn en niet meer voelen hoe de beelden aan ons trekken en in onze hersenen komen peuteren. Soms zijn we zelf een beeld geworden en is alles toch nog goed gekomen.


Montagne de Miel, 10 december 2001