Hans Theys is een twintigste-eeuws filosoof en kunsthistoricus. Hij schreef en ontwierp tientallen boeken over het werk van hedendaagse kunstenaars en publiceerde honderden essays, interviews en recensies in boeken, catalogi en tijdschriften. Al deze publicaties zijn gebaseerd op samenwerkingen of gesprekken met de kunstenaars in kwestie.

Dit platform werd samengesteld door Evi Bert (Centrum Kunstarchieven Vlaanderen). Het kwam tot stand in samenwerking met de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen (Onderzoeksgroep ArchiVolt), M HKA, Antwerpen en Koen Van der Auwera. Met dank aan Idris Sevenans (HOR) en Marc Ruyters (Hart Magazine).

ESSAYS, INTERVIEWS & REVIEWS

Wout Vercammen - 2000 - Kunstenaarsbewegingen in Belgiƫ in de jaren zestig en zeventig [NL, interview],
, 6 p.




__________

Hans Theys


Kunstenaarsbewegingen in België in de jaren zestig en zeventig
Zeven kunstenaars spreken: Luc Deleu, Wout Vercammen, Walter Swennen, Pierre Goffin, Filip Denis, Jacques Charlier en Ronny Van de Velde



Luc Deleu

Deleu: Eigenlijk was dat een degoutant, reactionair clubke, ‘VAGA’. ‘De aanval op het museum is gelukt,’ zeiden ze. Ze hadden hun eigen tentoonstelling in het museum en ze waren content. Eigenlijk waren dat gewoon een paar mensen die hun pensioen wilden veiligstellen. Het Nicc is ook al zo reactionair. Dat zijn ook kunstenaars die hun pensioen willen veiligstellen. Ik versta dat niet, artiesten die een statuut willen. Ik ben naar een van die openingsvergaderingen van het Nicc gegaan, Guillaume Bijl was voorzitter, en na een tijdje ben ik rechtgestaan en heb ik gevraagd:
    ‘Mag het ook nog zonder statuut?’
    Maar dan antwoordden ze: ‘Gij hebt gemakkelijk praten, gij zijt architect!’ (Schaterlach.)
    Ercola, dat was een groep mensen die hier een beetje verder in de buurt woonden en die als doel hadden stripverhalen te tekenen. Of dat een kunstenaarsbeweging was, weet ik niet. Dat was toen een commune. Dat is nu nog altijd een commune. Ze maken nu decors voor VTM, onder andere. Ze gaven ook een tijdschrift uit dat ‘Spruit’ heette. Ik wil daar geen kwaliteitsoordeel over uitspreken, maar het was eerder in de marge van de kunst.
    Ercola is een paar keer uitgenodigd om deel te nemen aan tentoonstellingen, onder andere in Brugge. Ik heb toen deelgenomen aan die tentoonstellingen, bij voorbeeld met een boek van een meter bij een meter. Ik heb ook nogal veel met George Smits gezeefdrukt, ik vond dat toen een plezante manier om de eerste noden te lenigen,
    Er zal wel nog van alles mee gebeurd zijn, hier in Antwerpen, maar dat waren zo’n dorpstoestanden, hier op het Dageraadplein, bijvoorbeeld, hebben we dan feesten georganiseerd en ik heb hier dan vlaggen in de straat laten zetten.
    Wie was daar allemaal bij? De man met wie ik het meest contact had, was George Smits, de harmonicaman bij Ferre Grignard. Die heeft techno-muziek avant la lettre gemaakt. Ik kende Georges nogal goed omdat hij een vriend was van Filip Francis.

- Filip Francis en jij woonden in hetzelfde huis, waar je nu nog woont en waar vroeger de galerie Vacuum was?

Deleu: Ja, ik had al naast Filip Francis gezeten in de kleuterschool. Galerie ‘Vacuum’ heeft twee jaar bestaan. Dat was eigenlijk van Filip, maar omdat wij samenwoonden was iedereen erbij betrokken. Wie heeft hij allemaal getoond? Wout Vercammen, Hugo Duchateau, Georges Smits, Ludo Mich was er misschien ook bij… Albert Szukalski, zegt Laurette mij hier. Ronny van de Velde heeft daar ook nog tentoongesteld: gazonnetjes met plastieken bloemen. Ik heb nog een werk van hem: plastieken tomaten in een weckbokaal. Mijn eerste tentoonstelling was ook in galerie Vacuum.

- Wat heb je dan getoond?

Deleu: Schoolwerk. Twee of drie maquettes, een paar tekeningen en een collage. De titel van de tentoonstelling was: ‘Luc Deleu neemt afscheid van de architectuur’. Dat is mij achteraf zuur opgebroken. Er zijn nu nog mensen die niet weten dat ik eigenlijk al vijfendertig jaar bezig ben met architectuur. Ik had die tentoonstelling beter genoemd: ‘Luc Deleu Superarchitect & Multimiljonnair’.
 

Wout Vercammen

Gaan we weer graven in die nostalgische brei van vijfendertig jaar geleden? Ik zal u opbellen als ik iets te vertellen heb.


Walter Swennen

Swennen: Tussen ’65 en ’67 had je de groep ‘Total’s’ van Charlier. Er gebeurden veel dingen in die tijd, happenings, maar er zijn niet veel sporen overgebleven…
    Het idee van een georganiseerde beweging bestond trouwens niet, we wilden juist geen sporen nalaten… We waren niet tegen de instituten, maar we braken er wel mee. Dat heeft niet lang geduurd.… Het heeft niet lang geduurd, omdat de markt snel openging voor wat we deden. De vormen zijn zijn de vormen van de koopwaar geworden: alles werd gerepertorieerd en gedocumenteerd… Verkoopbare dingen die sporen nalieten voor de geschiedenis. Daar lachten we mee.
    Iets dat veel in beweging heeft gebracht, was het Living Theater, dat naar Brussel gekomen was. Julian Beck. Ze hadden veel invloed.

- En ‘L’entonnoir’?

Swennen: De gangmaker was Pierre Goffin. Hij moet nog documenten en affiches hebben. Hij heeft zelfs werk van mij uit die tijd. Pop art-achtige dingen. We maakten deel uit van de ‘national pop art’, die was opgericht door Marcel.
    Er was ook een heel vluchtige groep die ‘Accuse’ heette: een kleine groep vrienden die gemeenschappelijke bezigheden hadden, maar niet uitdrukkelijk artistiek zoals dat vandaag wordt begrepen. Het was een moment waarop de kunst ontplofte en het mogelijk werd om voor alles belangstelling te hebben en dat in verband te brengen met kunst.

- Kan je een voorbeeld geven?

Swennen: Dingen zoals de politiek, het situationistische gedachtengoed of de toenemende invloed van machtsstructuren. Ik herinner mij iemand die een plannetje had getekend om aan te tonen dat camera’s die zogezegd geïnstalleerd waren voor het verkeer, eigenlijk benut werden om betogingen te filmen.
    De groep “Accuse” gaf een fragmentair en onregelmatig tijdschrift uit en wed ontbonden zonder ooit bestaan te hebben. Eigenlijk gaven we het ding een naam om vergankelijk te kunnen zijn. Ik denk dat Marcel iets te maken had met de naam ‘Accuse’, maar ik ben er niet zeker van.

- Het doel van die groeperingen was dus om niet te bestaan?

Swennen: Ja, instituten interesseerden ons niet. We vonden dat tijdverlies. Ik herinner mij bijvoorbeeld dat ik een gedicht heb gepubliceerd in een tijdschrift dat ‘Le Square’ heette. Ik denk dat er twee of drie nummers geweest zijn die één frank kostten. Het was een stencil op A4-formaat, aan twee kanten bedrukt. Dat was het tijdschrift. We deden de hele tijd zo’n dingen. Al waren er ook goed georganiseerden lieden die performances deden in plaats van happenings.

- Waarin berust het verschil?

Swennen: Ah, het verschil is enorm! Het berust in de intentie en de context. Happenings hebben te maken met een breuk, een onthutst zijn, een onverwachte overrompeling. Het is een onafgebroken ontsporen. Performances zijn georganiseerde gebeurtenissen die kaderen binnen een groter geheel, ze vormen een artistieke activiteit die deel uitmaakt van een instituut. De performance is een artistieke vorm, de happening niet.

- Ze ontsnapte aan de bekende vormen?

Swennen: Ja. Iets dat de stoel wegtrok vanonder de kont van de gevestigde vormen. (Lacht.)


Pierre Goffin

Goffin: Ik had kennis gemaakt met enkele jongeren in de cafés in Namen en omstreken, jongeren die uit het rock ‘n’ roll mileu kwamen en iets anders wilden tonen. In die tijd gebeurde er volstrekt niets in Namen. ‘L’entonnoir’ was een beweging van jonge kunstenaars die besloten zich te verenigen zonder zich veel vragen te stellen over de manier waarop je een beweging moet organiseren. Ik heb dat ‘L’entonnoir’ genoemd, omdat het ging om heel verschillende mensen die samenkwamen om iets te doen aan het ‘absolute niks’ dat hen omringde.
    Vandaag zie ik dat er toen wel dingen waren. Ik heb absoluut niets tegen die oude kunstenaars uit Namen die de oevers van de Maas schilderden, maar wij wilden vooral begrijpen waar Warhol mee bezig was.
    De eerste activiteit van ‘L’entonnoir’ was een tentoonstelling in het lokaal van de nationale discotheek in Namen. We hadden ook een tijdschrift dat ‘La frite libérée’ heette. De eerste tentoonstelling van Walter vond plaats in juni 1966. Hij had een happening georganiseerd in de jazzclub van Namen. Die trouwens heel slecht was ontvangen door de lokale pers. Er ware mensen die sliepen omdat ze pillen hadden genomen. Er was een zwarte en een blanke vioolspeler. Een van hen hield de viool vast en de andere de boog. Nogal kinderachtig als je het vandaag bekijkt, maar toen was dat belangrijk.


Filip Denis

Denis: Elke vrijdag kwamen we samen bij Pierre Goffin. Ik heb veel van hem geleerd. Hij organiseerde tentoonstellingen. We hebben bijvoorbeeld deelgenomen aan de ‘Foire aux Croûtes’ in Dinant… We hebben daar zelfs een prijs gewonnen, een geelkoperen beker.

- Je hebt mij eens verteld dat Pierrot taarten tegen de muur kleefde.

Denis: Dat was een tentoonstelling in een galerie in Namen.Pierrot verzamelde schimmels. Ik herinner mij een rijsttaart die hij dubbel had gevouwen en in een kast bewaarde. Hij noemde dat de schimmelkast. De volgende vrijdag haalde hij die taart uit de kast en opende hij haar. Tussen beide helften spanden zich witte draden. Hij streelde ze en zei: ‘Mooi toch?’
    Hij had ook schilderijen gemaakt war hij taarten en soorgelijke dingen op had gekleefd. Ze waren geschilderd, maar ze bevatten ook voedingswaren. Tijdens een vernissage, in het midden van de galerie, leunend tegen een zuil denk ik, stonden een vuilniszak en een stoffer met blik, waarvan niemand wist waar ze voor dienden. Iedereen stond te praten, zoals tijdens een gewone vernissage, maar opeens maakte er zich zo’n taart los van een schilderij en viel met een slijkachtig geluid op de vloer. Pierrot excuseerde zich tegenover de persoon met wie hij aan het praten was, haalde de stoffer en het blik en veegde de taart op die zich net had losgemaakt. Hij kiepte de taart in de vuilniszak en zette de conversatie voort.


Jacques Charlier

Charlier: ‘Total’s’ was een publicatie. We hebben zes nummers gemaakt. We hadden zestig abonnees en we stuurden het tijdschrift overal naartoe. Ik ontving informatie uit de hele wereld. Ik ontving post van anarchisten uit Australië, Polen, situationisten uit Straatsburg, Engelsen, Ieren… Jammer genoeg heb ik al die dingen weggegooid. Maar de nummers van ons tijdschrift waren wel grappig. Als je ze niet onmiddellijk nodig hebt, kan ik je wel enkele documenten bezorgen die je zullen blij maken… Je kan ze komen oppikken. Maar je moet ze wel terugbrengen!

- De naam ‘Total’s’ verwijst naar een tijdschrift, niet naar een groep mensen die samenkwamen?

Charlier: Toch wel. Dat was juist het grappige. We deden bizarre happenings. Het was echt bijzonder. We gaven een tijdschrift uit, we kwamen samen en we deden acties. Er waren zeker dertig activisten. In de jaren zestig had je van die betogingen tegen de atoombom en van die dingen. En voor een van deze betogingen waren we samengekomen met provo’s uit Amsterdam. Onze monden waren dichtgekleefd met plakband, we droegen een transparante vlag en we deelden transparante vellen uit aan de voorbijgangers. Eigenlijk vonden de betogers ons even vervelend als de voorbijgangers, omdat ze zich afvroegen wat ons bezielde. Toch waren er mensen die het fijn vonden, want het was heel poëtisch. Zie je? Een doorschijnende betoging… Er bestaan foto’s van die opgenomen zijn in het boek van Jean-Louis Brau dat als titel droeg: ‘Cours, camarade, le vieux monde est derrière toi.’ (‘Vlucht kameraad, de oude wereld zit achter je.’) (Lacht.)
    Ik was ook dol op Total’s Telephone: je kon ons opbellen om naar verrassingen te luisteren. Ik haalde dan de hoorn van de haak en zette een bandopnemer aan die muziek of iets anders begon af te spelen.


Ronny Van de Velde

- Herinnert ge u die keer dat Hubert Peeters in 1992 bij Christie’s verschillende werken van Broodthaers tegelijk op de mark gooide en alle Belgische galerieën samen een sterke arm gemaakt hebben om te voorkomen dat de prijzen zouden ineenstuiken?

Van de Velde: Ja, natuurlijk. Er was zo’n mosselpotke bij. En dat Belgisch been. Perlstein heeft dat been nog gekocht voor 2,5 of 3 miljoen. Michael Werner was daar ook. En Maria hing aan de telefoon. Ester Lauder heeft er ook nog gekocht. En wie nog? Micheline Szwajcer en Boymans-van Beuningen.

- En hoeveel heeft die veiling dan opgebracht? Ik herinner mij dat Brachot tevreden was. ‘De ramp is afgewend,’ zei hij.

Van de Velde: Dat weet ik niet meer. Tussen de 90 en de 120 miljoen, schat ik. We hebben dat daarna op café nog uitgerekend. Ik geloof dat elk kind zo’n twintig miljoen had. Hoeveel kinderen heeft die? En stuk of vijf, denk ik. Dat zal dus wel zo’n honderd miljoen geweest zijn. Maar honderd miljoen, dat is niks. Toen ik zestien of zeventien was heb ik eens een tentoonstelling in het Middelheim gezien met werken uit de collectie van Peeters. Ik zal het nooit vergeten. Die witte kast met eierschelpen was er, een hoop slappe sigarettenstompels van Oldenburg, een softe lavabo, een carcrash van Warhol, een Wesselman…
    Hij was er fier op dat hij alles rechtstreeks bij Sonnabend kocht. Hij had ook een zelfmoordenaar van Warhol. Die gaan nu zo’n 4 à 5 miljoen dollar per stuk. Zo’n 200 miljoen Belgische frank.
    Ik herinner mij zo’n sjiek diner van een paar honderd lappen bij Van den Bussche in Oostende. Iedereen was daar.
    ‘Als ge mij nu allemaal elk jaar 100.000 frank zoudt geven,’ zei Van den Bussche, ‘dan zou ik elk jaar een deftig kunstwerk kunnen kopen.’
    Ik zat naast hem.
    ‘Zoudt gij dat willen doen?’ vroeg hij.
    ‘Natuurlijk,’ zei ik.
    ‘Ronny geeft 100.000. Wie nog?! vroeg hij.
    Maar iedereen zweeg. Deweer was daar ook. En toen stond Hubert Peeters ineens recht. Hij zei dat hij buikpijn had en een beetje moe was. En langzaamaan is iedereen vertrokken zonder een frank te lossen.


Montagne de Miel, 2 juni 2000