Hans Theys ist Philosoph und Kunsthistoriker des 20. Jahrhunderts. Er schrieb und gestaltete fünzig Bücher über zeitgenössische Kunst und veröffentlichte zahlreiche Aufsätze, Interviews und Rezensionen in Büchern, Katalogen und Zeitschriften. 

Diese Plattform wurde von Evi Bert (Centrum Kunstarchieven Vlaanderen) in Zusammenarbeit mit der Royal Academy of Fine Arts Antwerpen (Forschungsgruppe ArchiVolt), M HKA, Antwerpen und Koen Van der Auwera entwickelt. Vielen Dank an Fuchs von Neustadt, Idris Sevenans (HOR) und Marc Ruyters (Hart Magazine).

ESSAYS, INTERVIEWS & REVIEWS

Sherrie Levine - 2018 - Over maskers, geboorte en dood [NL, review] , 2018
, 4 p.




__________

Hans Theys


Over maskers, geboorte en dood
Over enkele werken van Sherrie Levine



Momenteel kan u bij Xavier Hufkens terecht voor een gebalde solotentoonstelling van de befaamde Amerikaanse kunstenares Sherrie Levine (°1947, Hazleton, Pennsylvania). Levine is een van de kunstenaars die in de jaren tachtig zogenaamde ‘appropriation art’ maakten, wat hierop neerkwam dat ze, meer nog dan hun voorgangers, en omwille van verschillende redenen, bestaande beelden of kunstwerken in hun eigen oeuvre gingen verwerken. Levine was hier heel radicaal in, bijvoorbeeld wanneer ze catalogusreproducties van foto’s van Walker Evans fotografeerde. Ook in deze tentoonstelling bevinden zich enkele voorwerpen, bijvoorbeeld een bronzen everzwijn, die louter gerepliceerd worden. Wat deze werken ‘betekenen’ weet niemand, omdat Levine weigert zich over haar werk uit te laten. Ik vind dat prachtig. Zelf wordt ze als het orakel van Delphi. De werken worden meerduidig en ongrijpbaar. Elke toeschouwer wordt een Oedipus, die bang is in de afgrond te tuimelen.

In de gestoffeerde perstekst worden wel enkele sleutels aangereikt, die ons kunnen helpen de werken te ontraadselen of in hun complexiteit te ervaren. Benieuwd vraag ik wie de tekst heeft geschreven. Dat blijkt Kate Mayne te zijn. Ik bel haar op om te vragen hoe ze heeft ontdekt dat een bronzen afgietsel van een houten doodskistje vermoedelijk verwijst naar het ‘Angelus’ van Millet, een schilderij waarin twee landarbeiders een avondgebed schijnen te bidden rond een mand met aardappelen, waarover Dalí beweerde dat er onder de schildering een doodskistje moest schuilgaan, wat later met röntgenfoto’s werd bevestigd.

Mayne antwoordt dat ze Dalí’s interpretatie van het ‘Angelus’ al kende en er meteen aan moest denken toen ze Levine’s werk zag. Over het bronzen afgietsel van een houten wiegje vertelt ze dat dit verwijst naar een schilderij van Van Gogh, waarin een dame een touw in de hand heeft waarmee ze een wiegje laat schommelen dat zich buiten het ‘beeld’ bevindt. Levine heeft reproducties van dit schilderij vroeger al eens gefotografeerd en als onderdeel van een werk gepresenteerd.

Elders in de tentoonstelling zien we een bronzen afgietsel van een ‘Medicine Ball’, een soort van kleine krachtbal, die vooral bekend is in Duitsland en Amerika. Mij treft dit werk door zijn mooie, gedeukte, pompoenachtige vorm, die op een leesbare manier afwijkt van een perfecte bol, net zoals een zin van Virginia Woolf afwijkt van een zin van Thomas Mann of een sculptuur van Bernd Lohaus droomt dat ze een vierkant, een driehoek of een architraaf is. Mayne ziet het werk, waarschijnlijk terecht, als pendant van een eerder werk van Levine, dat gebaseerd was op een volleybal. De lichtheid van de volleybal ziet ze in deze tentoonstelling terugkeren in een bronzen basreliëf van een springend of rennend konijn. In de bronzen replica van een kunstwerk dat een everzwijn voorstelt, ziet ze eenzelfde paradox, omdat een everzwijn een klein, maar krachtig dier zou zijn. Afgezien van het feit dat varkens en everzwijnen een even grote romp kunnen hebben als een koe, en zelfs groter, apprecieer ik Maynes sculpturale benadering van deze werken.

Zelf ben ik echter gefascineerd door de gladde afwerking van het bronzen wiegje, die soms overgaat in de soortgelijke, oorspronkelijke gladheid van het veel gebruikte houten voorwerp. Dat voegt een nieuwe waarde toe aan de gepolijste beelden van Brancusi, die hij allicht wilde laten oplossen in het licht, zoals de metalen kerktorens in Roemenië. Dergelijke clandestiene nostalgie lijkt ook Levine’s werk te onderbouwen. Ongetwijfeld verwijzen deze bronzen beelden ook naar het door migranten bevolkte mijnwerkersstadje waar Levine vandaan komt. Ze spreken over een oude verbondenheid met Europa en een aandacht voor geboorte en dood, die verweven was met het armlastige bestaan van de mijnwerkers.

Het everzwijntje doet mij denken aan Koons’ ‘Banality Show’ uit 1989, waarvoor hij kitscherige voorwerpen repliceerde ‘om de mensen uit de middenklasse te verlossen van de schaamte voor hun slechte smaak’. Het is heel mooi gemaakt, dat oorspronkelijke zwijntje. Verplaatst in een nieuwe, poëtische context die de oorspronkelijke kunstenaar recht doet, spreekt het op een geheime manier over dingen die ons niet aangaan, maar die wij eigenlijk al weten. Het is een masker, dat ons de dingen toont zoals ze zijn.


Montagne de Miel, 7 mei 2018