Hans Theys is een twintigste-eeuws filosoof en kunsthistoricus. Hij schreef en ontwierp tientallen boeken over het werk van hedendaagse kunstenaars en publiceerde honderden essays, interviews en recensies in boeken, catalogi en tijdschriften. Al deze publicaties zijn gebaseerd op samenwerkingen of gesprekken met de kunstenaars in kwestie.

Dit platform werd samengesteld door Evi Bert (Centrum Kunstarchieven Vlaanderen). Het kwam tot stand in samenwerking met de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen (Onderzoeksgroep ArchiVolt), M HKA, Antwerpen en Koen Van der Auwera. Met dank aan Idris Sevenans (HOR) en Marc Ruyters (Hart Magazine).

ESSAYS, INTERVIEWS & REVIEWS

xpo - 2004 - One By One [NL, gallery text],
Tekst , 7 p.




__________

Hans Theys


One By One


Ann Veronica Janssens

Ann Veronica Janssens toont een groot stuk aérogel (Het lichtste materiaal ter wereld waarin je het licht ziet spelen zoals het zichtbaar wordt in onze atmosfeer door tegen moleculen te botsen. Bukt u zich eens!) en een wonderkamer met twee proefopstellingen en twee lichtsculpturen. De eerste proefopstelling heet ‘Test voor het Théâtre national’ en is opgezet om de veroudering te meten van neonlampen die om de 58 seconden aan het trillen gebracht worden. De opstelling vloeit voort uit haar voorstel de gehele verlichting van het nieuwe Théâtre national in Brussel (behalve de toneelzalen) op onvoorspelbare ogenblikken, één of twee keer per dag, te laten haperen. Het gebouw gaat zelf ook even haperen en wordt een broos beeld. Omdat de mensen van het theater wilden weten of deze ingebouwde verstoring van hun verlichtingssysteem de lampen snel zou verouderen, werd deze opstelling gebouwd, die het experiment versneld uitvoert en de veroudering van de lampen opmeet en registreert. De tweede proefopstelling bestaat uit een staal lichtgevend papier dat gebruikt werd om twee grote, belvormige paskamers aan de binnenkant te bekleden. Verder zien we de sculptuur ‘Lint’, die bestaat uit een opgerold, 50 meter lang koperen lint dat ons de doorsnede van een gevangen lichtstraal toont. Dan is er het werk ‘Projectie’, met een eeuwig kantelende, wandelende en van gedaante veranderende rode spookschaduw. Ten slotte zijn er vier fietsen met gegraveerde, aluminium wieldoppen die lichtbundels werpen als de fietsen in beweging zijn. (De fietser maakt het sculpturale voorstel voor ons zichtbaar.)
    Voor het tweede deel van de tentoonstelling wordt dit voorstel uitgebreid met twee nieuwe sculpturen. De eerste sculptuur heet ‘Lamelle en PVC’. Het is een ongeveer 30 cm brede, 30 meter lange strook van 3 mm dik, quasi kleurloos PVC, die door het oprollen een prachtige, diepblauwe kleur krijgt, net zoals onze atmosfeer door het stapeleffect lichtblauw lijkt te worden. (De atmosfeer bestaat gewoon uit lucht, net zoals de lucht voor onze neus, maar veel lucht achter elkaar wordt lichtblauw. Alexandre Wajnberg merkt in dit verband op dat renaissance-schilders de einder om die reden soms lichtblauw schilderden.)
    De tweede nieuwe sculptuur, bestaat uit een verstelbare, blauwe lamp die een witte muur schuin verlicht, zodat de lichtreflectie geleidelijk, maar zichtbaar afneemt en ook de ruimte daardoor ontastbaar lijkt te worden, alsof haar materialiteit oplost met het afnemen van het licht.
    De sculpturen ‘E-LITE test’, ‘Lint’, ‘Lamelle en PVC’ en ‘Projection’ worden voor het eerst getoond. De blauwe lamp was eerder alleen in Barcelona te zien, bij Toni Tàpies. De proefopstelling voor het Théâtre national werd voordien alleen in Factor 44 getoond. De fietsen werden gemaakt voor het Kunstverein in München en werden nadien ook getoond in de Neue Nationalgalerie in Berlijn en het Middelheimmuseum in Antwerpen. Dit stuk Aérogel werd voor het eerst getoond in het Museum voor Hedendaagse Kunst in Marseille. Eerder werd al het dikste stuk Aérogel ter wereld tentoongesteld in de Kunsthalle in Bern. Op twee sculpturale voorstellen na (de fietsen en Théâtre national), zijn al deze werken dus voor het eerst te zien in België.
    Voor het derde gedeelte van de tentoonstelling toont Janssens vier bijkomende sculpturale voorstellen. Het eerste voorstel behelst vier gebruikte wieldoppen, die ter gelegenheid van een tentoonstelling in het Herman Teirlinckhuis in 2000 werden aangebracht op mijn bescheiden gezinswagen en vervolgens een jar werden gebruikt. Elders in het museum ziet u een wieldop zoals die normalerwijs tentoongesteld wordt. Verder ziet u een  glazen staaf die door het opgevangen licht lijkt te gloeien. Deze staaf werd in 1999 in het Herman Teirlinckhuis tentoongesteld naar aanleiding van de tentoonstelling Small Stuff. Ten slotte is er het geheel nieuwe voorstel ‘ ‘Test pour Jamaican Colors pour Melle Léone’, dat in 2003 werd gemaakt naar aanleiding van een tentoonstelling in Bern, maar nog nooit eerder werd tentoongesteld. Het betreft drie papieren vellen die bedrukt werden met een rode, een groene en een gele dégradé.
    Over Ann Veronica Janssens publiceerde ik twee boeken en een tiental verspreide essays. De meest recente essays waren ‘Joyce’s Path. Some Words about a New Sculpture by Ann Veronica Janssens’, De Verbeelding, Zeewolde, 2004 en ‘To Become Eye. Some Words about the Work of Ann Veronica Janssens’, Pratt Institute, New York, 2004.


Damien De Lepeleire

Damien De Lepeleire is een schilder die schilderijen maakt over onderwerpen die hem dierbaar zijn, maar tegelijk, al schilderend, boeiende dingen vertelt over wat het betekent te schilderen. Zijn bewondering voor de onnauwkeurigheid en onwaarachtigheid van de kopie vermengt zich met het plezier van de betekenisloze, kleurige tekeningen die je als kind maakt om je nieuwe stiften of verfjes uit te proberen. De Lepeleire toont enkele schilderijen die hun ‘onderwerp’ ontlenen aan het voetbal (waaronder het schilderij ‘Arbiter ge zijt zo’n hoorndrager dat als het donuts zou regenen er geeneen de grond zou raken), een bronzen sculptuur van in elkaar gestruikelde voetballers uit 1993, een Calder-mobiel-affiche op basis van enkele boekkaften en een onderdeel van zijn verzameling boekjes over Cézanne, Matisse en Picasso, waarbij hij het wonderlijk vindt te beseffen dat deze boekjes door ons zo goedkoop en waardeloos bevonden worden, terwijl ze, in het geval van Matisse en Picasso, nog tijdens het leven van de kunstenaars werden gemaakt. Soms hebben ze er zelfs nog aan meegewerkt. ‘Het is,’ vertelt De Lepeleire, ‘alsof je in Florence bent en dezelfde wolken ziet als Da Vinci en Michelangelo.’ De aquarellen met afbeeldingen van twee Beatles-albums zijn een nog niet getoond, recent deel van een reeks portretten van hoezen van langspeelplaten. Het oorspronkelijke idee van de kopie wordt hier verdubbeld door de aquarel. Voor mij maakt de ruimtelijkheid van de foto de poging het beeld te reproduceren in de vorm van een aquarel nog grappiger. Het is een minutieus landschap, gemaakt tijdens twee verschillende seizoenen. One By One.
    Voor de tweede opening toont Damien De Lepeleire een groot schilderij dat het beeld van een boom oproept. Dit schilderij is als het ware het spiegelbeeld van een groot, Chinees boomschilderij dat hij twee jaar gelegen op de tegenoverliggende muur toonde. Het maakt deel uit van een reeks boomschilderijen die vijftien jaar geleden een aanvang nam en tegen de derde vernissage van One By One zal uitmonden in de tentoonstelling van een ‘bos’.
    ‘Het vertrekpunt van dit schilderij,’ vertelt De Lepeleire, ‘was een tekening die Nicolas Poussin in Rome maakte van een parasol-pijnboom bij zonsondergang. Ik heb dit olieverfschilderij gemaakt zoals je een klein aquarelletje maakt, in één ruk. Vreemd genoeg is het schilderij zo gaan lijken op de schilderingen die je aantreft op de autocars waarmee in Rome toeristen vervoerd worden die door de parasol-pijnbomen naar de zonsondergang willen gaan kijken.
    Voor de derde opening toont De Lepeleire een olieverfschilderij voorstellende een boom en een lithografie met hetzelfde onderwerp. Van de lithografie werden ook afwijkende drukken gemaakt (met verschillende kleuren) op posterpapier, waarmee een kleine ruimte werd behangen en omgevormd tot bos. Verder voegt hij twee aquarellen van langspeelplaten toe (geen hoezen, maar de platen zelf vormen hier het onderwerp van het schilderij: ‘Tongue in Chic’ en ‘T-Connection’.
    Mijn allereerste tekst over hedendaagse kunst was gewijd aan het werk van Damien De Lepeleire en verscheen in 1986. Mijn recentste tekst over zijn werk, ‘Een diamantslijper met gevoel voor humor’, werd in 2003 gepubliceerd naar aanleiding van zijn tentoonstelling ‘Keizer van China’ in het Herman Teirlinchuis, waarbij een honderdtal aquarellen en enkele op de Chinese, traditionele kunst gebaseerde schilderijen werden getoond. De tekst werd hernomen in Nieuwzuid # 10.


Vaast Colson

Colson is vooralsnog niet het soort kunstenaar dat in zijn atelier werken maakt die daarna tentoongesteld worden. Doorgaans bouwt hij installaties waarin hij acties uitvoert. Voor het eerste deel van de tentoonsteling heeft hij enkele tekeningen, maquettes en props meegebracht, die aan de basis lagen van dergelijke  acties of er een onderdeel van vormden. Zo zien we het schild van Widu Gasti, een ridder die een actie uitvoerde in Bornem, en twee replica’s van het pro model (skatebord) van diezelfde ridder, dat werd uitgegeven op 24 exemplaren voor 24 ridder-kopers die samen een verbond zullen vormen. Verder zien we enkele schetsen, maquettes en een schilderij die aan de oorsprong lagen van de grote schuimen taartspie ‘U used to be part of something’ die in juni van dit jaar voor het eerst te zien was in het Antwerpse Elzenveld. In café ‘Au Grand Salon’ vinden we de foto ‘Kalpetran’, die getuigt van Vaasts zoektocht, enkele jaren geleden, naar een steen die hij van zijn ouders tijdens een bergwandeling in 1988 heeft moeten achterlaten. De rugzak en het groene hoedje zijn ‘props’ die gebruikt werden bij deze actie. Tenslotte zien we een maquette van een konijn met zaagmachine-oor en de sculptuur ‘Het gevaar schuilt in zijn voeten’, die dateert uit 1999. Dit vroege werk is een mooi voorbeeld van wat ik zo bewonder in het werk van Colson, omdat het iets vertelt zonder dat je weet hoe, wat of waarom.
    De tweede vernissage wordt door Colson voorzien van een live soundtrack, uitgevoerd door hemzelf, zijn broer Stijn en de muzikant Peter Bols, die eerder al verschillende acties van Colson van een soundtrack voorzag. De muzikanten zullen onzichtbaar zijn. De soundtrack wordt rond het huis hoorbaar gemaakt door middel van ‘station-luidsprekers’.
    Voor het derde gedeelte van de tentoonstelling heeft Colson en nieuwe schuimrubberen taartspie met twee roze en één witte laag laten maken. Verder toont hij de sculptuur ‘Der Pfink Pfüdel’, die dateert uit 2001, en de tekening ‘I’m running from fear’.
    Over Vaast Colson schreef ik de tekst ‘De ridder is het fabeldier’, waarvan in september een verkorte versie werd uitgedeeld naar aanleiding van zijn tentoonstelling ‘Helena: The Paintings Martin Couldn’t Paint Anymore’ (Maes & Matthys Gallery, Antwerpen) en waarvan de integrale versie gepubliceerd werd in het boekje ‘De tweelingbroer van Picasso’, dat op 19 november is voorgesteld in Lokaal 01, Breda, en binnenkort wordt hernomen in het tijdschrift Nieuwzuid #14.


Olivier Stévenart

Olivier Stévenart is de man van de fijne, ruimtelijke ingrepen en de hoffelijke ontvangst van de bezoekers. Voor het eerste deel van de tentoonstelling maakte hij een plafond voor intieme ontmoetingen en deelde hij tijdens de vernissage genummerde en gesigneerde fragmenten uit van een reling uit stucwerk die hij de week voordien had gemaakt voor en museum in Lyon.
    Voor het tweede gedeelte van de tentoonstelling heeft hij het parket van een tentoonstellingszaaltje opgefrist en geboend. De installatie bevat ook twee boenslippers en een stoffer.
    Voor het derde gedeelte van de tentoonstelling heeft hij een ‘Erehaag met plumeau’s’ gemaakt en een sculptuur die bestaat uit een sokkel voor het instrument waarmee die sokkel is gemaakt. De sokkel is getrokken in stucwerk, net zoals de armleuning uit Lyon en de sokkeltjes voor de plumeau. Het profiel van de sokkel vormt de naam van Stévenarts firma: ‘OSTSA’ (Olivier Stévenart Technicien de Surface Ambassadeur).


Paul Hendrikse

Voor het eerste gedeelte van de tentoonstelling bouwde Paul Hendrikse ‘Appelschraag’. Getroffen door de benauwende afrastering van een nabijgelegen wandelpad stelde hij voor dit pad ergens te laten splitsen en over de afsluiting heen te laten afzwenken tussen de kruinen van twee appelaars. Steeds hoger wordende, kruiselings opgestelde poten van blank hout vormen sierlijke schragen voor een twaalf meter lange, zwervende loopplank. Het is een prachtige, elegante constructie. Twee wijd uitstaande armleuningen beletten je te vallen. De wandelaar die de loopplank betreedt ontsnapt uit een benarde omgeving, terwijl hij tegelijk toegang krijgt tot het concrete van de appeldragende bomen en het onstoffelijke, voorwerploze uitzicht op een onbelemmerde hemel.
    Tegelijk toonde hij in het museum een stoeptegel van het werk ‘Soon’ (2004). Het werk bestaat uit een serie van tien stoeptegels met een kleine uitsparing waarin je een balletje kan leggen. De stoeptegels worden in dorpen of steden in het trottoir gevoegd. Nu en dan legt hij in het voorbij gaan een balletje in zo’n tegel. Er zijn momenteel drie tegels in stoepen ingevoegd in Antwerpen en in Den Bosch. De tegels werden gemaakt bij Lokaal 01 Antwerpen en zijn eerder getoond bij Arti Cappeli in Den Bosch. Het werk werd niet geïntegreerd, het wordt getoond als document.
    De meeste werken van Hendrikse hebben te maken met de registratie of het vangen van licht. Tijdens deze vernissage zal hij opnames maken die tijdens de volgende vernissage getoond zullen worden. Verder toont hij op een monitor een videocompilatie met registraties van een aantal oudere werken (waaronder ‘Appelschraag’) en projecteert hij in de vitrinezaal een nieuw filmwerk op de muur.
    De nieuwe film heet ‘17:21-17:49’ (2002) en toont 18 minuten valavond tijdens een spitsuur in de herfst van 2002. Buiten beeld rijden auto’s af en aan, ze zijn enkel zichtbaar in reflecties die voortglijden over de tramkabels boven de weg. De film maakt deel uit van een serie video’s die Hendrikse gedurende 2001-2002 gemaakt heeft over concrete gebeurtenissen op straat die je even wegvoeren uit de werkelijkheid.
    De documentatievideo toont fragmenten uit en beschrijvingen van de volgende werken: ‘Dust/Birds (2002), ‘Warpzone’ (2001), ‘Appelschraag’ (2004), ‘Passengers’ (2003), ‘Props’ (2003), Zonder titel (Kat) (2001), Dialoog (2004), ‘You and I are quickly flattered’ (2004), ‘Parting or putting together’ (2004).
    Voor het derde gedeelte van de tentoonstelling projecteert Hendrikse over een nabijgelegen wit huis met witte tuinmuren een drie uur durende film die hij tijdens de vorige vernissage heeft opgenomen. Op de film zien we fragmenten van de vorige vernissage, die zich met de huidige vernissage zullen vermengen. De projectie van de film is mogelijk omdat het nu vroeger donker wordt dan een maand geleden. Binnen toont Hendrikse een transparante toren van houten blokjes die voor een raam staat. In de buurt toont een diacarrousel een beeldenreeks waarin we mensen zien bewegen achter de ramen van een gebouw, dat soms op een abstracte compositie begint te lijken, zoals de lichtvangende sculptuur op de vensterbank. Verder toont Hendrikse de projectie van een blauwe hemel, die afkomstig is uit een diareeks met tachtig verschillende blauwe hemels. Dit beeldje verwijst naar de achterover hellende zitbank in de tuin, die je uitnodigt naar de hemel te kijken. Verder zijn er nog twee super 8 films te zien en werden in nabijgelegen trottoirs zelfgemaakte vloertegels met een kuiltje geplaatst.
    Al deze werken worden uitvoerig beschreven in de tekst ‘De droom van Bergotte’, over het werk van Hendrikse, die eerstdaags verschijnt in de nieuswbrief van het Nicc, Antwerpen, en in het boekje ‘De tweelingbroer van Picasso’, dat op 19 november is voorgesteld in Lokaal 01 in Breda.


Montagne de Miel, 19 december 2004

 

‘One By One. Een triptiek zich uitrollende gedurende vier maanden.’ Met Vaast Colson, Damien De Lepeleire, Olivier Stévenart, Paul Hendrikse en Ann Veronica Janssens. Samengebracht door Hans Theys. Van 19 september 2004 tot 20 januari 2005. Vernissages op 19 september, 14 november en 19 december.  Tot stand gekomen met steun van de Vlaamse Gemeenschap, de Gemeente Beersel en de Provincie Vlaams-Brabant.