Hans Theys is a twentieth-century philosopher and art historian. He has written and designed dozens of books on the works of contemporary artists and hundreds of essays, interviews and reviews in books, catalogues and magazines. All his publications are based on actual collaborations and conversations with artists.

This platform was developed by Evi Bert (Centrum Kunstarchieven Vlaanderen) in collaboration with the Royal Academy of Fine Arts in Antwerp (Research group Archivolt), M HKA, Antwerp and Koen Van der Auwera. We also thank Idris Sevenans (HOR) and Marc Ruyters (Hart Magazine).

ESSAYS, INTERVIEWS & REVIEWS

xpo - 2010 - Flesgeesten - Roos Beute en Hans Theys - Briefwisseling over Flesgeesten [NL, essay], 2010
Text , 5 p.




__________

Roos Beute en Hans Theys


Briefwisseling over Flesgeesten
Een tentoonstelling in Project Space 1646 in Den Haag



12 JANUARI: Roos Beute [RB] aan Hans Theys [HT]

Ik kom net van nico van 1646. Weet dus niets over jouw project dan nu, behalve dat je een tentoonstelling maakt van werk van 10 a 12 kunstenaars. Ben benieuwd. Roos

HT - RB

Dag Roos,

Hebben ze je onderstaand tekstje niet getoond?

“Van San worden uitgenodigd ter plaatse werk te creëren. Van de andere kunstenaars wordt werk getoond dat ik mooi vind… Toen ik vorig jaar schreef dat het werk van Tamara Van San ‘het eeuwige opdoemen van beelden uit de materie’ ensceneerde, dacht ik niet alleen aan de jonge held van Prousts À la recherche du temps perdu, die urenlang naar voorwerpen kon kijken in de hoop te doorvorsen op welke geheime wijze ze bepaalde beelden, gedachten of gevoelens in hem opriepen (niet vermoedend dat die beelden en gevoelens al in hem woonden), maar ook aan mijn bevindingen dat het werk van veel kunstenaars lijkt voort te komen uit een minder vanzelfsprekende werkelijkheidervaring. Kunstenaars zien spoken, omdat de gangbare beelden die ze geacht worden over de werkelijkheid te draperen, hen niet meer overtuigen. De oude manier van kijken werkt niet meer. De licht weerkaatsende, moleculaire koraalstructuur van de werkelijkheid breekt door het dunne vlies dat we er proberen overheen te spannen en doet zich voor als onherkenbaar, onkenbaar, ongetemd en onbeheersbaar. Anderzijds hebben veel kunstenaars het vermogen structuren te zien waar ze niet zijn, zodat ze ongetemde materie kunnen ordenen. Hun nieuwe vormen zijn ontroerend, omdat ze de wereld lijken te verruimen door ons op een nieuwe manier te leren kijken. Ook zijn we ontroerd, omdat we de wankele en onvaste wereld herkennen die we ons vaag herinneren uit onze kindertijd, toen de dingen nog geen vaste vorm of naam hadden, of uit de wereld van onze dromen, waarin die onvaste wereld onbelemmerd doorgaat met bestaan.”

RB - HT

De korte tekst die je schreef voor de tentoonstelling raakt me meteen. Ik zal als dat ook met jouw ideeën overeenkomt deze tekst als uitgang nemen en erop terugvallen. Een aantal kunstenaars uit het rijtje dat je opnoemt ken ik, een aantal zullen nieuw voor me zijn.
Om maar meteen te beginnen met een eerste vraag; Wat maakt dat je twee kunstenaars kiest die werk gaan maken op locatie? Waarom die twee?
Zoals je schrijft over kunstenaars en de specifieke, eigen manier van kijken, de werkelijkheid waarnemen, daarbinnen past, zou ik denken, veel en uiteenlopend werk. Hoe ga je te werk in het kiezen wat erbij past en wat niet?
Heb je verschillende uitgangspunten? Een groepstentoonstelling, de tekst die je schreef en die insteek of wordt het werk dat de twee kunstenaars voor de ruimte gaan maken leidend?

15 JAN: HT - RB

Blij iets van je te horen. Hoe is deze tentoonstelling tot stand gekomen en hoe heb ik bepaalde keuzes gemaakt? Allereerst wilde ik graag eens samenwerken met 1646. Ik vind het een bijzondere plek, met een prachtige ruimte en boeiende bezielers. Omdat ik in maart en april voor de Vrije Academie werk, wilde ik mezelf ook zichtbaar en kwetsbaar maken voor de kunstenaars die ik daar zal ontmoeten. Voor de keuze van de kunstenaars vraag ik me in de eerste plaats af welke werken ik vandaag de mooiste vind en welke kunstenaars ik de meest bijzondere mensen vind. Ik werk niet graag meer samen met kunstenaars die onaangename mensen zijn. Tamara Van San en Bart Lodewijks zijn twee bijzondere kunstenaars én heel aangename mensen. Ze werken ook allebei in situ. Ik heb hen samen gevraagd, omdat ik vorig jaar al met hen heb samengewerkt voor een tentoonstelling over het aura, die ik heb georganiseerd met Frank Maes voor de Brusselse galerie Rossi Contemporary. Alle andere kunstenaars zijn mensen die ik graag zie en die werk maken waar ik van hou. Tegelijk zijn het mensen die spoken maken. Het verband tussen de werken is dat het spoken zijn. Van Ann Veronica Janssens: een rode, altijd wisselende schaduw, een toonkast met twee uitgesneden ruitjes die een kubus leegte oproepen en een zwarte holle spiegel die de illusie van een reusachtige zeepbel oproept; een nieuwe sculptuur van Berlinde De Bruyckere die de droom van een gepijnigd en verlost lichaam oproept; van Damien De Lepeleire drie kleine uitgeknipte silhouetjes van gefotografeerde sculpturen en een geaquarelleerde impressie van een licht weerkaatsende bronzen sculptuur; van Dirk Braeckman een uitzonderlijke kleurenfoto van een schemerlamp; enzovoort. Allemaal spoken. 

RB - HT

Las nog eens je tekstje net. En ik zie nu pas echt goed de titel eigenlijk. Monsters, spoken... klinkt intrigerend en doet me ergens denken aan iets dat uit een kinderboek komt. Wat toen ik aan het einde van je tekst kwam weer mooi rond voelde. “Ook zijn we ontroerd, omdat we de wankele en onvaste wereld herkennen die we ons vaag herinneren uit onze kindertijd, toen de dingen nog geen vaste vorm of naam hadden, of uit de wereld van onze dromen, waarin die onvaste wereld onbelemmerd doorgaat met bestaan.”

Kunstenaars hebben toegangspoort tot eigen ideeën/opdoemsel wereld herontdekt… Het inzichtelijk maken van eigen spook (verschijningen, opdoemsels) voor anderen. Misschien dat iedereen ze inderdaad ‘ziet’ of ‘zag’ maar dat sommige kunstenaars het vermogen hebben om daar een soort ordening of een persoonlijke hiërarchie in aan te brengen die een stukje van de ‘ongetemde materie’ inzichtelijk weet te maken. Kan me voorstellen dat om je daarin te begeven een hoop lef nodig kan zijn (‘erin’ te gaan en dan te vertrouwen op je kunnen en het voor anderen te vertalen in werk) dat het een aandacht, vrijheid en openheid vraagt, zodat je er niet overheen walst zoals zovelen.

Groet!

HT - RB

Roos, Roos, Roos!
Eerder dan zelf geziene opdoemsels te reproduceren voor de toeschouwer, bakt de kunstenaar voorwerpen, die bij ons opdoemsels oproepen. Denk ik. Uit die voorwerpen (sculpturen, films, tekeningen, foto’s, schilderijen, songs, gedichten, dansvoorstellingen) doemen beelden op. De werken zelf wellen op uit de materie en uit de handen en de blik van de kunstenaar. De kunstenaar laat ze los en ze krijgen vorm, ze wellen op, ze organiseren zich, ze maken lawaai. Ze trompetteren en zwijgen tegelijk. Als stom tumult, zoals ik in 1986 mijn eerste dichtbundeltje heb genoemd.

24 JAN: RB - HT

De ruimte in 1646 is mooi maar niet groot. Je hebt in de tekst die je schreef voor de tentoonstelling een behoorlijk aantal kunstenaars opgenomen waarvan je werk wilt laten zien. Ook is het werk zeer uiteenlopend, volgens mij. Er zijn een aantal echte ‘monsters’ bij zoals het werk van Ophuis, het werk van Berlinde de Bruyckere dat schokkend en ontroerend tegelijk kan zijn. De kunst van Ann veronica janssens is soms erg subtiel, maar bestaat soms uit ruimte bepalende (of in ieder geval sterk beïnvloedende) ‘lichteffecten’.
Ik voorzie hier een reëel probleem, hoe ga je met zoveel kunst in een beperkte ruimte de essentie van de verschillende werken tot hun recht laten komen? Gaat het dan meer om de illustratie van jouw visie en prachtig geschreven tekst? Blijft het werk van de kunstenaars wel centraal staan hierin?
Bij spookachtig, schimmenwerk kan ik me voorstellen dat er juist aandacht en ruimte moet zijn om je tot die laag te laten meenemen waarop ze het werken. Hoe rijm je dat met de wens om zoveel werk te willen laten zien in deze ruimte?

25 JAN: HT - RB

Dank je voor de vraag.
Is het mogelijk dezelfde middag een paar bladzijden van Gerard Reve, Marcus Aurelius, Oliver Sacks en Richard Dawkins te lezen? Ik denk van wel, want ik doe dat de heel tijd. Is het mogelijk dezelfde avond naar de Vier Letzte Lieder van Strauss, Tangled up in Blue van Bob Dylan en Minor Swing van Django Reinhardt te luisteren zonder afbreuk te doen aan de specifieke waarde van deze werken? Ik denk van wel.
De werken worden geenszins beschouwd als illustraties van een theorietje, ik toon ze gewoon. Ik ga proberen ze te tonen zonder dat ze elkaar bekampen. Ze zullen elkaar versterken.
Ik heb dat al vaker gedaan. “Il y a plusieurs styles, mais il n’y a qu’un Beau,” schreef Flaubert. De zogenaamde stijl is irrelevant. Het werkt of het werkt niet. De rest is prietpraat.

27 JAN: RB - HT

Heb er even over nalopen denken. 
Mooi antwoord weer van je, klinkt ook erg overtuigend.
Blijf toch nog wel van mening dat je alle door jou genoemde muziekstukken prima na elkaar kunt beluisteren, maar dat alles tegelijkertijd afspelen toch een ander verhaal is… Ik ben benieuwd.
Wil je de toeschouwer iets meegeven over hoe de werken te bekijken? (Deze tekst is natuurlijk bedoeld als uitleg of toelichting naar hen toe.) Ik ervaar zelf vaak dat er wel een mooi idee is waarmee de curator zegt gewerkt te hebben, maar dat het niet terug te zien is in de opstelling van de werken of überhaupt uit de werken zelf spreekt (voor mij dan). Is er iets dat je graag mee wilt geven aan de toeschouwer?

ps
Hoe vaker ik je begintekst lees hoe meer ik denk dat daarin iedere keer al het antwoord staat op de vragen die ik bedenk en vervolgens weer schrap… Ik kan me voorstellen dat het een mooi begin is van de tekst die er straks ligt. Merk bij mezelf de neiging om de poëtische inslag soms te willen vertalen naar … En nu concreet: wat zie ik dan straks/hier? 

28 JAN:  HT - RB

Wat zal er te zien zijn? Concreet dan, vraag je.
Een werk van Ann Veronica Janssens dat ‘un cube de vide’ heet: een horizontale, glazen toonkast waarin op de bodem en op de bovenzijde telkens een vierkant ruitje ligt: als je op een bepaalde manier ljkt, zie je ineens een onbestaande kubus verschijnen. Een spook. Ofwel haar werk ‘Corps noir’: een zwarte, holle spiegel die een soort van optische zeepbel oproept. Nooit weet je of die er echt is of door je brein gemaakt wordt. Of een kleurenfoto van Dirk Braeckman waarop je een schemerlamp ziet, waarbij het zogenaamde licht van de schemerlamp eigenlijk de weerkaatsing is van een flitslicht, bij het fotograferen van een foto van een schemerlamp: een spook. De grijs-zwarte, hangende sculptuur ‘Black Rumba’ van Tamara Van San: een verwarde flesgeest. Over het algemeen transparante, grijze en zwart werken, met hier en daar de geboorte van een zwakke kleur: de waskleur van het frêle lichaampje van de sculptuur van Berlinde de Bruyckere, de kleur van het touw van Bernd Lohaus, het geel van de kleurenfoto van Dirk Braeckman, die vooral bekend is omwille van zijn zwart-wit foto’s, het zachte roze van de tekeningen van Johan de Wilde.
En dan, middenin van deze verschijningen, een schilderij van Ronald Ophuis dat een ander soort monster oproept, dat doet denken aan zinnen in het laatste boek van Milan Kundera over het mysterie van het sluimerende monster in elke mens, elke ambtenaar, elke politicus, elke kunstenaar. Grijze, betonnen afgietsels van melkdozen, waarbij het afgepelde karton bewaard gebleven is (Rein Dufait). Een aquarel naar een zwart-wit foto van een licht weerkaatsende bronzen sculptuur (Damien De Lepeleire). Mistige, vrijwel kleurloze tekeningen van Johan de Wilde, waarin afdrukken van lichaamsdelen te herkennen vallen, als in de lijkwade van Turijn (nog een spook). En wat nog? de zwarte tekeningen op witte muren van Bart Lodewijks, die zich over het interieur uitspreiden als een nieuwe, speelse orde, een nieuwe droom, een poging tot het opleggen van een vorm, een aftasten, een betasten, een bespiegelen.


Montagne de Miel, 31 januari 2010